Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w61 1/6 blz. 348-351
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN DE PIONIERSDIENST VOLHARDEN
  • ONS AFRIKAANSE TEHUIS
  • Pioniersdienst — Iets voor jou?
    Onze Koninkrijksdienst 1978
  • Jij wordt uitgenodigd te gaan pionieren — Zul je de uitnodiging aannemen?
    Koninkrijksdienst 1973
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Het aandeel van de pionier in het bijeenbrengen van de „grote schare”
    Onze Koninkrijksdienst 1976
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
w61 1/6 blz. 348-351

Mijn doel in het leven nastreven

Zoals D.G. Bradley dit heeft verteld

MIJN vader had de zeven delen van Studies in the Scriptures en las die al voordat ik werd geboren. Toen ik nog klein was, liet mijn moeder, alhoewel zij nog niet in de waarheid was, reizende vertegenwoordigers van het Genootschap die op doorreis waren, bij ons logeren. Verschillende familieleden waren sinds het begin van de 1ste Wereldoorlog getuigen van Jehovah. Toch werd ons huisgezin pas in 1939 theocratisch, toen mijn ouders en ik allen een werkelijk standpunt innamen en actief in de waarheid werden.

Twee pioniers brachten mij aan het denken. Mijn moeder huisvestte hen toen zij naar ons stadje in de Canadese prairie kwamen. Alhoewel ik mijn oren in het begin sloot voor wat zij te vertellen hadden, begon ik mij na korte tijd steeds meer tot de boodschap van het Koninkrijk aangetrokken te voelen. Tot op die tijd had ik nog nooit in mijn leven zelf gebeden en nu wilde ik om meer kennis en inzicht vragen, maar wist niet hoe. Ik leerde daarom Psalm 25:4, 5 uit het hoofd en twee weken lang herhaalde ik iedere avond voordat ik naar bed ging, die verzen. Wat een verandering voltrok er zich in mijn leven! Eén maand nadat de pioniers naar onze plaats waren gekomen, vergezelde ik hen in de dienst. De volgende maand (september) zei ik mijn werkgever met een maand op, en tegen december — één maand voordat ik werd gedoopt — had ik mijn eerste pionierstoewijzing.

Dit eerste proefje van de pioniersdienst duurde slechts enkele maanden, maar het was lang genoeg om het sterke verlangen in mij te planten de pioniersdienst tot mijn hele doel in het leven te maken. Mijn partner en ik reisden gedurende de wintermaanden met een trailer waar een tamelijk oud span paarden voorgespannen was, en gingen toen de lente aanbrak, op fietsen over. Het gebied lag ver uit de buurt van een gemeente en was ook erg verspreid. De meest op de voorgrond tredende ervaring gedurende deze tijd was een heel eenvoudige belevenis die mij toch erg gelukkig maakte. Ik verspreidde het boek Redding aan de vrouw van een boer en zij toonde bijzondere belangstelling. Juist op dat moment werd dit gedeelte van het gebied van ons afgenomen en aan twee andere pioniers gegeven, zodat ik er nooit een nabezoek bracht. Stelt u zich mijn vreugde eens voor toen deze zelfde pioniers mij vele maanden later vertelden dat deze vrouw, toen ze ten slotte door hen werd bezocht, er druk mee bezig was om alle boeren in de omtrek met het boek Redding op te zoeken en hun te vertellen wat zij had geleerd.

Die eerste paar gezegende maanden van de pioniersdienst kwamen plotseling tot een einde toen de Canadese regering onverhoeds een verbodsbepaling ten aanzien van ons werk en de organisatie uitvaardigde, waardoor het tot iets onwettigs werd gemaakt om een getuige van Jehovah te zijn. Aangezien ik nog erg onrijp was, wist ik niet precies wat ik moest doen en ging ik werelds werk verrichten. Deze baan bleek zeer nuttig te zijn daar ze me veel vrijheid gaf om gedurende de verbodsbepaling naburige gemeenten te helpen. Ik kon de pioniersdienst echter nooit uit mijn hoofd zetten. Wanneer ik er wel eens zo over sprak, zeiden sommigen tegen mij dat ik moest blijven waar ik was wegens de wijze waarop Jehovah mij gebruikte. Dit bevredigde mij niet zodat ik ten slotte om raad naar het Genootschap schreef. Hun antwoord luidde: „Indien het jouw wens is om pionier te zijn, dien je dat te doen.” Met deze woorden van aanmoediging uit de juiste bron duurde het daarom niet lang of ik was terug in mijn gebied met een fiets en een kleine trailer die mij heel vriendelijk door een broeder werd geleend. De mogelijkheid van financiële problemen kwam niet in mij op. De enige gedachte in mijn geest was, dat ik diende te pionieren en dat wilde ik ook. Na twee maanden keerde ik terug naar de gemeente om er een partner — een blijvende partner — te krijgen. In oktober 1942 traden Ruby en ik in het huwelijk, en te zamen begonnen wij een loopbaan van steeds vreugdevoller dienst welke nog niet is geëindigd.

IN DE PIONIERSDIENST VOLHARDEN

Zij die de winters van de Canadese prairie kennen, zullen begrijpen wat ik bedoel wanneer ik zeg dat wij in onze kleine trailer die slechts één enkele wand had, niet in het landgebied konden blijven. De eerste winter gingen wij daarom naar de plaats waar mijn ouders woonden, een stadje met ongeveer 5500 inwoners. Hier had ik voor het eerst het voorrecht om aan de oprichting van een nieuwe gemeente met niet minder dan tweeëntwintig verkondigers mee te werken. Met enkelen van hen had ik persoonlijk gestudeerd en hen eveneens in de dienst geholpen.

De eerste paar jaar na die winter waren voor ons de moeilijkste. Ten slotte schreef ik na een reeks tegenslagen — hoofdzakelijk met auto’s — naar het bijkantoor in Toronto en vroeg om een toewijzing waar wij zonder auto konden pionieren. Er kwam bericht terug met een uitnodiging om naar London, Ontario, te gaan, dat ruim 2700 kilometer uit de buurt lag.

Op dit punt zou ik graag willen vertellen dat ik een les heb geleerd en gelukkig kan ik zeggen dat deze les mij tot voordeel en niet tot nadeel was. Verschillende broeders en zusters die het goed bedoelden, hadden opgemerkt wat een moeite het ons kostte om in de pioniersdienst te blijven en zij waren oprecht van mening dat wij de zaak verkeerd aanpakten. Zij vonden dat het beter voor ons zou zijn om als goede gemeenteverkondigers dienst te verrichten totdat er zich een geschiktere gelegenheid om te pionieren zou voordoen. Soms waren er momenten dat wij onszelf begonnen af te vragen of wij dat maar niet zouden doen. Vervolgens dachten wij weer: „Als anderen kunnen pionieren, waarom wij dan niet?” Deze gedachten dwarrelden door onze geest toen het Genootschap ons uitnodigde naar London te gaan. Zouden wij gaan? Gedurende enkele dagen bespraken wij de aangelegenheid en kwamen toen tot het volgende besluit: „Zou het Genootschap ons hebben uitgenodigd naar London te gaan wanneer het verkeerd voor ons was om te trachten in de pioniersdienst te blijven?” Na de aangelegenheid zorgvuldig en onder gebed te hebben overwogen, waren wij er beiden ten volle van overtuigd dat wij dienden te gaan, en dit deden wij dan ook. Ik geloof dat dit, behalve de opdracht, de belangrijkste beslissing was welke ik ooit heb genomen en ze vormde de basis voor alle toekomstige beslissingen. Hoe noodzakelijk is het om zich op de leiding van Jehovah door middel van zijn organisatie te verlaten!

Na een jaar van werkelijke pioniersdienst in het vreugdevolle gezelschap van die geliefde broeders en zusters van de gemeente in London, Ontario, werden wij als speciale pioniers met een groepje van nog zes anderen naar Ottawa gezonden. Zeven maanden verheugden wij ons in deze dienst en toen kwamen wij in de kringdienst, waarvoor wij naar zuid-Ontario terugkeerden.

Zoals met zo vele anderen het geval was, bleven wij vanaf de eerste tijd dat wij over Gilead hoorden, de vurige wens koesteren daar eens naar toe te gaan en dienst in het buitenland te kunnen verrichten. Ten slotte konden wij ons in september 1947 met ruim honderd broeders en zusters uit verschillende delen van de Verenigde Staten en Canada vijf maanden lang in de meest intensieve studie verheugen die ik ooit in mijn leven heb meegemaakt. Wat Jehovah ons gedurende die cursus betreffende zijn Woord, zijn voornemens, zijn organisatie en zijn vereisten voor een christelijke levenswijze heeft onthuld, zullen wij nooit vergeten.

ONS AFRIKAANSE TEHUIS

Vlak voordat wij gradueerden, gaf broeder Knorr ons onze buitenlandse toewijzingen. Zuid-Rhodesia, Afrika! Wat waren wij opgewonden! Berichten die ons kort daarvoor ter ore waren gekomen, hadden ons erover ingelicht dat het veld in Afrika rijp was voor een geweldige oogst, en nu gingen wij ernaartoe om er een aandeel in te hebben. Wij konden ons bijna niet bedwingen. Ten slotte brak de dag aan waarop onze boot zou vertrekken, en op 15 februari 1949 arriveerden wij in ons nieuwe tehuis in Zuid-Rhodesia. Dat was elf jaar geleden en nu is het geen nieuw tehuis meer. Meer dan de helft van het aantal jaren dat ik in de waarheid ben, heb ik in dit land doorgebracht.

Toen wij hier voor het eerst arriveerden, was de verbodsbepaling ten aanzien van onze lectuur net een kort poosje opgeheven en het jaar daarvoor was er pas een bijkantoor opgericht. Uitwendig heeft de Nieuwe-Wereldmaatschappij in dit land vele zegeningen genoten. Tien jaar geleden was de naam „Watchtower” een synoniem van vrees. De mensen hielden er de meest fantastische ideeën omtrent ons op na, doch nu is dat misverstand bijna volledig uit de weg geruimd. Alhoewel er van de zijde der geestelijken nog de normale tegenstand is, zijn de mensen niet meer bevreesd voor de „Watchtower”, maar zij zijn gaan beseffen dat Jehovah’s getuigen een goed volk vormen dat men kan vertrouwen. Zoals één overheidspersoon het onder woorden bracht: „Wanneer ik tien jaar geleden de naam ’Watchtower’ hoorde, rezen mijn haren te berge, maar nu ben ik tot het besef gekomen dat jullie de stabiliserendste kracht in het land zijn.” Het is iets wonderbaarlijks geweest deze verandering te zien voltrekken.

Intern is de organisatie heel goed gegroeid en tot rijpheid gekomen. De Afrikaanse broeders en zusters zijn eenvoudig en liefderijk en aanvaarden liefdevolle hulp. Wat een vreugde schenkt het hen de boeien van gewoonten en bijgeloof te zien afwerpen en zich met een nieuwe persoonlijkheid te zien bekleden! Hier in Salisbury leeft de Afrikaanse en Europese bevolking in afzonderlijke gemeenschappen. Toen wij in Salisbury aankwamen, waren er vijf Europese verkondigers en één Afrikaanse gemeente. Tien jaar later waren er zestien Afrikaanse en twee Europese gemeenten, met een totaal van ongeveer 1500 verkondigers. Denk toch eens aan dat ik, wanneer ik mijn doel in het leven niet was blijven nastreven, niet het voorrecht had genoten zulk een groei gade te slaan en eraan mee te werken!

Van de verschillende fasen van dienst welke ik in dit land tot mijn grote vreugde heb doorlopen, was het districtswerk wel het opwindendst, alhoewel elk onderdeel van de dienst zijn zegeningen kent. In de districtsdienst leerde of ondervond men altijd iets nieuws: kringvergaderingen in de openlucht; het spreken via een tolk; een volslagen nieuwe taal trachten te leren. Iets wat ik voor geen geld van de wereld zou willen missen, is, de uitdrukking op de gezichten van de broeders en zusters te zien wanneer je probeert in hun eigen taal tot hen te spreken. Hun ogen lichten op en zij vertellen elkaar hoe gelukkig zij zijn dat je iets tot hen kunt zeggen. Ten gevolge van een slechte gezondheid moest ik in 1954 de districtsdienst vaarwel zeggen, doch na een jaar waarin ik gedeeltelijk zendingsdienst en kringwerk had verricht, ontving ik een uitnodiging op het bijkantoor te werken. Sindsdien heb ik het voorrecht gehad bijkantoordienaar te zijn.

Dit verslag zou niet volledig zijn zonder de twee gelegenheden te noemen waarbij wij de internationale congressen in New York bijwoonden, een in 1953 en het laatste in 1958. Wij zijn Jehovah zeer dankbaar voor deze wonderbaarlijke voorziening en danken de broeders en zusters over de gehele wereld die het zowel voor ons als voor andere zendelingen en afgevaardigden mogelijk hebben gemaakt daar aanwezig te zijn. Een van de vele prettige ervaringen van de laatste vergadering was het samenzijn met mijn geliefde oude vader, die er altijd een intense belangstelling voor heeft gehad dat ik in de volle-tijd-predikingsdienst bleef. Het was fijn met hem te praten en te vernemen dat hij op zijn hoge leeftijd nog steeds standvastig in de waarheid is.

Ik kan met het grootste geluk — een geluk dat ik met Ruby, mijn vrouw, deel, die mij vanaf het begin heeft ondersteund en aangemoedigd — op de afgelopen achttien jaar van volle-tijd-evangelisatiedienst terugkijken. Mijn voortdurende gebed is, dat wij te zamen altijd de grootste vreugde mogen scheppen in het doen van Jehovah’s wil, zoals die wil tot op onbepaalde tijd in een leven dat nimmer behoeft te eindigen, geopenbaard zal worden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen