Wie is zonder zonde?
INDIEN iemand zijn leven zou kunnen leiden zonder ooit een aanvaarde morele maatstaf of ethische regel te breken, zou hij dan kunnen zeggen dat hij zonder zonde is? Kan men van een zuigeling zeggen dat hij vrij van zonde is omdat hij nog niet kan bevatten wat moreel juist is, of nog niet kan doen wat moreel juist of onjuist is? Sommige personen in deze materialistische wereld zullen geneigd zijn deze vraag bevestigend te beantwoorden. Zij schieten er echter in tekort te beseffen dat zonde veel meer dan het breken van een morele regel inhoudt. De wetten van God zijn erbij betrokken. Geen onvolmaakt mens is in staat deze wetten volmaakt te houden, en omdat hij dit niet kan, maakt hij zich schuldig aan zonde. Hij voldoet niet aan de ten doel gestelde standaard van volmaakte gehoorzaamheid aan zijn Schepper.
Hoe staat het echter met de persoon die weigert een Schepper te erkennen en volhoudt dat ’s mensen verbazingwekkende lichaam het produkt van toeval, van louter een toevallige samenloop van omstandigheden, en niet het resultaat van een verstandelijke schepping is? Daar hij het bestaan van goddelijke wetten weigert te erkennen, kan hij blijven volhouden dat hij zonder zonde is. Terwijl hij dergelijke wetten loochent, wordt hij er echter elk moment van zijn leven mee geconfronteerd. Elk deeltje van de materie is onderworpen aan wetten waardoor het wordt beheerst. Doordat het gehele universum volgens specifieke wetten werkzaam is, kon de mens enkele ervan in zijn toegepaste wetenschappen aanwenden.
Daar wetten zichzelf niet in het leven kunnen roepen, duidt het feit dat ze er zijn, op het bestaan van een Wetgever. Zijn wijsheid wordt gemanifesteerd door de wonderbaarlijke wijze waarop deze wetten het universum ordelijk onder controle houden. Wanneer deze Persoon over het vermogen beschikt voor onbezielde materie wetten in het leven te roepen, is hij er ook toe in staat dit voor levende, met verstand begaafde schepselen te doen ten einde hun gedrag te leiden. Daar schending van de „natuur”-wetten veel ellende voor de mens met zich kan meebrengen, dient het niet moeilijk te zijn te begrijpen dat het overtreden van de goddelijke wetten die ’s mensen gedrag leiden, hem veel schade kan berokkenen. Een dergelijke overtreding heeft onvolmaaktheid en de dood met zich meegebracht.
De geest van ongeloof omtrent wat met de Schepper in verband staat, heeft op de religieuze denkwijze van deze moderne wereld zijn stempel achtergelaten. Het resultaat hiervan is geweest dat sommige belijdende christenen tot de gevolgtrekking zijn gekomen dat zonde tot het verbreken van morele maatstaven is beperkt en dat men er door middel van karakterontwikkeling, van gered kan worden. Anderen geven hun eigen definitie van zonde, zoals een groepering welke beweert dat er „het geloof in het werkelijke bestaan van een geest of geesten anders dan de Goddelijke Geest” mee wordt bedoeld. Redding van zonde betekent volgens hen gered te worden van „de begoochelingen van aardse gevoelens”. Aangezien deze mensen een totaal andere betekenis aan het woord hebben gegeven, kunnen zij, wanneer zonde als het missen van de ten doel gestelde standaard van volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wetten wordt beschouwd, beweren zonder zonde te zijn.
Vele belijdende christenen, zoals de in de vorige paragraaf genoemden, zijn geneigd de gedachte te verwerpen dat de door de eerste mens begane zonde op elk thans levend mens haar invloed doet gevoelen. Professor C. Moehlman van het theologische seminarie te Rochester, merkte in dit verband op: „Door de moderne mens worden de oorspronkelijke zonde en schuld, die in de middeleeuwse synthese zo fundamenteel waren, verworpen. . . . Op de een of andere dag in de toekomst zullen de oorspronkelijke zonde en schuld moeten wijken voor de zonde in de betekenis van een stadium in de evolutie naar het goede.” Ondanks deze en soortgelijke onder religieuze en niet-religieuze mensen gangbare meningen blijkt uit het geschreven Woord van de grote Wetgever dat alle mensen de gevolgen van Adams zonde dragen.
De mens heeft nu met de dood te maken, niet omdat de dood voor het menselijke lichaam iets natuurlijks is, maar als een gevolg van de door de eerste mens begane zonde. De gevolgen ervan zijn door zijn nakomelingen overgeërfd. Wetenschappelijke onderzoekingen hebben aan het licht gebracht dat het menselijke lichaam zich voortdurend hernieuwt en theoretisch voor onbepaalde tijd in leven moet kunnen blijven. Dat de oorzaak van het sterven van de mens in de van Adam overgeërfde zonde en onvolmaaktheid is gelegen, is iets wat duidelijk in Gods Woord wordt geleerd: „Gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.” — Rom. 5:12.
Adam en Eva brachten nakomelingen voort nadat zij hadden gezondigd en de ten doel gestelde standaard van volmaakte rechtschapenheid aan God hadden gemist. Daar er uit iets onreins niets reins kan komen, waren hun kinderen niet vrij van zonde en de straf erop, de dood. Dit behoeft niet moeilijk te begrijpen te zijn wanneer men in gedachten houdt dat door middel van de erfelijkheid vele zwakheden van de ouders aan de kinderen kunnen worden doorgegeven. Waarom zou het, daar dit het geval is, ongeloofwaardig schijnen dat de gevolgen van Adams zonde aan al zijn nakomelingen werden doorgegeven? In de Schrift wordt duidelijk verklaard dat „in Adam allen sterven” (1 Kor. 15:22). Men wint er niets mee en bedriegt alleen maar zichzelf wanneer men, omdat men het hier niet mee eens is, de autoriteit van de Schrift in twijfel trekt.
Daar de Adamitische zonde door alle mensen is overgeërfd en van het ene geslacht op het andere is overgedragen, zijn ook zuigelingen niet vrij van zonde. David vestigde hier de aandacht op toen hij zei: „In zonde heeft mijn moeder mij ontvangen” (Ps. 51:7). Het is waar dat zij nog te jong zijn om persoonlijk te hebben gezondigd door de goddelijke wetten te overtreden, maar hun leeftijd legt geen gewicht in de schaal met betrekking tot de van Adam overgeërfde zonde. Iemand kan alleen door Gods onverdiende goedgunstigheid, waardoor in een juist rantsoenoffer werd voorzien, van de slavernij aan de Adamitische dood worden bevrijd. „Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” — 1 Joh. 1:7.
Zij die loochenen dat zij van Adam zonde hebben overgeërfd of dat zij wegens het missen van de ten doel gestelde standaard van volmaakte gehoorzaamheid schuldig zijn aan zonde tegen Gods wetten, spreken niet de waarheid wanneer zij deze zienswijze onder woorden brengen. Of zij nu belijdende christenen zijn of niet, hun filosofische of religieuze opvattingen bevatten geen waarheid. Iets denkbeeldigs maakt nog geen feiten. „Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet.” — 1 Joh. 1:8.
Degene wiens bestaan duidelijk blijkt uit de wonderbaarlijke dingen die wij in het stoffelijke universum waarnemen — dingen die een ontzagwekkende wijsheid en macht tentoonspreiden — heeft de mens niet zonder specifieke inlichtingen omtrent Zichzelf en Zijn voornemens gelaten. Hij heeft de mens een geschreven gids verschaft waarin hij verklaart waarom alle mensen onvolmaakt zijn en uiteindelijk sterven. Die geschreven gids is de bijbel, de maatstaf voor het bepalen van wat een juiste of onjuiste opvatting is. In dit boek heeft hij geopenbaard hoe hij een voorziening heeft getroffen waardoor mensen van de overgeërfde zonde en dood bevrijd kunnen worden. Wegens Gods door bemiddeling van Christus tot uitdrukking gebrachte onverdiende goedgunstigheid zal de mens eens, ter bestemder tijd, naar waarheid kunnen zeggen dat hij zonder zonde is.