Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w58 1/6 blz. 323-324
  • God is niet ontmoedigd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • God is niet ontmoedigd
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het gebed een kostbare, liefderijke voorziening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Hoe te bidden om door God verhoord te worden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Wat weet u van het gebed?
    Ontwaakt! 1974
  • „Als een van Jehovah’s getuigen bij u komt”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
w58 1/6 blz. 323-324

God is niet ontmoedigd

„LEER ons, die zo bevoorrecht zijn dat wij het gordijn mogen openschuiven en in de geheimen van uw universum mogen doordringen, dat wij allen de plicht hebben U, onze God, lief te hebben en uw geboden te onderhouden.” Aldus bad een Amerikaanse geestelijke op een oorlogsschip vlak voordat zijn regering met een serie proefnemingen met atoombommen begon. Dit bracht een zekere S.J. Harris er toe in de te Long Beach, V.S., verschijnende Independent, onder meer het volgende te schrijven:

„Ik veronderstel dat een geestelijke op een oorlogsschip één gebod toch zeker niet kan aanhalen. Het zou op zijn minst onaangenaam zijn om iemand vlak voor de ontploffing van een bom met de kracht van verscheidene miljoenen tonnen TNT, waardoor enkele honderdduizenden van Zijn kinderen gedood kunnen worden, het gebod ’Gij zult niet doden’ voor te houden.” Harris doet dan ironisch het voorstel voor een realistischer gebed, dat hij aldus begint:

„O Here, wees ons, die zo trots en aanmatigend zijn dat wij de meest verwoestende natuurkrachten durven los te laten, genadig.” Vervolgens vraagt hij God om bescherming voor de verwoestende uitwerking welke een atoombom op de hersenen, het zenuwstelsel, de longen, het hart, de ingewanden, enz., kan hebben.

Harris besluit zijn spotgebed met de woorden: „Bezoek onze vijanden, niet ons, met deze rampen en wij beloven dat wij U zullen liefhebben en de geboden zullen onderhouden — op één na, o Here.”

„Dit zou ten minste een eerlijk gebed zijn dat zin heeft,” zo vervolgt hij zijn betoog. „Dit zou geen nonsens, huichelarij en plechtig theologisch gewauwel zijn om het doel en de kracht van de bom te verbloemen en te heiligen. Ik ben er van overtuigd dat de Heer dit gebed niet zou verhoren — maar het zou in ieder geval geen belediging zijn van Zijn intelligentie en goedgunstigheid. Soms denk ik wel eens dat hij meer ontmoedigd moet zijn door de blindheid van zijn herders dan door de dwaasheid van zijn schapen.”

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat deze schrijver beter begrijpt welke eisen God aan een gebed stelt dan die geestelijke, want eerlijkheid of oprechtheid is stellig het allereerste vereiste. Hoe God over zulke gebeden als die welke door deze geestelijke werd opgezonden denkt, wordt ons in zijn Woord verteld: „Wanneer gij uw handen uitbreidt [in een verzoek], verberg Ik mijn ogen voor u; zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; uw handen zijn vol bloed.” Op een andere plaats staat: „Dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden. Omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEREN [van Jehovah] niet hebben verkozen.” — Jes. 1:15; Spr. 1:28, 29, NBG.

In één opzicht slaat Harris echter de plank mis — wanneer hij namelijk denkt dat God ontmoedigd, versaagd is of de moed heeft laten zakken door wat enigen van zijn schepselen wellicht doen. Ware dit zo, dan zou hij niet alwijs noch almachtig zijn. Hij heeft deze situatie juist voorzegd: ’In de laatste dagen zullen er kritieke tijden zijn, die moeilijk zijn door te komen. Want de mensen zullen . . . een vorm van godvruchtige toewijding hebben maar de kracht er van niet blijken te bezitten.’ Wanneer nu de toestanden precies zijn zoals hij had voorzegd dat ze zouden zijn, heeft hij geen enkele reden om ontmoedigd te zijn, niet waar? — 2 Tim. 3:1-5.

Bovendien zullen zijn voornemens met betrekking tot de aarde en de mens worden verwezenlijkt in weerwil van wat mensen al dan niet kunnen doen, zoals hij ons verzekert: „Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering.” Wat heeft hij zich dan wel met de aarde voorgenomen? „Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heiligen berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des HEREN [van Jehovah], zoals de wateren den bodem der zee bedekken.” — Jes. 46:11; 11:9, NBG.

Met het oog hierop kan er stellig vol vertrouwen worden gezegd dat God niet ontmoedigd wordt, wat de mensen ook mogen doen. Een van de doeleinden van dit tijdschrift is dan ook mensen van goede wil te helpen voordeel te trekken van de verwezenlijking van Gods voornemens met betrekking tot de aarde en de mens.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen