Gods schrijvers — wie waren dit?
De bijbel heeft maar één Auteur, Jehovah God. Hij gebruikte echter menselijke tussenpersonen om dat Woord voor ons op te tekenen. Wie waren deze schrijvers?
JEHOVAH God schreef zelf de Tien Geboden op stenen tafelen. Voor het overige gedeelte van de bijbel gebruikte hij menselijke werktuigen om zijn Woord op te tekenen. Er zijn ongeveer vijfendertig van deze schrijvers — allen joden — geweest. Zij waren uit alle rangen en standen der maatschappij afkomstig, terwijl de tijdsruimte waardoor zij van elkaar werden gescheiden, zo’n 1500 jaar bedroeg. Deze heilige ’mensen hebben door den heiligen Geest gedreven, van Godswege gesproken’. — 2 Petr. 1:21; Rom. 3:1, 2.
Het zal versterkend voor ons geloof zijn om te weten wie deze schrijvers precies waren. Wij hebben weliswaar niet voor elk geval een rechtstreeks getuigenis, maar er is voldoende bewijsmateriaal voorhanden zodat een christen alle sceptici wier aanval op de authenticiteit van de bijbel op een geschilpunt omtrent de vraag wie de afzonderlijke boeken heeft geschreven, is gebaseerd, op de vlucht kan drijven.
De Pentateuch, bestaande uit de eerste vijf boeken van de bijbel, wordt aan Mozes toegeschreven. Het was oorspronkelijk één boekdeel en werd gemakshalve in afzonderlijke delen gesplitst. Alhoewel wij herhaaldelijk lezen dat Mozes schreef of dat hij de opdracht tot schrijven kreeg, staat er in de boeken zelf niet met zoveel woorden dat Mozes ze schreef. — Ex. 34:27; Num. 33:1, 2; Deut. 31:9.
Dat Mozes ze inderdaad heeft geschreven, is niet alleen een logische gevolgtrekking en wordt niet slechts door de joodse overlevering weergegeven, maar wij hebben hiervoor eveneens het getuigenis van het overige gedeelte van de bijbel zelf. Hierin vinden wij in zevenentwintig verschillende boeken wel tweehonderd verwijzingen naar „het boek der wet van Mozes”, enzovoorts. — Joz. 8:31; 2 Kon. 21:8; Ezra 6:18; Hand. 15:21.
In het licht van het voorgaande biedt het grootste gedeelte van de Pentateuch geen probleem; Mozes tekende louter op wat hij zag en hoorde. Maar wat valt er te zeggen over het in de Pentateuch opgetekende bericht omtrent de schepping, ’s mensen zondeval, de Vloed, de bouw van de toren van Babel, en dergelijke dingen meer? Volgens de laatste aanwijzingen heeft Mozes deze inlichtingen aan ten minste elf vroeger geschreven geschiedenissen ontleend.
Archeologische ontdekkingen geven te kennen dat er reeds vóór de Vloed werd geschreven. Dat Adam de kunst van het schrijven verstond, is derhalve een redelijke gevolgtrekking, waaraan nog kracht wordt bijgezet door wat wij in Genesis 5:1 (NW) lezen: „Dit is het boek van Adams geschiedenis.” Het woord dat hier met „geschiedenis” is vertaald, is toledóth, en betekent onder andere, geschiedenis of verhaal over de oorsprong, „geschiedkundige oorsprongen”. Het komt aan het einde van een document voor en staat als een colofon bekend, terwijl de schrijver van het voorgaande erdoor wordt geïdentificeerd. Deze zelfde uitdrukking treffen wij in Genesis 2:4 (Pa) aan, waar wij lezen: „Dit is de geschiedenis des hemels en der aarde, toen zij geschapen werden.” Zeer waarschijnlijk heeft Adam deze geschiedenis eveneens geschreven. Behalve deze twee geschiedenissen spreekt de bijbel — in Genesis 6:9; 10:1; 11:10, 27; 25:12, 19; 36:1, 9; 37:2 (NW) — over nog negen andere geschiedenissen die Mozes heeft geraadpleegd.
De archeologie toont aan dat geschiedenissen of verhalen met een wigvormige stylus of schrijfstift op zachte kleitabletten werden geschreven, die vervolgens in de zon werden gedroogd. Dit schrift — dat als spijkerschrift bekendstond — bleef zelfs nadat men inkt en papyrus begon te bezigen, in gebruik. Kleidocumenten werden van generatie op generatie doorgegeven, en ongetwijfeld werden soortgelijke documenten door Noach en zijn zoons door de Vloed heengebracht. Aangezien Mozes in alle wijsheid der Egyptenaren was onderwezen, zou het voor hem geen moeilijkheden opleveren om deze documenten te ontcijferen en in het Hebreeuws — de taal welke ten tijde van de Exodus door hem en zijn volk werd gesproken — te vertalen. Mozes behoefde deze documenten niet noodzakelijkerwijs woord voor woord over te schrijven; bij het bewerken ervan werd hij door inspiratie geleid, evenals hij het bericht over zijn tijd onder inspiratie optekende. Deze elf geschiedenissen handelen over de tijd vanaf de schepping tot en met Genesis 37:2, tot de tijd van Jakob en zijn zoons. Behalve Adam waren de schrijvers of eigenaars van deze geschiedenissen Noach, de zoons van Noach, Terah, Ismaël, Isaäk, Esau en Jakob. Het overige gedeelte van het bericht dat aan zijn leven voorafging, kon Mozes gemakkelijk van zijn vader Amram hebben gekregen, die het ongetwijfeld weer uit de mond van zijn grootvader Levi, die een hoge ouderdom bereikte, had vernomen. — Hand. 7:22.
JOZUA TOT EN MET ESTHER
Wat het boek Jozua betreft, waar wij nu aan toe zijn gekomen, door de aanwijzingen wordt de gedachte der joodse overlevering, namelijk dat dit boek de naam van de schrijver ervan draagt, ten zeerste ondersteund. Volgens Jozua 6:25 leefde Rachab ten tijde dat het boek werd geschreven, waardoor dus te kennen wordt gegeven dat het boek door iemand die ten tijde van de opgetekende gebeurtenissen leefde, op schrift werd gesteld. Logischerwijs was Jozua de schrijver. Wat is bovendien redelijker dan de gevolgtrekking dat Jehovah, evenals hij Mozes had gebruikt om de gebeurtenissen tijdens zijn leven (en nog meer) op te tekenen, Mozes’ opvolger zou gebruiken om hetzelfde te doen? Als assistent van Mozes had Jozua ruimschoots de gelegenheid om het optekenen van gebeurtenissen te leren.
Wie schreef het volgende boek, Richteren? Zeer waarschijnlijk Samuël. In dit boek komt herhaaldelijk de uitdrukking voor, „in die dagen was er geen koning in Israël”, waardoor bedektelijk te kennen wordt gegeven dat er ten tijde dat het werd geschreven, wel een koning in Israël was. Tevens wordt in het boek verteld dat de Jebusieten nog in Jeruzalem waren. Aangezien zij in het begin van de regering van koning David uit de stad werden verdreven, volgt hieruit dat het boek gedurende de regering van koning Saul en derhalve tijdens het leven van Samuël moet zijn geschreven. Zou Jehovah niet redelijkerwijs zijn voornaamste aardse woordvoerder van die tijd gebruiken om zijn Woord op te tekenen? — Richt. 1:21; 17:6.
Door precies dezelfde redenering te volgen, wordt Samuël als de schrijver van het boek Ruth aangeduid. Wat de twee boeken van Samuël echter aangaat, staan wij hier voor een verrassing, want het ligt zeer voor de hand dat hij het tweede boek niet geschreven kan hebben; hij kan trouwens zelfs het eerste boek niet helemaal hebben geschreven, want hierin wordt ons in 1 Samuël 25:1 over Samuëls dood verteld. Een vervalsing? Helemaal niet! De twee boeken waren oorspronkelijk één boekdeel en het is daarom redelijk te concluderen dat de twee profeten Nathan en Gad, die het als Samuëls opvolgers zeer waarschijnlijk hebben voltooid, er de voorkeur aan gaven anoniem te blijven. — 1 Kron. 29:29.
Nu zijn we dan bij de twee boeken Koningen aangeland, en hier bemerken wij wederom dat de joodse overlevering, die de schrijver met name noemt — namelijk Jeremia — wordt ondersteund door datgene wat wij uit de Schrift kunnen opmaken. Vele Hebreeuwse woorden en uitdrukkingen komen alleen in deze twee boeken en in Jeremia’s profetie voor, wat erop duidt dat ze door dezelfde schrijver zijn geschreven. Uit beide werken blijkt een grote waardering voor de Wet en een brandende ijver voor Jehovah’s zuivere aanbidding. De boeken Koningen vertellen over toestanden welke in Jeruzalem heersten nadat de ballingschap was begonnen, waardoor te kennen wordt gegeven dat de schrijver niet naar Babylon was gevoerd, hetgeen met Jeremia ook niet het geval is geweest. Het boek Jeremia en de boeken Koningen vullen elkaar aan, doordat gebeurtenissen in het ene boek kort worden geschetst indien ze in het andere boek volledig worden behandeld. In het bijzonder onthullend is het feit dat er in de boeken Koningen, alhoewel de profeten hierin speciaal op de voorgrond treden, geen melding wordt gemaakt van Jeremia, hoe voornaam zijn werk ook was. De enige logische verklaring is dat hij, aangezien hij in het boek dat zijn naam draagt over zijn werk had verteld, helemaal geen melding van zichzelf in de boeken Koningen maakte.
Dat in 1 en 2 Kronieken het priesterlijke element op de voorgrond treedt, duidt erop dat de schrijver ervan een priester zoals Ezra moet zijn geweest, hetgeen eveneens te kennen wordt gegeven door de overeenkomst tussen de laatste woorden van 2 Kronieken en de beginwoorden van Ezra. Dat ze in Ezra’s tijd werden geschreven, kan duidelijk worden afgeleid uit de vele Chaldeeuwse uitdrukkingen die erin voorkomen, welke klaarblijkelijk in Babylon waren opgedaan. Het is derhalve niet zonder gegronde redenen dat door de joodse overlevering Ezra als de schrijver van 1 en 2 Kronieken wordt aangeduid.
In het boek Ezra wordt verteld over twee groepen van ballingen die uit Babylon naar Jeruzalem terugkeerden. Ezra had de leiding van de tweede van deze groepen en is de logische persoon om ons erover te vertellen, hetgeen hij in de hoofdstukken 7, 8 en 9 ook in de eerste persoon doet. Betreffende de schrijver van het volgende bijbelboek wordt geen twijfel overgelaten, daar het met de woorden „De geschiedenis van Nehemia” begint.
Hoe staat het met het boek Esther? Wie was er zo bekwaam om de schrijver van dit boek te zijn als haar neef Mordechaï? Hij was stellig in staat alle feiten te weten en genoot Jehovah’s zegen. De Grote Synagoge der joden en Josephus komen tot dezelfde conclusie.
JOB TOT EN MET MALEACHI
Het is mogelijk dat het boek Job het oudste van alle bijbelboeken is, en de verwijzingen die er in Ezechiël 14:14, 20 en in Jakobus 5:11 naar Job worden gedaan, bewijzen dat hij inderdaad heeft geleefd. Wat de schrijver van dit boek betreft, alles duidt op Mozes. Het boek Job staat vol met grootse en machtige poëzie, zoals wij ook in Exodus 15 en Deuteronomium 32 aantreffen. Er komen in het boek Job en de Pentateuch overeenkomstige uitdrukkingen voor. Bovendien blijkt dat de in het boek Job beschreven gebeurtenissen voorvielen omstreeks de tijd dat Israël werd onderdrukt en Mozes kan derhalve over Job hebben vernomen terwijl hij, nadat hij van Farao was weggevlucht, in de woestijn van Midian vertoefde. Tevens wordt het schrijven van het boek Job door toonaangevende vroege christenen aan Mozes toegeschreven.
In tegenstelling tot de algemene opinie, heeft David niet alle psalmen geschreven. Hij schreef er slechts tweeënzeventig van de honderdenvijftig. Andere schrijvers van de psalmen waren bijvoorbeeld Mozes, Salomo, Asaf en de zonen van Korach. Vierendertig psalmen zijn anoniem. Het volgende boek, Spreuken, geeft zelf te kennen dat Salomo de eerste negenentwintig hoofdstukken, Agur het dertigste en koning Lemuël het eenendertigste hoofdstuk heeft geschreven. Het boek Prediker (1:1, 12) identificeert koning Salomo als de schrijver ervan, wat eveneens met het volgende boek, Hooglied (1:1), het geval is.
De schrijvers van de volgende vijf boeken van de bijbel waren Jesaja, Jeremia (twee), Ezechiël en Daniël. Er is een ware vloed van lectuur geweest waarin men heeft trachten te bewijzen dat Jesaja niet het gehele boek dat zijn naam draagt, heeft geschreven. Zij die hem belasteren, kunnen het er evenwel niet over eens worden of het boek door twee, drie of zelfs meer verschillende „Jesaja’s” werd geschreven. Maar kan een boek niet verschillende stijlen hebben die bij variërende boodschappen passen, zonder dat hiervoor een aantal schrijvers is vereist? Stellig wel! Voor christenen wordt de kwestie door de geïnspireerde apostel Paulus opgelost, want hij doet aanhalingen uit de vermeende verschillende afdelingen van het boek en schrijft ze alle aan Jesaja toe. Zie hiervoor de hoofdstukken negen en tien van Romeinen.
De eer voor het schrijven van het boek Klaagliederen wordt terecht aan de profeet Jeremia toegeschreven. Zowel de stijl van schrijven als de tijd waarin het werd geschreven, duiden onmiskenbaar op hem.
Het boek Daniël is altijd een geliefkoosd mikpunt voor de hogere critici geweest. Zij schijnen het er allen over eens te zijn, dat het pas honderd jaar nadat Daniël leefde, geschreven kan zijn. Vele van hun aanvallen zijn ten gevolge van archeologische ontdekkingen echter als dwaasheid bestempeld, en voor christenen wordt het pleit door de woorden van Jezus Christus beslecht, want hij deed een aanhaling uit het boek en schreef het aan Daniël toe. — Matth. 24:15.
Na Daniël komen er twaalf zogenaamde kleine profeten, en elk van deze profetieën wordt door de naam van de schrijver ervan aangeduid. Als er een uitzondering is, zou dit Maleachi kunnen zijn, wiens naam „Boodschapper van Jah” betekent, en welke naam een pseudoniem geweest kan zijn welke door de profeet Nehemia werd gebruikt ten einde de aandacht niet op zichzelf te vestigen. Alle feiten passen volledig bij de tijd van Nehemia, en toch wordt Maleachi niet door Nehemia genoemd. De ijver van Maleachi is stellig te vergelijken met die welke door Nehemia werd tentoongespreid.
DE CHRISTELIJKE GRIEKSE GESCHRIFTEN
Voor zover vastgesteld kan worden, begon Mozes omstreeks 1513 v. Chr. met het schrijven van de bijbel, en werden de Hebreeuwse Geschriften omstreeks 442 v. Chr., met het geschrift van Nehemia of Maleachi, voltooid. Gedurende bijna vijf eeuwen werd er door geen enkele schrijver van God een geïnspireerd bericht opgetekend. Waarom niet? Ongetwijfeld omdat de gebeurtenissen in die tijd geen profetische betekenis hadden. Maar toen de Zoon van God naar de natie Israël kwam als hun beloofde Messias, was zulks niet langer het geval. Nu geschiedden er gebeurtenissen welke van het grootste belang waren en er werden nieuwe onthullingen gedaan omtrent Gods wil met betrekking tot zijn dienstknechten op aarde. Dit had tot gevolg dat er zevenentwintig boeken aan het Woord van God werden toegevoegd, en wel de christelijke Griekse geschriften, welke met de verkeerde naam „Nieuwe Testament” worden aangeduid, evenals de Hebreeuwse geschriften ten onrechte het „Oude Testament” worden genoemd.
Wie waren de schrijvers van de boeken der christelijke Griekse geschriften? Oude papyrusmanuscripten en het getuigenis van de vroege christenen helpen onveranderlijk die vraag te beantwoorden. Zij schrijven de vier Evangeliën aan degenen toe naar wie ze zijn genoemd. Het feit dat Lukas in het boek Handelingen naar zijn eigen Evangelie verwijst, terwijl hij tevens in de eerste persoon spreekt wanneer hij over enkele van zijn reizen met Paulus vertelt, bewijst dat hij inderdaad beide boeken heeft geschreven. Alhoewel sommigen hardnekkig hebben volgehouden dat de apostel Johannes het naar zijn naam genoemde Evangelie niet heeft geschreven, wordt hun bewering door een archeologische vondst van een fragment van zijn Evangelie, hetwelk tussen de jaren 100 en 150 werd geschreven en helemaal in Egypte werd gevonden, als onjuist aan de kaak gesteld. Dat een fragment tegen die tijd helemaal in Egypte was terechtgekomen, toont aan dat Johannes’ Evangelie gedurende zijn leven en niet zo’n vijftig jaar later, zoals door de hogere critici wordt beweerd, moet zijn geschreven.
Wat de volgende veertien, door Paulus geschreven brieven betreft, op de laatste na identificeren ze alle Paulus als de schrijver. Dat hij eveneens de brief aan de Hebreeën schreef, wordt duidelijk aan de hand van de volgende feiten: Vroege christenen noemen Paulus als de schrijver; een vroege catalogus van al zijn brieven bevat Hebreeën; de schrijfstijl, het gebruik van logica en de rangschikking van het schriftuurlijke getuigenis passen alle het beste bij Paulus. De resterende geschriften van de christelijke Griekse geschriften noemen alle hun eigen schrijver: Jakobus, Petrus (twee brieven), Johannes (drie brieven en Openbaring) en Judas.
Aldus komen wij op zo’n vijfendertig schrijvers, te beginnen met Mozes en eindigend met de apostel Johannes, die over een periode van ongeveer 1600 jaar werden gebruikt om de zesenzestig boeken van de bijbel te schrijven. Door de feiten alsmede door de aanwijzingen wordt getoond dat de schrijvers van deze boeken werkelijk hebben geleefd in de tijd waarin zij beweerden te leven en te schrijven. Dergelijke inlichtingen zijn niet slechts interessant maar versterken ook ons geloof. Verder worden wij erdoor in staat gesteld de aanvallen die op de authenticiteit van Gods Woord worden gedaan, af te slaan — welk Woord van God, ondanks alle pogingen van zijn vijanden om het te vernietigen, blijft bestaan. — 1 Petr. 1:25.