Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w60 15/4 blz. 252-255
  • Is het verkeerd om van religie te veranderen?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Is het verkeerd om van religie te veranderen?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • WAT HEBBEN ANDEREN GEDAAN?
  • NIET TEGEN MOZES’ GEBOD
  • WAAROM EEN VERANDERING THANS NOODZAKELIJK IS
  • Is het een zonde van religie te veranderen?
    Ontwaakt! 1974
  • De zegepraal van de reine, onbesmette aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1952
  • De zuivere religie beoefenen om in leven te blijven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1991
  • Het doet er wel degelijk toe welke religie u beoefent
    U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
w60 15/4 blz. 252-255

Is het verkeerd om van religie te veranderen?

Moet men tot de religie van zijn ouders blijven behoren? Dient men het als vanzelfsprekend aan te nemen dat men de juiste vorm van aanbidding beoefent?

ER BESTAAT een goede kans dat u de door u beoefende religie niet zelf hebt gekozen maar haar van uw ouders hebt overgeërfd. Er zijn in werkelijkheid maar betrekkelijk weinig personen die hun eigen vorm van aanbidding hebben gekozen. De meesten houden zich aan de religie waarin zij zijn opgevoed, en zijn er zeer dikwijls bevreesd voor te veranderen, zelfs al zijn zij niet over hun godsdienst tevreden. Vooral in gemeenschappen waar één bepaalde religie overheerst, is dit het geval. De persoon die van religie verandert, zou het voorwerp van haat van de omgeving kunnen worden en van de middelen om in zijn levensonderhoud te voorzien, worden beroofd.

Wat dient iemand echter te doen wanneer hij ervan overtuigd geraakt dat de religie welke hij van zijn ouders heeft geërfd de verkeerde vorm van aanbidding is, dat haar leerstellingen niet waar zijn en dat haar leiders blinde gidsen zijn die hem op de weg van goddelijke afkeuring leiden? Zou hij verkeerd handelen wanneer hij door van religie te veranderen tegen de wensen van zijn ouders en de gemeenschap in ging? Of zou het verkeerd van hem zijn wanneer hij geen verandering zou aanbrengen? Dit is een ernstige beslissing, en daar deze met zijn verhouding tot God in verband staat, dienen stellig noch de meningen van anderen noch gevoelens er invloed op uit te oefenen.

Het is veel belangrijker met de Schepper in een gunstige verhouding te staan dan dat familieleden, vrienden en buren gunstig van u denken. Indien iemands aanbidding verkeerd is, verkeert zijn eeuwige welzijn in gevaar. Hoe kan hij echter weten of zijn aanbidding juist of verkeerd is? Door te onderzoeken of ze in harmonie met Gods geschreven Woord is. Hij mag daarvoor niet op iemands woorden afgaan. Hij moet de bijbel ter hand nemen en bestuderen wat deze heeft te zeggen. Alleen het feit dat de religieuze leiders in zijn religie alsmede zijn ouders en anderen zeggen dat het de juiste vorm van aanbidding is, maakt dit nog niet waar. Ze moet aan de bijbelse standaard van ware aanbidding voldoen. God heeft de bijbel als een maatstaf van het ware geloof gegeven en hij had ermee voor dat wij hem als zodanig zouden gebruiken. Door dit te doen, volgen wij de raad op: „Vergewist u van alles; houdt vast aan dat wat juist is” (1 Thess. 5:21, NW). Wanneer een vorm van aanbidding niet juist is, dient er een verandering te worden aangebracht.

WAT HEBBEN ANDEREN GEDAAN?

In de eerste eeuw verkeerden de mensen die in de religie van het judaïsme waren geboren in de veronderstelling dat zij de ware religie bezaten. Dit werd hun niet alleen door hun religieuze leiders en familieleden verteld, maar zij leerden ook uit de bijbelse geschiedenis dat hun voorvaderen God op een aanvaardbare wijze hadden aanbeden. Deze mensen zagen, enkele uitzonderingen daargelaten, het feit over het hoofd dat de ware religie van hun voorvaderen in de loop der tijd was verdorven. Dit hield in dat de religie van het judaïsme voor God niet aanvaardbaar was. Het was niet dezelfde onbesmette aanbidding die door Mozes, Samuël en David werd beoefend.

Christus en zijn discipelen predikten tot deze mensen met het doel hen te doen veranderen en tot de ware onverdorven aanbidding van Jehovah God te doen terugkeren. Daar zij tot mensen spraken die er even afkerig van waren om van religie te veranderen als velen thans, was dat voor hen een moeilijke taak. Wij zouden ons thans kunnen afvragen waarom Christus niet naar de heidenen ging in plaats van tot hen te prediken die aanhangers van het judaïsme en aanbidders van de ware God waren. Jezus gaf hier een verklaring van toen hij zei dat hij „tot de verloren schapen van het huis Israëls” was gezonden. — Matth. 15:24.

Evenals schapen die van hun herder zijn afgedwaald, was de natie Israël van de ware aanbidding van de Grote Herder, Jehovah God, afgedwaald. Hun religie was door menselijke filosofieën en overleveringen verdorven. Daar de religieuze leiders precies als blinde leidslieden waren geworden, zei Jezus: „Blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallen” (Matth. 15:14). Deze religieuze leiders waren goed in hun gezaghebbende positie verschanst en juichten de pogingen van Christus om de religieuze denkwijze van het volk te veranderen niet toe. Toch was het voor deze mensen noodzakelijk, wilden zij de gunst van God verkrijgen, van religie te veranderen.

Op de dag van het pinksterfeest gingen drieduizend aanhangers van het judaïsme nadat zij er door Petrus van waren overtuigd dat de leer van Jezus de goddelijk goedgekeurde religie was, tot het christendom over. Zij lieten niet toe dat zij er door vrees voor wat boze familieleden en buren zouden kunnen zeggen en doen, van werden weerhouden deze stap te ondernemen. Zij beschouwden de goedkeuring van God verkieslijker dan die van mensen. Hetzelfde was waar met de tweeduizend personen die kort hierna tot het christendom overgingen. „Velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijf duizend”. — Hand. 4:4.

Daar deze personen van een verdorven vorm van aanbidding tot de onbesmette aanbidding van de levende God overgingen, was het van hen niet verkeerd dat zij van het judaïsme tot het christendom overgingen. In plaats dat zij het toestonden dat hun aanbidding en denkwijze door menselijke filosofieën en overleveringen werd beheerst, gaven zij nu het geschreven Woord van God de gelegenheid dit te doen. Zij begonnen hem in geest en waarheid te aanbidden. Hoe zou iemand, uitgezonderd de valse herders van Israël, zulk een verandering dan als verkeerd kunnen beschouwen?

NIET TEGEN MOZES’ GEBOD

De door deze mensen in hun religie aangebrachte verandering was niet tegen het op de vlakten van Moab door Mozes gegeven gebod. Toen hij zei, „Gij zult geen andere goden achterna lopen, van de goden der volken rondom u”, waarschuwde hij hen ertegen tot een valse vorm van aanbidding over te gaan. De bewoners van Kanaän aanbaden niet de levende God, Jehovah, maar vereerden daarentegen stomme afgoden. Wanneer de Israëlieten zich van de ware God tot de niet-bestaande goden van Kanaän zouden keren, zou dit rampspoedige gevolgen voor hen hebben. Mozes waarschuwde hen hiervoor. „Maar het zal geschieden, indien gij den HERE, uw God, te enen male vergeet en andere goden achterna loopt, hen dient en u voor hen nederbuigt — ik betuig heden tegen u, dat gij voorzeker zult omkomen”. — Deut. 6:14; 8:19.

Met het verstrijken van de tijd werd de natie ten opzichte van deze waarschuwingen onverschillig. De Israëlieten keerden zich tot de goden van Kanaän. „Maar zij lieten zich in met de heidenen en leerden hun werken, zij dienden hun afgoden, die hun tot een valstrik werden” (Ps. 106:35, 36). Daar zij zich van de ware religie afwendden, hadden zij onder de harde heerschappij van de heidenen veel kwaad te verduren. De verandering die zij ten gunste van de valse religie maakten, kan echter niet worden vergeleken met die van de volgelingen van het judaïsme toen zij in de eerste eeuw tot het christendom overgingen. Door dit te doen, keerden zij zich niet tot de valse aanbidding maar wendden zij zich weer tot de ware en onbesmette aanbidding van Jehovah.

Zowel de persoon die in een religie blijft welke in Gods ogen verdorven is als degene die zich tot valse goden heeft gekeerd, haalt zich Gods afkeuring op de hals. Wie zich in de goddelijke goedkeuring wil verheugen, moet zich eerst van zulk een religie afwenden. Christus en zijn apostelen zeiden derhalve zeer terecht tot de volgelingen van het judaïsme dat zij zich moesten bekeren. Zij die hieraan gehoor gaven, keerden zich van de loopbaan van onreine aanbidding die zij als aanhangers van het judaïsme volgden, af.

WAAROM EEN VERANDERING THANS NOODZAKELIJK IS

Het dient aan een ieder duidelijk te zijn dat alle religiën die er thans aanspraak op maken christelijk te zijn, niet dezelfde ware religie kunnen zijn als die welke de mensen in de eerste eeuw gingen aanhangen. Er staat geschreven, „God is geen God van wanorde, maar van vrede” (1 Kor. 14:33). Toch heerst er in de christenheid, waar honderden verschillende religiën beweren christelijk te zijn maar tegenstrijdige leerstellingen onderwijzen, een grote wanorde. Al deze tegenstrijdige leerstellingen kunnen niet de schriftuurlijke waarheid zijn.

De christenheid verkeert in dezelfde toestand als de natie Israël destijds. De aanbidding van haar belijdende christenen is verdorven. Dit is eeuwen geleden begonnen toen allen die het christendom beleden God nog op een onbesmette wijze aanbaden. De apostel Paulus voorzei dat er een afval van de ware aanbidding zou komen toen hij zei: „Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken”. — Hand. 20:29, 30.

Geleidelijk aan werd de afval van de onbesmette aanbidding groter. Overleveringen, menselijke filosofieën alsmede van heidense religiën overgenomen leerstellingen en gebruiken werden met schriftuurlijke waarheden vermengd. Deze verdorven vorm van aanbidding die christelijk beweerde te zijn, kon evenmin Gods goedkeuring met zich brengen als het verdorven joodse religieuze stelsel van Jezus’ dagen.

Wat dient een persoon die door zijn geboorte een van de besmette religiën der christenheid heeft overgeërfd, nu te doen? Wanneer hij de houding aanneemt dat het verkeerd is te veranderen en dat hij, daar hij in deze speciale religie is grootgebracht, er ook in dient te sterven, in welk opzicht verschilt hij dan van de aanhangers van het judaïsme die weigerden naar Christus te luisteren en zich tot de onbesmette aanbidding van God te keren? Hij kan evenmin als vanzelfsprekend aannemen dat zijn religie de ware is, die welke Gods goedkeuring wegdraagt, als zij toentertijd. Door de Schrift te bestuderen, moet hij hier voor zichzelf bewijzen voor vinden.

Zij die in de eerste eeuw christenen werden en voor de goddelijke gave van het eeuwige leven in aanmerking kwamen, luisterden bereidwillig naar wat Christus en zijn volgelingen hadden te zeggen. Zij sloten hun oren niet voor hen. Evenals de bewoners van Berea ’namen zij het woord met alle bereidwilligheid aan en gingen dagelijks de Schriften na, of deze dingen zo waren’ (Hand. 17:11). Door allen die thans Gods goedkeuring willen wegdragen, moet hetzelfde worden gedaan.

Iedereen die zijn verhouding tot de Allerhoogste naar waarde weet te schatten, is wanneer hem met overtuigende bewijzen wordt aangetoond dat de religie waartoe hij behoort, niet met de Schrift in overeenstemming is, bereid zijn religie te veranderen. Alleen door dit te doen, kan hij aan Gods ongunstige oordeel ontkomen.

Dat het juist is wanneer iemand verandert en de bezoedelde religiën der christenheid de rug toekeert, wordt door het goddelijke gebod te kennen gegeven: „Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” (Openb. 18:4). Wanneer Jehovah’s getuigen dus bij u aan de deur komen, sluit dan niet uw oren voor hen. Luister naar wat zij u hebben te vertellen en onderzoek zorgvuldig de Schrift om te zien of zij de waarheid spreken. Uw eeuwige welzijn hangt ervanaf of u betreffende de wijze waarop u wenst te aanbidden, de juiste beslissing neemt.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen