Doe alles overeenkomstig Jehovah’s weg
„Met eigen ooren zult gij het woord achter u hooren: Dit is de weg: bewandelt dien! — wanneer gij rechts of links zoudt willen inslaan.” — Jes. 30:21, LV.
1. Hoe kunnen wij God leren kennen? En welke vragen behoeven een antwoord?
ALLEEN door Jehovah, de Grote Levengever, te leren kennen, kunnen wij de hoop koesteren eeuwig leven deelachtig te worden. Wij moeten weten wat zijn richtlijnen voor ons zijn, wat hij van ons verlangt en welke weg hij wil dat wij gaan. Daarom zei de psalmist David: „Onderwijs mij, HERE, uw weg en leid mij op een effen pad” (Ps. 27:11). Hoewel voor velen Gods wegen duister en verwarrend zijn, is Gods weg voor iemand die oprecht en nederig in het bezit van kennis tracht te komen, eenvoudig en duidelijk aangegeven. Door het universum en de wereld waarin wij leven, te onderzoeken, kunnen wij iets over Jehovah te weten komen en wij zien dan dat Hij een scheppende God is, een God van onbeperkte macht, een God van wijsheid en kennis. Wat is echter zijn naam? Wat is de bestemming van de mens? Waarom blijven moeilijkheden en verdriet op de aarde bestaan? Is dit alles van God afkomstig? De antwoorden op deze vragen betreffende de voor ons liggende weg kunnen wij alleen verkrijgen door ons tot zijn geopenbaarde Woord, de bijbel, te wenden.
2. (a) Wat voor soort van God is Jehovah? (b) Welke houding dienen wij aan de dag te leggen?
2 Door middel van zijn Woord openbaart Jehovah zich aan ons als de Almachtige, de Regeerder van het universum, almachtig, maar toch barmhartig, liefderijk en goedgunstig. Behalve dat hij een scheppende God, een God van actie en werk is, blijkt hij zich, zoals in de goddelijke profetie wordt geopenbaard, nauwgezet aan zijn tijdschema te houden (Pred. 3:17). Hij is geen God die zijn wegen voor ons verbergt, die voor de mens verborgen wenst te blijven, maar hij verlangt er veeleer naar dat wij hem kennen en weten wat hij van ons verlangt willen wij voor eeuwig leven in aanmerking komen. Petrus maakt ons dit met de volgende woorden duidelijk: „Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 3:9). Wanneer wij daarom van Jehovah trachten te leren, zal hij ons, wanneer wij van links naar rechts dwalen, helpen en op het juiste pad leiden. Onze houding dient die van een kind jegens zijn ouders te zijn, vragend om begrip en de ontvangen juiste leiding volgend. Evenals een kind zijn vader en moeder tracht na te bootsen, dienen wij zeer nauwgezet de juiste beginselen van Jehovah en zijn met een vrouw te vergelijken organisatie te volgen. Wanneer wij dit doen, zullen wij bemerken dat Jehovah’s weg niet alleen eenvoudig is, een weg die duidelijk zichtbaar voor ons is gemaakt zodat wij hem kunnen volgen, maar ook een weg van rechtvaardigheid. De New World Translation geeft Davids gebed in Psalm 27:11 daarom als volgt weer: „Onderricht mij, o Jehovah, in uw weg, en leid mij wegens mijn vijanden op het pad van oprechtheid.”
3. Waarom zijn wij verstandig wanneer wij op Jehovah vertrouwen?
3 Als onze Schepper weet Jehovah wat voor onze bestwil is. Zijn zienswijze is veel hoger en verhevener dan de onze. Hij verkeert in de positie om lang voordat wij deze constateren strikken en gevaren te zien. Zijn wijsheid is niet op de beperkte wijsheid en ervaring die de mens zich in slechts zo’n vijftig jaren eigen kan maken, gebaseerd, maar op de goddelijke, eeuwenoude wijsheid. Jehovah God neemt derhalve terecht de positie van onze Rechter, onze Wetgever en onze Koning in. Als zijn ondergeschikten en daar wij voor leven van Hem afhankelijk zijn, dienen wij er stellig veel belang in te stellen hem te behagen door alles overeenkomstig zijn weg ten uitvoer te brengen. Wij kunnen dit doen in de overtuiging dat Jehovah ons op een weg zal leiden die ons niet alleen zegeningen zal brengen maar waardoor ook zijn naam geëerd zal worden. Dit dient ons levensdoel te zijn, dat wij onze God op een bepaalde wijze kunnen dienen en eren. „De HERE is mijn herder”, zo luidt Psalm 23, „Hij leidt mij in de rechte sporen om zijn naams wil.” Wij doen er goed aan om onder toezicht van de Grote Herder, evenals schapen de verstandige en veilige leiding van een herder, deze leiding gewillig te volgen. Doe wat in Spreuken 3:5-7 staat: „Vertrouw op den HERE met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken. Wees niet wijs in eigen ogen, vrees den HERE en wijk van het kwaad.”
4. Hoe kunnen wij weten wat de toekomst zal brengen?
4 Vele mensen zijn de mening toegedaan dat zolang zij een goed leven leiden en zich van het kwade afkeren, zij zich op Jehovah’s weg bevinden, en dat dit alles is wat noodzakelijk is. Het kan echter zijn dat zij zeer weinig kennis van de Schrift bezitten. Wanneer er aan hen wordt gevraagd wat de toekomst zal brengen en wat Gods voornemen voor mensen des geloofs ten aanzien van de aarde is, antwoorden zij, ’Alleen God weet het’. Het is waar dat God het weet, maar hij geeft deze kennis ook aan hen die ernaar verlangen. In Amos 3:7 ontvangen wij de verzekering: „Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.” Door middel van de bladzijden van zijn Woord heeft Jehovah zijn voornemen ten aanzien van zijn volk geopenbaard. Een van de vele passages waarin iets over de toekomst van de aarde wordt gezegd, vindt men in Psalm 37:11 (NW): „De zachtmóedigen zullen de aarde bezitten en zich buitengewoon verlustigen over overvloedige vrede.” Deze inlichting is voor ons neergeschreven opdat wij haar kunnen lezen en bestuderen en aldus het voornemen van Jehovah leren kennen.
5. Is het leiden van een goed leven voldoende om God te behagen?
5 Jezus was zich er terdege van bewust dat slechts een goed leven leiden niet alles was wat God van hem verlangde; anders had hij het rustige leven dat hij als timmerman tot zijn dertigste jaar leidde, wel kunnen voortzetten. Hij wist dat wanneer men alles overeenkomstig Jehovah’s weg wilde doen, dit eveneens dienst voor de Schepper omvatte, en hierin stelde hij ons een voorbeeld. Door deze leiding te volgen, krijgen wij inzicht in Gods Woord en ontvangen wij het grote geluk dat uit het dienen van hem voortvloeit. In Spreuken 3:13-18 staat hierover: „Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt . . . Lengte van dagen is in haar rechterhand . . . Haar wegen zijn lieflijke wegen, en haar paden zijn vrede. Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen, wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen.” Het ligt niet in Gods voornemens besloten dat dit uit het kennen van hem voortvloeiende geluk tot een klasse van geestelijken wordt beperkt, maar hij stelt het aan een ieder die door middel van een studie van de bijbel ware wijsheid en waar inzicht tracht te verwerven, ter beschikking. Om dit te bemachtigen en tot een deel van onszelf te maken, zijn er van onze zijde krachtsinspanningen nodig, maar wanneer wij deze aan de dag leggen en hierin blijven volharden, zullen wij gelukkig zijn.
6. Geloofde Jezus in vele wegen waarop men God kon dienen?
6 Jehovah heeft niet in vele wegen voorzien waarop men hem volgens persoonlijke luimen of grillen, op een wijze die bij iemands eigen gedachtengang past, kan dienen. Is God verplicht de mens te dienen? Of zijn wij niet terecht de dienaren van onze Schepper? Wij kunnen onze eigen neigingen niet blindelings volgen en dan nog de hoop koesteren het pad te vinden dat God zal behagen. Overal waar wij kijken, zien we een andere religie, een verschillende filosofie, een andere theorie over het leven. Velen geloven zelfingenomen dat elke manier van aanbidden juist is en dat alle mensen dezelfde beloning zullen ontvangen. Dit is echter niet wat Jezus leerde, want hij zei in Mattheüs 7:13, 14: „Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.” Dat dit niet slechts op ongelovigen betrekking heeft of naar het heidendom verwijst, blijkt uit zijn volgende woorden: „Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is” (Matth. 7:21). Vervolgens commentaar leverend op het gedrag van de religieuze leiders in zijn dagen, zei Jezus: „Elke plant, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen.” Indien wij de put van vernietiging willen vermijden, moeten wij onze ogen voor de door Jehovah aangewezen weg openhouden. Dit is geen weg van een verdeeld religieus geloof of van menselijke filosofie, maar Jehovah’s weg van waarheid en een pad van oprechtheid. — Matth. 15:13, 14.
7. Stel de loopbaan van Kaïn en Abel tegenover elkaar.
7 Door de eeuwen heen zijn de mensen altijd voor een keus gesteld. Ten einde ons op het door Jehovah uitgezette pad te brengen, drong Jeremia er op aan naar de oude paden van ware aanbidding te vragen. Deze paden mogen dan wel reeds vele eeuwen geleden door mensen zijn gevolgd, maar wat Jehovah ten aanzien van rechtvaardige beginselen en exclusieve toewijding van ons verlangt, is niet veranderd. Abel bewees een man des geloofs te zijn die alles overeenkomstig Jehovah’s weg deed en Zijn goedkeuring verwierf. Uit het verslag over zijn aanbidding blijkt dat, al is iemand religieus, dit nog niet wil zeggen dat hij zich op de juiste weg bevindt. Zowel Kaïn als Abel brachten een offer, welke beide klaarblijkelijk aan dezelfde God werden opgedragen; Abel bracht zijn offer echter overeenkomstig Jehovah’s weg. Zelfs toen Kaïn zag dat zijn offer niet werd aanvaard, weigerde hij een andere handelwijze aan de dag te leggen, en door zijn broer te doden, sloeg hij een pad in volkomen tegengesteld aan Jehovah’s weg. In plaats van nederig met zijn God te wandelen, kwam Kaïn in opstand en werd hij een zwervende vluchteling, een uitgeworpene van zijn familie. — Hebr. 11:4; Gen. 4:1-16.
8. Is het voor een aanvaardbare aanbidding noodzakelijk dat men een goede ontwikkeling heeft of een bepaalde positie bekleedt?
8 Eeuwen later werden twee mannen met de vraag betreffende de juiste aanbidding geconfronteerd. Beiden waren zeer goed onderricht in de wijsheid der wereld, maar slechts een van hen erkende de superieure wijsheid welke er in besloten ligt om de dingen overeenkomstig Jehovah’s weg te doen. Toen Farao tegenover de vraag betreffende de vrijheid van aanbidding werd gesteld, verwierp hij deze, en riep hij uit: ’Wie is Jehovah, dat ik zijn volk zal laten gaan?’ Hij verhardde zijn hart en sloot zijn geest voor Mozes’ verzoek het volk in de gelegenheid te stellen hun God religieuze toewijding te betonen. Farao heerste als een god over de Egyptenaren en tot op dat tijdstip was zijn woord voor de Israëlitische slaven wet geweest. Wanneer men hem naderde, kroop men op zijn buik over de grond naar hem toe; dit was echter niet het geval met Mozes, die in de naam van Jehovah kwam. Hier was een man die de leider van miljoenen zou worden, opgevoed als een zoon van Farao, met de kennis en ondersteuning van de Egyptische wereldmacht — er was echter één verschil. Mozes erkende Jehovah. Toen hem Jehovah’s voornemen en weg werden getoond, was hij bereid deze te volgen. Hij moest vele dingen opgeven: zijn Egyptische vrienden, zijn geboorteland, zijn veiligheid en „de tijdelijke genieting der zonde”; Mozes deed echter de verstandige keus. Tien maal kreeg Farao de gelegenheid om Jehovah te leren kennen, maar even zovele malen verhardde hij zijn hart. Ten slotte trok hij aan het hoofd van zijn Egyptische strijders tegen de wegtrekkende Israëlieten ten strijde, alleen om in de Rode Zee de dood te vinden. Er is geen monument dat de plaats van het graf van deze dwaze Farao aanduidt; slechts de herinnering dat dit iemand was die de Schepper uitdaagde, is blijven bestaan.
9. Hoe toonde Jezus dat hij de dingen overeenkomstig Jehovah’s weg deed?
9 Waarschijnlijk zijn wij geen nationale regeerder zoals Farao, of hebben wij niet de opleiding en achtergrond van Mozes, maar ook wij moeten een keuze doen. De verstandige loopbaan is Jehovah’s weg te vinden en die te volgen. Zelfs Jezus trachtte, hoewel hij een volmaakt mens was, de dingen niet overeenkomstig zijn weg maar veeleer overeenkomstig die van Jehovah te doen. Hij zei, ’niet mijn wil, maar de uwe geschiede’. Toen Satan ten tijde van een beproeving pogingen deed om hem door het verkeerd toepassen van de Schrift te misleiden, toonde Jezus dat hij het geschreven Woord van God, juist toegepast, als zijn gids erkende, door te zeggen: „Er staat geschreven.” Hij stelde ons hierin een voorbeeld. Hij keek voor het doen van de volmaakte wil van zijn hemelse Vader voor instructies en leiding naar Hem op. Daarom zei hij: ’Ik doe niets op eigen initiatief, maar spreek zoals de Vader mij heeft geleerd’ (Joh. 8:28, NW). Hij was niet beïnvloed zodat hij de valse leiding van de geestelijken in zijn tijd volgde, maar stelde hen in tegenstelling hiermee flink als blinde leidslieden aan de kaak. Wij doen er goed aan ons op soortgelijke wijze door het zekere Woord van God te laten leiden en zo Jehovah’s weg ten leven te volgen, want in Spreuken 14:12 staat de waarschuwing: „Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.”
10. Waarom is het van levensbelang om thans de waarheid te kennen?
10 Ten einde er zeker van te zijn dat wij thans de dingen overeenkomstig Jehovah’s weg doen, moeten wij het door hem gegeven onderwijs zorgvuldig in ogenschouw nemen. Evenals het onbekend zijn met de wet geen verontschuldiging is om een onwettige daad te bedrijven, zal onbekendheid met Jehovah’s weg ons geen leven schenken. Jehovah’s weg is de mensen uit alle natiën voor ogen gehouden en reikt thans tot de verste hoeken der aarde. Jezus had voorzegd dat dit zou gebeuren, toen hij zei: „En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken” (Matth. 24:14). Zelfs in het zogenoemde „donkere Afrika” komt de waarheid thans tot de mensen. In een recent verslag van een centraalafrikaans bijkantoor van het Wachttorengenootschap werd gezegd: „De afgelopen twee jaar hebben wij genoeg exemplaren van de brochure ’Dit goede nieuws van het koninkrijk’ verspreid om elk huisgezin in het land waar men kan lezen van een exemplaar te voorzien, en in minstens één van elke vier huizen waarvan de bewoners Cibemba, de meestgesproken Afrikaanse taal in deze sector, gebruiken, bevindt zich het boek ’Dit betekent eeuwig leven’.” Zelfs in het „oerwoud”-gebied van Afrika ontvangen de mensen dus de kennis welke eeuwig leven betekent. — Joh. 17:3.
11. (a) Hoe vindt het teken van Jezus’ tegenwoordigheid zijn vervulling? (b) Op welke wijze maakt Jehovah zich openbaar?
11 Toen Jezus het over het grote teken van onze tijd had, de benauwdheid onder de natiën, oorlogen, pestilentiën en aardbevingen, zei hij dat de mensen in twee grote klassen verdeeld zouden worden. Aan de ene zijde zouden de op bokken gelijkende tegenstanders van de Schepper staan en aan de andere zijde de zachtmoedige en gehoorzame, op schapen gelijkende mensen. Dit scheidingswerk is thans aan de gang. Iedereen moet er nu blijk van geven tot welke klasse hij behoort. De tijd voor onwetendheid betreffende God behoort tot het verleden. Het is nu de tijd om ons van de nutteloze rassenstrijd af te wenden ten einde ons in de zuivere aanbidding van de Schepper te verenigen. „Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten.” Paulus zet hierna de te volgen loopbaan uiteen, waarbij hij ons verzekert dat God „niet ver is van een ieder” die hem oprecht zoekt en zijn Woord bestudeert. Indien wij echter voor leiding blindelings naar een afgod of een beeld blijven opzien, nooit verder kijken zodat wij de Schepper zien zoals hij zich in zijn glorierijke schepping manifesteert en zich door middel van zijn Woord openbaart, zullen wij zijn weg nimmer vinden. Paulus zegt ons derhalve: Wij moeten „niet menen, dat de godheid gelijk is aan goud of zilver of steen door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht”, waarna hij er vervolgens de noodzaak van aantoont om kennis van Gods weg te verwerven, zeggende: „God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij den aardbodem rechtvaardig zal oordelen.” Daar God zijn Woord over de gehele wereld binnen het bereik der mensen heeft gebracht, kan er inderdaad worden gezegd dat zij die nu omtrent Jehovah’s voornemens in onwetendheid verkeren, dit uit eigen verkiezing zijn. — Hand. 17:26-31.
12. In wat voor organisatorische regeling heeft Jehovah voorzien? Waarom?
12 Zoals Jehovah van tevoren wist, zoeken mensen uit alle natiën oprecht naar de waarheid. Niet tevreden met de brede weg die tot de vernietiging leidt, de lage weg van losbandigheid, zoeken zij naar de weg waarvan Jehovah wil dat zij die volgen. Daniël zei, „Velen zullen heen- en wederloopen, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden”. Terwijl wij onze kennis vermeerderen door bij onze persoonlijke studie van de bijbel zoekend door de bladzijden ervan heen en weer te gaan, helpt Jehovah ons. In de dagen der apostelen werd er voor het verschaffen van instructies aan en het toezicht over de eerste christelijke gemeenten een organisatie opgebouwd. Door een besturend lichaam bestaande uit twaalf apostelen en andere rijpe mannen uit te zoeken, legde Jezus hiervoor het fundament. Deze mannen bleven tot aan hun dood over het predikingswerk van die tijd dat zich snel over de toenmalig bekende wereld uitbreidde, het toezicht uitoefenen en het leiden. Jezus vestigde er de aandacht op dat er in onze tijd, doordat een „trouwe en verstandige slaaf”-klasse — bestaande uit gezalfde dienstknechten, welk lichaam ter rechter tijd het geestelijke voedsel zou uitreiken — een soortgelijke regeling zou bestaan. Als gevolg van dit theocratische toezicht is er nu één kudde welke zich ongeacht de vroegere achtergrond of de opleiding van de zich erin bevindende mensen, in een eenheid van denken en handelen verheugt. — Dan. 12:4, Keurbijbel, voetnoot; Matth. 24:45-47.
13. Welk contrast bestaat er tussen de christenheid en de Nieuwe-Wereldmaatschappij?
13 Het is deze door Jehovah’s geest ondersteunde organisatorische regeling welke de Nieuwe-Wereldmaatschappij van Jehovah’s getuigen verenigt en het mogelijk maakt het geweldige werk bestaande uit het bekendmaken van „dit evangelie van het Koninkrijk” aan mensen van alle natiën te verrichten. Jehovah is een God van schepping en produktiviteit, en tot verbazing van de apathische kudden van de verdeelde christenheid worden deze hoedanigheden door zijn ijverige, hardwerkende volk weerspiegeld. Zij die deel uitmaken van de Nieuwe-Wereldmaatschappij vormen ten aanzien van hun begrip van Gods Woord één volk; zij hebben zich allen aan Jehovah opgedragen en verheugen zich erover schouder aan schouder het werk te verrichten waarvan Jezus heeft aangetoond dat het in deze tijd gedaan moest worden. Wat een tegenstelling met de christenheid, waarin vele leden van dezelfde kerk er over de kerkelijke leer verschillende ideeën op na mogen houden, en naar het hun het beste uitkomt de geloofsbelijdenis aanvaarden of verwerpen!
14. Hoe herkennen de schapen de stem van de Juiste Herder?
14 De eenheid onder hen die Jehovah’s weg der waarheid volgen, is er een stellig bewijs van dat zij de juiste weg hebben gevonden. Toen er zich in de eerste christengemeente personen bevonden die de eenheid onder de broeders en zusters in gevaar schenen te brengen, haastte Paulus zich hen terecht te wijzen: „Ik zeg u nu, broeders, in de naam van onze Here Jezus Christus, dat gij allen gelijkluidend dient te spreken en er geen verdeeldheid onder u dient te zijn, maar dat gij naar behoren verenigt moogt worden doordat gij dezelfde geest en dezelfde gedachtengang hebt” (1 Kor. 1:10, NW). Wanneer de eerste christenen allen hetzelfde zeiden en dezelfde eenheid van geest bezaten, zouden wij verwachten thans dezelfde toestand in Gods kudde aan te treffen. Hoewel de kudde door de verschillende religieuze overleveringen, menselijke filosofieën, en valse en dwaze geloofsbelijdenissen ver is uiteengedreven, wist Jezus niettemin dat de schapen zijn stem als van de Juiste Herder afkomstig, zouden horen en herkennen en in de ene ware kudde zouden komen (Joh. 10:16, 27). Mensen van goede wil hebben gewanhoopt en gedacht dat zij wel nooit onder de verdeelde stemmen der christenheid enige gezaghebbende stem zouden horen, maar wanneer zij het geluid van de waarheid horen, herkennen zij het en verheugen zij zich.
15. Hoe kunnen christenen bewijzen dat zij één zijn met Christus?
15 Daar Christus Jezus, zoals Paulus opmerkt, niet is verdeeld, kan zijn volk evenmin verdeeld zijn terwijl evenmin de leden ervan toch nog kunnen blijven beweren dat zij christenen zijn (1 Kor. 1:13). Integendeel, Christus toonde aan dat wij op dezelfde wijze een met hem dienen te zijn als hij een is met de Vader. Duidelijk stippelde hij voor ons de te volgen weg uit om tot deze eenheid van geest en hart met Jehovah te kunnen geraken. Tot Thomas zei hij: „Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij.” Jezus stelde ons een voorbeeld, ter navolging in het dienen van God. Het was een vruchtbaar voorbeeld, zonder verdeeldheid of disharmonie, geworteld in liefde. Hij vergeleek zijn dienstknechten met de ranken aan een wijnstok en verklaarde: „Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. . . . Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de rank en is verdord.” — Joh. 14:6; 15:1-16.
16. Wat voor soort van vruchten zijn het gevolg wanneer men in Jehovah’s organisatie blijft, en hoe blijkt dit?
16 Wanneer wij in The World Almanac voor 1959 opmerken dat een bepaalde godsdienstige richting in 27 afdelingen is verdeeld, een andere in 21, enzovoorts, dan zien wij dat er in de wortel van de opgedroogde ranken van het christendom veeleer disharmonie dan eenheid wordt aangetroffen. Onder de mannen, vrouwen en kinderen die de Nieuwe-Wereldmaatschappij vormen, ziet men echter wel ware christelijke eenheid en werkelijke, goede vruchten. Daar zij een deel van Jehovah’s organisatie zijn, denken zij op dezelfde wijze en hebben zij hetzelfde begrip van en dezelfde waardering voor de Schrift. Zij bezitten een eenheid van handelen en over de gehele wereld werken zij in hun Koninkrijksbediening met elkaar samen. Als gevolg van hun nauwe verbondenheid met de organisatie en daar zij goede vruchten voortbrengen, is Jehovah’s geest met hen geweest om hen van de verblinde overleveringen te reinigen en om hen te sterken ten einde meer vrucht te dragen. Hij heeft hen van zijn weg op de hoogte gesteld en leidt hen om zijn naams wil op paden van rechtvaardigheid.