De mens vrij en verantwoordelijk
DE GROTE Schepper, het Opperwezen, Jehovah God, is het grootste voorbeeld van iemand die vrij is en daardoor verantwoordelijkheid draagt. Er is een tijd geweest dat hij alleen was. Hij bezat toen geen enkele verantwoordelijkheid. Had hij zulks verkozen, dan had hij altijd in deze zorgeloze toestand kunnen blijven bestaan. Daar hij echter liefde is, zette hij zijn eigenschappen van wijsheid en macht aan het werk, waardoor hij moreel verantwoordelijk werd voor het leven, welzijn en geluk van zijn schepselen. Wegens zijn grootheid en oppermacht is hij echter slechts rekenschap aan zichzelf verschuldigd, zoals in het boek Job duidelijk te kennen wordt gegeven.
Jehovah aanvaardt zowel de verantwoordelijkheden die uit zijn daden als uit zijn woorden voortvloeien. Men kan zich daarom op zijn beloften verlaten. Ze zijn niet slechts een vodje papier of ijdele klanken, maar zo betrouwbaar en bestendig als de rots van Gibraltar, ja bestendiger nog. — Jes. 46:11; 55:11, NBG.
Toen God de mens naar zijn beeld schiep, begiftigde hij hem niet alleen met een verstandelijk vermogen en een zedelijkheidsgevoel, een mate van zijn liefde, gerechtigheid, wijsheid en macht, maar hij schonk hem ook een mate van zijn vrijheid en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn in feite verwante begrippen, het een impliceert of houdt het andere in. Vrijheid brengt de verantwoordelijkheid met zich om te kiezen, en door een keuze te doen, neemt men verdere verantwoordelijkheden op zich.
Hierdoor verschilt de mens sterk van de onbezielde schepping. De hemellichamen bewegen zich volgens Gods onveranderlijke wetten met bepaalde snelheden in vastgestelde banen voort. Het verschil met de dieren, die aan instincten en de wisselvalligheden van hun omgeving zijn onderworpen, is ook groot. Noch de onbezielde noch de dierlijke schepping heeft derhalve morele verantwoordelijkheden tegenover de Schepper.
De mens echter wel. Hij heeft het vermogen gekregen om betrouwbaar te zijn en derhalve werden hem zekere belangen toevertrouwd waarvoor hij aansprakelijk werd gesteld. Dienovereenkomstig gaf God de mens door bevelen of geboden Zijn wil te kennen: „Weest vruchtbaar en wordt tot velen, vult de aarde en onderwerpt haar, en hebt [de gehele dierlijke schepping] in onderworpenheid.” „Van elke boom van de hof moogt gij tot verzadiging eten. Aangaande de boom der kennis van goed en kwaad echter, daarvan moet gij niet eten, want ten dage dat gij er van eet, zult gij beslist sterven.” De mens was vrij om deze geboden al dan niet te gehoorzamen, maar was dan natuurlijk verantwoordelijk voor de gevolgen welke deze keuze met zich bracht. — Gen. 1:28; 2:16, 17.
Vrijheid en verantwoordelijkheid blijven gedurende het gehele leven van de mens nauw met elkaar verbonden. Wanneer men als een hulpeloos kind ter wereld komt, bezit men absoluut geen vrijheid en verantwoordelijkheid. Naarmate men in fysieke kracht, kennis en begrip groeit, verwerft men een mate van vrijheid en dit brengt dienovereenkomstige verantwoordelijkheden met zich mee. Tegen de tijd dat men volwassen wordt, is men vrij, om zijn eigen levensloop te bepalen, zelf een keuze te doen inzake zijn religie, of men al dan niet wenst te trouwen en zo ja met wie, en men is in zekere mate vrij, hetgeen wordt bepaald door bekwaamheden en omgeving, om een vak of beroep te kiezen waardoor men in zijn levensonderhoud kan voorzien. In de mate dat men geestelijk en emotioneel tot rijpheid is gegroeid, zal men vreugde putten uit deze vrijheid en niet met verlangen terugzien naar de onbezorgde jeugdtijd.
’VERANTWOORDELIJKHEID ONTVLUCHTEN’
Vooral de laatste vijfenzeventig jaar hebben zekere wereldwijze mannen, die loochenen dat de mens door God naar diens geestelijke beeld werd geschapen, alles gedaan wat zij konden om het verantwoordelijkheidsgevoel dat de men krachtens zijn vrijheid dient te bezitten, te ondermijnen. In het centrum van de door hen opgebouwde levensfilosofie staat de Grote Verontschuldiging. Wat voor misdaad iemand ook bedrijft of hoe schandelijk hij misschien tekort schiet in het nakomen van zijn verplichtingen, men weet altijd wel een verontschuldiging te vinden. Zij vergeten dat talloze anderen in precies dezelfde situatie zich niet aan dergelijke misdaden schuldig maken of niet aldus tekort schieten. Neen, liever verontschuldigen zij de kwaaddoener op grond van zijn vermeende brute voorouders, zijn opvoeding of omgeving. Volgens mannen als Freud is de mens slechts een slaaf van zijn seksuele driften, als waren zijn hersenen slechts een aanhangsel van zijn geslachtsorganen. Hierdoor ontslaan zij de mens van zijn verantwoordelijkheid om zelfbeheersing te betrachten en van zijn plicht om onder alle omstandigheden zijn best te doen. Zij loochenen de billijke logica van Gods vereiste dat wij anderen net zo dienen te behandelen als wij door hen behandeld willen worden en daarmee ’s mensen vrijheid.
Een soortgelijke dwaasheid is de bijvoorbeeld in de Verenigde Staten zo populaire „progressieve opvoeding.” Het uitgangspunt der theorie is dat men van een kind niet mag verlangen dat het zich inspant en dat men het niet streng mag onderrichten, om aldus een beroep te leren doen op zijn onrijpe geest en neigingen. Hij gaat automatisch over van de ene klas naar de andere, ongeacht wat hij heeft geleerd, waardoor hij geen enkele drijfveer heeft en zich nergens verantwoordelijk voor voelt. Geen wonder dat de produkten van zulk een opvoeding zo jammerlijk tekort schieten op allerlei gebied en waarom dezulken zich meer bekommeren om wat een baantje te bieden heeft in de vorm van betaalde vakanties en ziektegeld dan in de vorm van een toekomst.
De economie in de Westerse landen is er eveneens op gericht de mensen van verantwoordelijkheid te ontheffen. Dit blijkt uit het feit dat de werkgever steeds meer in mindering brengt voor belastingen, werkloosheidsverzekering, ouderdomsvoorzieningen, enz. Ook wordt de mens steeds minder persoonlijk verantwoordelijk voor enig voltooid produkt waardoor zijn bekwaamheden, vlijt en rechtschapenheid weerspiegeld zouden worden. Zoals wijlen dr. Al Carrell, een der toonaangevende biologen der twintigste eeuw, in zijn boek De onbekende mens te kennen geeft, werken materiële voorspoed, moderne uitvindingen en massaproduktie er gezamenlijk toe mee de mens van zijn verantwoordelijkheidsgevoel, persoonlijkheid en waardigheid te beroven, waardoor hij steeds meer tot een robot en morele slappeling wordt gemaakt.
Deze moderne neiging wordt verder in het gezinsleven waargenomen. De ouders ontvluchten hun verantwoordelijkheden ten aanzien van de kinderen die zij ter wereld hebben gebracht. De kinderen weigeren thuis of jegens andere gezinsleden enige verantwoordelijkheid op zich te nemen. De vaders volgen veeleer de weg der minste weerstand dan dat zij hun verantwoordelijkheden dragen, en de moeders onttrekken zich maar al te vaak aan hun speciale verantwoordelijkheden terwijl zij zich die van de vaders wederrechtelijk toeëigenen. Mannen en vrouwen negeren de verantwoordelijkheden die zij ten opzichte van elkaars geestelijke, emotionele en fysieke welzijn hebben, terwijl verloofden dezelfde geestesgesteldheid tonen door het niet al te nauw te nemen met elkaars genegenheden. L.A. Alesen heeft dit terecht „het ontvluchten van persoonlijke verantwoordelijkheid” genoemd.
Het ernstigst openbaart dit zich op het terrein der religie. Zoals profetisch werd voorzegd, hebben de mensen een vorm van godvruchtige toewijding maar zij weigeren de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden te dragen waardoor zij de kracht er van niet blijken te bezitten. Het voorbeeld van anderen en schoonschijnende redeneringen, „rationalisatie” genoemd, grijpt men aan om het verantwoordelijkheid schuwende gedrag te rechtvaardigen. — 2 Tim. 3:1-5.
Dit ontvluchten van verantwoordelijkheid openbaart zich zelfs bij hen die inzien dat de boodschap van de getuigen van Jehovah waar is. Zij weigeren thuis bijbelstudie te nemen omdat zij bang zijn dat zij verantwoordelijkheden zullen krijgen wanneer zij een getuige van Jehovah worden. Weer anderen gelijken op de steenachtige of doornachtige grond waarin het zaad een kort tijdje gedijt. Komen er echter verantwoordelijkheden op hen te rusten, dan ontvluchten zij die en laten het zaad der waarheid sterven. Ja, enkele christenen die zich aan God hebben opgedragen, schrikken er zelfs voor terug om bijbelstudies bij personen te leiden of extra-dienstvoorrechten in een gemeente te aanvaarden, omdat zij de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden niet wensen te dragen. Eén der redenen waarom de atheïst het bestaan van de Schepper loochent en de agnosticus Zijn bestaan in twijfel trekt, is, dat zij bewust of onbewust niet de verantwoordelijkheid wensen te aanvaarden voortvloeiend uit het erkennen van het bestaan der Schepper. Erkennen wij Zijn bestaan dan zijn wij Hem zowel dankbaarheid als gehoorzaamheid verschuldigd.
CHRISTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEDEN
Omdat een christen door de waarheid wordt vrijgemaakt, draagt hij een nog grotere verantwoordelijkheid, zoals de apostel Paulus verklaart: „Want elk zal zijn eigen lading verantwoordelijkheid dragen.” Deze beide dingen zijn onscheidbaar met elkaar verbonden en zijn onder meer afhankelijk van kennis: „Wanneer iemand . . . weet hoe hij het juiste moet doen en het toch niet doet, is het hem een zonde.” Jezus zei met betrekking tot zijn tegenstanders: „Indien ik niet gekomen was en tot hen had gesproken, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde.” — Gal. 6:5; Jak. 4:17; Joh. 15:22.
Naarmate men overeenkomstig kennis te werk gaat, wordt onze verantwoordelijkheid groter. Zo moet iemand die zich aan God opdraagt, zijn opdrachtsgelofte nakomen: „Wanneer gij een gelofte voor God aflegt, aarzel dan niet die te betalen, . . . Betaal wat gij belooft. Het is beter dat gij niet belooft, dan dat gij een belofte aflegt en niet betaalt.” — Pred. 5:4, 5.
Om ons hierbij te leiden heeft God ons zijn Woord, de bijbel gegeven. Hierin wordt ons echter niet persoonlijk gezegd wat wij in bepaalde gevallen dienen te doen. Integendeel, er worden grondbeginselen of gedragsregels in uiteengezet en vervolgens wordt het onze verantwoordelijkheid om deze in ons dagelijkse leven toe te passen. Wij moeten, om slechts één illustratie te geven, persoonlijk de grens trekken met betrekking tot wat cesar en wat God toebehoort. — Matth. 22:21.
Bovendien draagt iedere christen de verantwoordelijkheid vruchten voort te brengen, zoals Jezus te kennen heeft gegeven (Joh. 15:2). Hiermee wordt onder andere bedoeld „liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, goedgunstigheid, goedheid, geloof, zachtaardigheid, zelfbeheersing.” Dit houdt in dat wij onze christelijke broeders zoveel mogelijk en met alle middelen moeten helpen. Wij mogen niet zijn zoals de priester en de leviet die hun verantwoordelijkheid tegenover de beroofde en geslagen reiziger van zich af trachtten te schuiven door aan de overzijde der straat te gaan lopen. Wij moeten veeleer gelijk de barmhartige Samaritaan zijn die zich bijzondere moeite getroostte om de in nood verkerende te helpen. — Gal. 5:22, 23; Luk. 10:29-37.
Aangezien Jezus speciaal naar de aarde is gekomen om „getuigenis van de waarheid” af te leggen, houdt het vruchten dragen voor de christen eveneens in dat hij ’dit goede nieuws van Gods koninkrijk’ naar de mate van zijn kennis en gelegenheden predikt. Wij mogen niet zijn gelijk de slaaf uit Jezus’ illustratie met de ene mina of het ene talent, die weigerde de verantwoordelijkheid voor zijn meesters bezittingen op zich te nemen en het muntstuk in de grond verborg, terwijl hij het toch vanwege de rente had kunnen uitzetten, zodat hij nog enig voordeel had geoogst. Wij moeten ons veeleer zoals Paulus voelen, die uitriep: „Werkelijk, wee mij indien ik het goede nieuws niet zou bekendmaken!” Hij erkende zijn verantwoordelijkheden en droeg ze. — Joh. 18:37; 1 Kor. 9:16.
Hierdoor schijnt de nadruk te worden gelegd op nog een terrein van christelijke verantwoordelijkheid, en wel dat wat voortspruit uit onze zonden en tekortkomingen. Met betrekking hiertoe dienen wij een gevoelig geweten te hebben en God voortdurend om vergeving te vragen op grond van Christus’ slachtoffer. Meer nog, wij moeten hiervoor ook morele verantwoordelijkheid dragen. Wij mogen God, onze ouders of onze omstandigheden niet de schuld geven; ook mogen wij anderen niet de schuld geven zoals Adam, Eva en koning Saul deden. Dit is niet alleen liefdeloos en toont gebrek aan rijpheid, maar er wordt tevens door te kennen gegeven dat wij geen waar berouw hebben en de vergiffenis derhalve niet verdienen.
Omdat wij vrij zijn, moeten wij onze verantwoordelijkheden dragen. Hiervoor moeten wij zowel een scherp rechtvaardigheidsgevoel als wijsheid en liefde hebben. Naarmate wij in rijpheid groeien, dient onze verantwoordelijkheid ook toe te nemen. Door aan de uitdagingen er van te beantwoorden, zullen wij sterker worden, steeds meer voldoening en vreugde ontvangen en ten slotte Gods goedkeuring verwerven en de beloning van eeuwig leven in zijn nieuwe wereld.