De moderne geschiedenis van Jehovah’s getuigen
Deel 27: De internationale vergadering in 1946
JEHOVAH’S getuigen prediken niet alleen Jehovah’s nieuwe wereld van rechtvaardigheid, maar zij brengen de beginselen waardoor die nieuwe wereld geleid zal worden, ook in praktijk. Zij zijn al begonnen zich aan te passen aan de maatstaven voor een levenswijze in de nieuwe wereld, doordat zij vele methoden, gewoonten en vooroordelen van deze oude wereld hebben laten varen. Zij beseffen dat zij in een overgangsperiode leven, waarin het samenstel van dingen der oude wereld over de gehele aarde volledig plaats zal moeten maken voor het reeds in werking getreden samenstel der nieuwe wereld, dat de heerschappij over deze prachtige aarde voor altijd zal overnemen. Zoals wij reeds eerder in deze historische studie hebben opgemerkt, is er sinds 1919 met Jehovah’s zegen een theocratisch georganiseerde Nieuwe-Wereldmaatschappij verschenen, welke in fundament en opbouw bijbels is en door de ware God, Jehovah, is opgericht en door hem wordt geleid. Zijn Juiste Herder, Christus Jezus, blijft deze op een reusachtige schaapskooi gelijkende organisatie van zachtmoedige mensen uitbreiden, zodat er steeds meer „andere schapen” uit alle delen der aarde naar toe kunnen stromen. Men is pas een gered „schaap” wanneer men predikt, in de bijbel is onderricht en dan het bewijs levert dat men zich aan God heeft opgedragen, door zich in water te laten dopen. Dit betekent dat zulk een pas gevonden schaap geestelijk moet opgroeien zodat het een aanbidder van Jehovah wordt en als een bedienaar van Zijn evangelie predikt, want dat is thans het belangrijkste werk van allen die zich in de theocratische Nieuwe-Wereldmaatschappij bevinden. Na deze stappen in de goede richting gedaan te hebben, moet men geregeld en op reine wijze in verbinding blijven staan met de plaatselijke gemeente of het plaatselijke onderdeel van deze maatschappij. Zulk een gered schaap gaat niet langer onafhankelijk te werk als een zwervend, verloren schaap, maar laat zich daarentegen door de autoriteit van de herder leiden. Als een juist geleid schaap vindt hij het prettig op rechtgeaarde wijze met de anderen in de kudde om te gaan.
Jehovah, de Universele Herder, heeft voorzieningen getroffen dat zijn op schapen gelijkende aanbidders door middel van zijn organisatie heilzame omgang met elkaar kunnen hebben. Toen God de miljoenen Israëlieten uit Egypte voerde, leidde hij hen met grote liefde door zijn onderherder Mozes, tot wie hij sprak: „De seizoenfeesten van Jehovah, welke gij dient uit te roepen, zijn heilige congressen” (Lev. 23:2, NW). Gedurende hun omzwervingen in de woestijn en jaren daarna in Jeruzalem, verzamelden miljoenen Israëlieten zich drie keer per jaar, soms wel acht dagen lang, om hun feesten te vieren. Bij deze gelukkige gelegenheden verheugden de talloze aanwezigen zich in elkaars gezelschap en de omgang met elkaar. Deze heilige congressen waren dagen waarop zij gezamenlijk hun God Jehovah aanbaden. Muziek en zang kenmerkten ze eveneens als tijden van grote blijdschap. Men hoorde dan de wet en het woord Gods voorlezen en luisterde naar de bespreking daarvan. Er moesten vele regelingen worden getroffen om zulk een schare congresgangers onder te brengen en van voedsel te voorzien. Door de gelukkige omgang met elkaar op deze vrolijke feestdagen sloten jong en oud nieuwe vriendschappen, hernieuwden vroegere kennismakingen en hoorden opwindende verslagen. Na afloop van deze grote vergaderingen keerden de Israëlieten geestelijk verkwikt naar hun plaatselijke eenheden of gemeenten terug om Jehovah’s weg getrouw verder te bewandelen. De levende God Jehovah is waarlijk een „gelukkige God,” die behagen schept in het geluk van zijn volk. — 1 Tim. 1:11; Deut. 14:24-27, NW.
In de tegenwoordige tijd zijn de grote vergaderingen van Jehovah’s getuigen, evenals die bij het Israël uit de oudheid en die in de dagen der apostelen van Christus Jezus en de andere vroege christenen, een bijzonder kenmerk van hun groei en ontwikkeling geweest. Ze hebben in de behoefte voorzien dat men op grotere schaal met elkaar kan omgaan, dat het gezichtsveld wordt verruimd en dat men geestelijk tot grotere werken van geloof en ware aanbidding wordt aangespoord. Vóór 1918 waren de jaarlijkse congressen veeleer plaatselijk of omvatten bepaalde secties, evenwel werd op geen van deze vergaderingen het bezoekersaantal van 4000 overschreden.a In de jaren tussen 1919 en 1937 boekte de grootste vergadering, in de Verenigde Staten, een bezoekersaantal van 25.000 personen.b In die tijd konden weinig broeders en zusters van buiten de Verenigde Staten de aldaar gehouden vergaderingen bijwonen en daaraan een internationaal karakter geven. Van 1938 tot 1944 werden er meermaals in verschillende steden in diverse Engels-sprekende landen tegelijk congressen gehouden, welke dan radiotelefonisch met elkaar in verbinding stonden. Door deze regeling begonnen de getuigen internationaal naar elkaar toe te groeien, voor zover dit dan het van één kant komende gesproken woord betreft. Men kon toen echter tussen de respectieve congresplaatsen van deze geweldig uitgestrekte bijeenkomst nog geen contacten uitwisselen. Van deze vergaderingen was het in vijftig steden gehouden congres van 1938 met Londen als middelpunt het grootste en op het hoogtepunt, de openbare lezing, waren in het totaal 150.000 aanwezigen.c Het bestuur van het Genootschap deed door al deze in vele steden tegelijk gehouden vergaderingen een geweldige ervaring op wat het organiseren van congressen betreft. Met dit als basis had men voor de tijd na de 2de Wereldoorlog iets nieuws in gedachten, namelijk, een waarlijk internationale vergadering met een grootse bijeenkomst op één centraal punt, waar alle vergaderingbezoekers ook fysiek in één menigte aanwezig waren.
De eerste van de serie grote internationale vergaderingen werd van 4 tot en met 11 augustus 1946 te Cleveland, Ohio, gehouden, welke het „Theocratisch congres der verheugde natiën” werd genoemd. Het Stedelijk Stadion der stad met de bijbehorende gronden en de nabijgelegen Stadsgehoorzaal werden gehuurd om daar deze grote vergadering te houden. Er kwamen afgevaardigden uit alle staten der Verenigde Staten en uit tweeëndertig landen daarbuiten. De zittingen werden in twintig verschillende talen gehouden. Op de openingsdag bedroeg het totaal-aantal aanwezigen 50.000. Op de laatste zondag luisterden 80.000 aanwezigen in het eivolle stadion naar de openbare lezing „De Vredevorst,” welke door de president van het Genootschap, de heer N.H. Knorr, werd uitgesproken. Enige hoogtepunten der vergadering waren de vrijgave van het bijbelse leerboek „Toegerust tot ieder goed werk”, het nieuwe tijdschrift Ontwaakt!, dat de Vertroosting opvolgde, en het nieuwe hulpmiddel voor de predikingsdienst, „God zij waarachtig”. In het niet ver van de congresplaats afgelegen Eriemeer werden 2602 personen ondergedompeld. Iets anders wat nog lang in het geheugen zou blijven, was, dat de president een voorstel onthulde voor een uitgebreid expansieprogramma in verband met de herbouw van het Bethelhoofdbureau en een aanzienlijke vergroting van de drukkerij aan de Adamsstreet 117, Brooklyn, New York. Eveneens zouden de bijkantoren in zes landen uitgebreid worden. Dit vier jaar omvattende en vier miljoen dollar kostende uitbreidingsplan werd enthousiast door de bij die lezing aanwezig zijnde 58.000 aangenomen.d
Het brengt vele problemen met zich zulk een massa mensen op één punt bijeen te brengen waar zij acht dagen lang hun christelijke aanbidding kunnen beoefenen. Een wel zeer groot vraagstuk was dat der huisvesting. Er werd voor deze vergadering te Cleveland een goed systeem uitgedacht, dat voor alle toekomstige nationale en internationale vergaderingen der getuigen het voorbeeld is geworden. Weken voor het congres werd er al aan tientallen volle-tijd-pioniers gevraagd of zij vrijwilligersdienst wilden verrichten en indien zij het aanvaardden, werd hun reis naar Cleveland bekostigd om daar voor het congres werkzaamheden te verrichten. De meesten hunner werden aan de huisvestingsafdeling toegewezen. Deze speciale werkers gingen samen met de gemeenteverkondigers van huis tot huis en naar hotels om, na de ter beschikking zijnde kamers gezien te hebben, te noteren waar de congresgangers tegen de door hun gewenste prijs gehuisvest konden worden. Op het congresbureau werden deze kamers genoteerd en aan de getuigen toegewezen, zodra zij het Congrescomité van hun verlangens in kennis hadden gesteld. Aldus wisten bijna alle congresgangers van tevoren waar zij gehuisvest werden. Uit ervaring is gebleken dat er door deze regeling, de getuigen in de huizen van de in de congresplaats wonende mensen onder te brengen, een machtig getuigenis gegeven kon worden, omdat de mensen er in een zeer nauw contact door worden gebracht met de denkwijze en de reine levenswijze van Gods hervormde volk. De vriendelijkheid, liefderijke consideratie en goede manieren van deze gast-getuigen liet een diepe indruk achter op de geest van vele bewoners, die dientengevolge nu zelf getuigen zijn geworden.
Op voorgaande congressen, zoals die welke in 1937 te Columbus en 1941 te St. Louis werden gehouden, was gebleken dat vele Amerikaanse en Canadese getuigen er de voorkeur aan hadden gegeven in tenten te kamperen of om tijdens de congrestijd in hun kampeerwagen te verblijven. Daarom was er op de vergadering te Cleveland aan de rand van die stad een groot „Kampeerwagenkamp van Jehovah’s getuigen.” Er werden voor de congrestijd grote velden gehuurd, waarop een ordelijk ontworpen stadje werd geprojecteerd met straten en kleine stukjes grond, elk groot genoeg om er een tent op te zetten of er een kampeerwagen te parkeren. Er werden voor deze nomadische overnachtingsgemeenschap van 20.000 getuigen toiletten, watervoorzieningen en zestien kilometer elektrische leidingen aangelegd en gebouwen voor algemeen gebruik opgezet. De verkeersregeling en het bestuur der „stad” berustte in handen van een staf van 550 vrijwilligers-getuigen, die alles overeenkomstig de voor dat gebied geldende gezondheidsvoorschriften der regering ten uitvoer brachten. Er werd een luidsprekerinstallatie geïnstalleerd om de lezingen van het stadion naar de aanwezigen in het „kampeerwagenkamp,” die niet naar het stadion konden komen, te relayeren.
Het uitdelen van drie maaltijden per dag aan tienduizenden personen is een groot karwei gebleken. Te oordelen naar de opgedane ervaring op de vele voorgaande nationale vergaderingen in de Verenigde Staten, was het cafetaria-systeem van uitreiken het meest praktisch. Er was voor de vergadering te Cleveland een speciaal plastic, in vakjes verdeeld dienblad ontworpen, waardoor de bediening veel eenvoudiger werd. Er werden voor dit congres speciaal vijf mechanische bordenwasmachines uitgedacht, gebouwd en in gebruik genomen. Sindsdien is dit dienbladsysteem op alle grote en kleine congressen der getuigen in vele delen der aarde voor de cafetariabediening in zwang gekomen. Vlug voortbewegende rijen van duizenden congresgangers werden naar de opdientafels geleid. Na een bord en bestek ontvangen te hebben, werd hun het voedsel naar keuze door vrijwilligers in de daarvoor bestemde vakjes opgediend. Van de opdientafels werden de steeds doorlopende congresgangers naar andere hallen of tenten geleid, waar tafels stonden, zodat het bord op middelhoogte neergezet kon worden en het eten staande genuttigd kon worden. Bezoekers uit vele landen, blanken en kleurlingen, jong en oud, stonden daar door elkaar heen en onder het nuttigen van deze smakelijke maaltijden wisselden zij verhalen en berichten van hun velddienstactiviteiten thuis uit, of bespraken punten uit de lezingen van het congres en andere gebeurtenissen. Allen waren blij gestemd omdat de grote familie van duizenden personen ordelijk en vlot aan voedsel werd geholpen en iedereen behulpzaam was. Het eten was voedzaam, zuiver, en goed gekookt door een groot aantal vrijwilligers bij wie de organisatie der keuken berustte, en was, behalve voor de pioniers, die van het Genootschap gratis etensbonnen hadden ontvangen, tegen een vastgestelde prijs, verkrijgbaar.
(Wordt vervolgd)
[Voetnoten]
a Watch Tower van 1911, blz. 371.
b Yearbook van 1938, blz. 47.
c Consolation van 5 okt. 1938, blz. 18.
d The Messenger van 12 aug. 1946, blz. 27.