Het begint te dagen!
TOEN de lezers van de Kirchenbote voor het kanton Zürich het februari-nummer, no. 2, opsloegen, zagen zij daarin een zeer interessant artikel getiteld „Onsterfelijkheid of opstanding?” Een antwoord op een vraag scheen nogal wat deining veroorzaakt te hebben, zodat het blad een artikel overnam uit de „Evangelische Welt” van de hand van prof. dr. Koeberle uit Tübingen (Duitsland) ter staving van de gedane verklaringen. Deze zeer bekende Duitse professor wordt genoemd als medewerker van het uitstekende werk Neutestamentliches Wörterbuch. Velen die niet in de onsterfelijkheid der menselijke ziel geloven, komen hier vanwege de publieke opinie niet voor uit. Dit artikel is een bewonderenswaardige uitzondering; wij zullen er daarom enkele paragrafen uit aanhalen:
„De vraag of ook de ziel bij de dood sterft, is door aanhangers van de materialistische zienswijze lange tijd alleen maar met een overtuigd ’Ja’ beantwoord, terwijl het Platonisme, Idealisme en de Christelijke Kerk even onvermurwbaar hebben vastgehouden aan het denkbeeld dat de ziel na de dood en het graf voortleeft. . . . Laten wij onszelf, hoe troosteloos en zonder uitzicht deze [materialistische] opinie ook moge schijnen, niet misleiden; juist dit dogma van totale vernietiging van de menselijke persoonlijkheid bij de dood is talloze personen bijzonder welkom omdat het hen van alle toekomstige verantwoordelijkheid bevrijd. Niemand zal mij ooit kunnen vragen: Hoe hebt u op de planken van het wereldtoneel gewandeld?
Het merkwaardige van het geval is nu echter dat toonaangevende theologen, in het bijzonder van de Lutherse Kerk, de laatste 30 jaar eveneens tot de overtuiging zijn gekomen dat de ziel bij de dood sterft, ook al is hun overtuiging op heel andere gronden gebaseerd dan die van vertegenwoordigers der materialistische zienswijze en koesteren zij totaal verschillende verwachtingen. Wat brengt hooggeplaatste evangelische theologen er toe dit dogma te erkennen dat de mens bij de dood volledig ophoudt te bestaan, een zienswijze die in de Christelijke Kerk alleen met klem is gepropageerd door de Bijbelonderzoekers [Jehovah’s getuigen]?
De theologische overwegingen neigen in de volgende richting. Het kwaad, de macht der zonde, is altijd in de geest geworteld. Ons lichaam, onze natuurlijke gesteldheid, kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de scheiding van God. Omdat wij een trots hart en een uitdagende ziel hebben, willen wij niet dat God zijn liefde tot ons uitstrekt en geven wij er de voorkeur aan onze eigen aanmatigende weg te bewandelen. Indien derhalve de dood het loon der zonde is, als straf voor onze opstand tegen God, dan dient het deel dat werkelijk schuld heeft, eveneens bij het doodsoordeel te zijn inbegrepen; maar dat is onze geest, onze ziel, en niet ons lichaam, dat slechts met de ziel in deze deplorabele toestand is terechtgekomen, en alhoewel het lichaam stellig ook actief is, draagt het niettemin het kleinste deel van de schuld. Alleen aldus krijgt de dood zijn werkelijke karakter van oordeel, terwijl het doodsoordeel niet veel om het lijf schijnt te hebben wanneer de onsterfelijke ziel zich meer of minder zonder krachtsinspanningen bij de ontbinding van het lichaam bevrijdt en alleen het lichaam aan het doodsoordeel onderworpen blijft. Terzelfder tijd is de hedendaagse theologie er echter volkomen van overtuigd dat alleen door deze nieuwe visie de christelijke opstandingshoop in haar volle pracht en grandeur op de voorgrond kan treden, daar God aan het einde aller dagen de doden die bij name in zijn herinnering zijn opgetekend uit absoluut niets tot nieuw leven zal opwekken.
Het is niet bij toeval dat nu uitgerekend Lutherse theologen zulk een vastberaden standpunt innemen voor de overtuiging dat de ziel bij de dood wordt vernietigd. De Lutherse leerstelling van rechtvaardiging belijdt dat de mens uit zichzelf niets heeft aan te bieden waardoor hij aanspraak zou kunnen maken op Gods vergiffenis en liefde . . . God, die alleen onsterfelijkheid heeft, kan ons ten gevolge van een loskopingsdaad het leven teruggeven door middel van een opstanding.
Onze kerkmensen zijn hevig verontrust door dit nieuwe gezichtspunt en deze nieuwe leer. Wanneer de eenvoudige kerkganger bij het graf zulk een boodschap hoort uitspreken, krijgt hij deze indruk: Indien dit zo is, dan hebben de materialisten het bij het rechte eind wanneer zij volhouden dat bij de dood alles is afgelopen. De geestelijken zeggen het nu zelf ook! Dat wij niet bij dit punt blijven stilstaan maar verder gaan en de aandacht vestigen op de hoop welke in het vooruitzicht wordt gesteld op de dag van de opstanding der doden, wordt niet altijd zo grif aanvaard, De gemeente blijft uitsluitend bij het verwoestende idee stilstaan dat er na de dood niets meer is en de ziel niet voortleeft . . . voor zover het de mens betreft, kan de onsterfelijkheid der ziel stellig niet worden gehandhaafd of bewezen.”
Het bovenstaande wordt door nog een zeer bekende professor in de theologie bevestigd, namelijk O. Cullmann, die doceert aan de universiteit te Bazel en Parijs. Hij zegt in zijn publikatie „Onsterfelijkheid der ziel of wederopstanding der doden?”: „De joodse en christelijke opvatting met betrekking tot de schepping sluit elk Griekse dualisme tussen lichaam en ziel uit.”
Eveneens zij vermeld dat prof. dr. G. van der Leeuw in 1947 in zijn boekje „Onsterfelijkheid of opstanding” over dit onsterfelijkheidsgeloof schreef: „Toch zijn deze voorstellingen allerminst christelijk, doch zuiver grieksch en met het wezen van het christelijk geloof in strijd. . . . Het onsterfelijkheidsgeloof, dat wij beschreven, is dus in schoonsten vorm grieksch. Maar het speelde in het Christendom een ontzaglijke rol, en het speelt die nog. . . . Onsterfelijkheid is een begrip, dat past bij de philosophie en het pantheïsme.”
Het is belangwekkend om op te merken dat thans, nadat Jehovah’s getuigen de afgelopen tachtig jaar de grootse bijbelse waarheid omtrent de opstanding hebben gepredikt, er bij enkele protestantse theologen een licht over dit onderwerp schijnt op te gaan. Ja, het begint bij hen te dagen!