Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w57 1/12 blz. 565-568
  • Mijn doel in het leven nastreven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn doel in het leven nastreven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
w57 1/12 blz. 565-568

Mijn doel in het leven nastreven

zoals Hazel O. Burford dit heeft verteld

HEBT u ooit wel eens iets zo intens begeerd dat iedere vezel van uw wezen er naar scheen te hunkeren? En hoe overweldigend gelukkig was u toen u het kreeg! Dat heeft het pionieren voor mij betekend. Van het ogenblik van mijn opdracht op veertien-jarige leeftijd af, heb ik nu juist dat willen doen wat ik toen had beloofd — al mijn tijd, kracht en energie te geven aan studie en dan anderen te helpen de waarheden te leren kennen die mij zo in verrukking brengen. Romeinen 12:1 te gehoorzamen, betekende voor mij de volle-tijddienst; mijn H.B.S.-jaren waren dan ook niet bijster gelukkige jaren.

Het einddiploma bracht me niet de verwezenlijking van mijn droom. Mijn ouders, die zich niet aan God hadden opgedragen, lieten mij vrij of ik me aan God wilde opdragen en dit ten uitvoer wilde brengen. Zij hadden het gevoel dat ze mij een opleiding hadden gegeven. Nu kon ik mijn eigen weg gaan. Daarom keerde ik mij tot mijn tweede liefde, de verpleging. Op 1 september 1925 begon mijn opleiding in het Kinderziekenhuis te Denver, Colorado. Ik ging geweldig op in het werk. Maar een nieuw gevaar dook op voor het nastreven van mijn levensdoel:

Daar ik tien van de 24 uur per dag moest werken en bovendien nog lessen moest volgen en studeren, waren mijn vergaderingbezoek en de tijd in de dienst zeer ongeregeld; ten slotte namen ze geleidelijk af daar de levenszorgen het voortbrengen van Koninkrijksvruchten verdrong. De ijver was verkoeld. Ik kreeg toen uitstekende schriftuurlijke raad door iemand van de gemeente te Denver. Beschaamd gaf ik schoorvoetend toe de volgende zaterdagmiddag met de groep bijeen te komen voor de dienst. Ik ging; niemand anders kwam er. Mijn tegenzin ging geleidelijk in een verlangen over. Kwam er nu maar iemand; ik wilde in de dienst uittrekken. Na een uur wachten brak het koude zweet me uit want mijn geweten begon te spreken. Ik was zo nalatig geweest — Jehovah had me de rug toegekeerd! In mijn kamer in het verpleegstershuis viel ik op mijn knieën, smeekte om vergiffenis en vroeg om nog een kans om te dienen. Iets later keerde mijn kalmte terug toen ik had besloten van nu af mijn best te doen en de beslissing aan een barmhartige en liefderijke God over te laten.

De afgelopen jaren hebben uitgewezen dat ik alleen vrede des geestes heb wanneer ik mijn best doe mijn levensdoel na te streven.

In de herfst van 1929, bij het begin van de crisis, kreeg ik mijn diploma van de verpleegstersschool. Dertig andere afgestudeerden gingen vóór bij het verkrijgen van een werkkring, en er waren slechts enkele open plaatsen, en dan vaak nog de minst wenselijke. Door bemiddeling van een huisvriend kreeg ik in januari 1930 werk bij een van de beste en drukste chirurgen in het westen. Uitstekende betaling, elke zes maanden opslag en geregelde werkuren — wat me toestond alle vergaderingen te bezoeken en ieder weekeinde in de dienst te staan. Wat kon ik nog meer verlangen?

De volle-tijd-dienst was mijn doel! Maar zelfs zij die zich aan God hadden opgedragen, vonden dit fanatiek. Ik had me opgedragen om alles, bovenal mijzelf, te geven, minder gaf mij geen bevrediging.

Toen kwam de aankondiging van het internationale congres in Columbus, Ohio, in juli 1931. Daar de zomer voor dokters de drukste tijd is, en niemand van mei tot en met november daar met vakantie ging, leek het congres niet voor mij te zijn. Daar ik echter nog nooit een grote vergadering had bezocht, werd mijn verlangen er naar met het verstrijken der tijd onweerstaanbaar. Ik had ongeveer duizend dollar gespaard, en daarom nam ik op de 1ste juni mijn ontslag en stuurde mijn pioniersaanvraag op, nam me voor het congres te bezoeken, een partner te zoeken en voort te gaan mijn levensdoel na te streven: de volle-tijd-dienst.

Grootser dan ik ooit had gedroomd, was dit congres — een prachtige springplank voor mijn gekozen loopbaan. Nu een partner te vinden. Ik keek uit naar iemand met een auto, maar bemerkte spoedig dat alle toekomstige pioniers dat ook deden; daarom kocht ik zelf van het overgrote deel van mijn spaarcenten een auto. Volkomen vertrouwend op Jehovah’s belofte voor steun wanneer wij maar eerst het Koninkrijk zoeken, gingen een ander jong meisje en ik naar Texas. Zij had evenmin voordien gepionierd.

Wij leerden door onze fouten en wij hadden veel plezier. Ons gebied lag in het nieuwe oliegebied in Oost-Texas waar de crisis toen nog niet heerste. Wij verspreidden veel, doch niet genoeg voor onze kamerhuur. Wij legden daarom botje bij botje, kochten een tent en ander kampeermateriaal en „doken het bos in.” Prachtig met mooi herfstweer! Wij bezuinigden op benzine en verkortten de reistijd door ons kamp op te slaan waar ons werk de ene dag eindigde en de volgende dag begon. Winterregens en sneeuw dwongen ons naar beter onderdak uit te zien; wij huurden daarom een hut die de boeren voor hun katoenplukkers gebruiken. Luxueus? Neen, niet bepaald; er moest water worden geput, hout gehakt en eten boven een open haardvuur worden bereid, en vol vreugde werd iedere moeilijkheid opgelost met het tevreden gevoel van wij hebben „gedaan zoals gij ons hebt geboden” en wij hebben anderen op de weg ten leven geholpen. Wij moesten kampen met voortdurende regen en onbegaanbare wegen. De modderpoelen waarin wij elke dag bleven steken en waaruit wij door arbeiders werden geholpen, droegen tot ons succes bij. De mensen wilden altijd weten waarom twee eenzame jonge vrouwen nu precies met zulk slecht weer en over zo’n onbegaanbare weg naar dat speciale huis moesten. Wij hadden dus vele gelegenheden tot getuigenisgeven wanneer wij onze wagen opkrikten en stenen onder de wielen deden om hem zo weer op gang te krijgen. Èn de wagen èn wij hadden het hard te verduren, maar aan het einde van iedere dag rolden wij tevreden in een diepe slaap.

In de lente trouwde mijn partner, en haar schoonzuster werd nu mijn partner, waarna wij met zijn vieren samenwerkten. Aangezien er in die tijd geen nabezoek- of huisbijbelstudiewerk bestond, hadden wij onze toewijzing in mei doorgewerkt en vertrokken wij dus naar Panhandle in mijn geboortestaat Colorado, op weg naar zomerweer. Maar kort na aankomst verlieten mijn eerste partner en haar man het pionierswerk enige tijd en zijn zuster en ik bleven vijf jaar alleen. Als baby had zij kinderverlamming gehad en zij was te gebrekkig om vele fysieke dingen te doen die in het geïsoleerde gebied gedaan moesten worden; mijn handenarbeid, zoals de wagen repareren en smeren, was dus zwaarder, maar als bijbelstudente was zij uitmuntend, geestelijk zeer rijp, een echte hulp voor mij. Haar broer en zijn vrouw maakten een kampeerwagen voor ons, waardoor wij in uiterst moeilijk gebied konden werken. Wij leerden het verschil kennen tussen te roeien met de riemen die wij hadden en die welke wij nodig dachten te hebben.

Maar het gekwelde lichaam van mijn ijverige kleine partner kon geen gelijke tred houden met de bereidwillige geest, en in de lente van 1937 moest zij de volle-tijd-dienst opgeven.

Het doel in mijn leven nastrevend, bleef ik nu pionieren met een gezin uit Oregon, en met hun edelmoedige hulp kon ik naar Kentucky komen om te werken en genoeg te verdienen om het congres in Columbus Ohio, te bezoeken. Na de jaren in het geïsoleerde gebied was dit een waar feest voor me. Ook vond ik er een doorgewinterde pionierster waarmee ik kon samenwerken. Het werk op de katoenplantages in Alabama was gemakkelijker dan op de ranches in Texas, en er werd goed verspreid, waardoor ik mijn invalide vader thuis eens kon opzoeken, die ik in geen acht jaar had gezien. Van de gemeente thuis ging een jonge zuster met me mee die al lang wilde pionieren, maar die wat hulp nodig had om er tussenuit te breken. Vele jaren werkten wij samen in het zuiden en nadien is ze op Gilead gegradueerd en is nu zendelinge in El Salvador.

Toen wij in 1941 in geïsoleerd gebied in west-Kentucky werkten, bezochten wij de kringvergadering te Cape Girardeau, Missouri. Terwijl ik het avondmaal bereidde in de cafetaria, werd ik voor een interlocaal telefoongesprek weggeroepen, waarbij mij het voorrecht werd aangeboden broeder Rutherford te verplegen, die toen zeer ziek in een ziekenhuis te Elkhart, Indiana, lag. Geschokt door het bericht van zijn ziekte, verpletterd door de geweldige verantwoordelijkheid die ik op me kreeg, was mijn eerste reactie te weigeren; onder gebed nam ik het aan, daar ik altijd bevreesd was een toewijzing te weigeren uit vrees geen andere meer te krijgen. Snel verliet ik de vergadering en trof de nodige voorbereidingen voor mijn nieuwe plichten. Zesendertig uur later betrad ik de ziekenkamer van onze getroffen broeder. Een week later had ik het voorrecht broeder Rutherford en zijn gezelschap naar Californië te vergezellen, waar wij in Beth-Sarim, het „Huis der vorsten” woonden, tot hij acht weken later, op 8 januari 1942, stierf. Zou ik geen pionierster zijn geweest, dan was dit ongewone en kostbare voorrecht mij niet te beurt gevallen, daar het gehele gezelschap uit volle-tijd-werkers bestond.

Van Californië keerde ik rechtstreeks terug naar mijn vorige groep in Somerset, Kentucky. Hier ondervonden wij echt tegenstand, werden herhaaldelijk gearresteerd en brachten enige tijd in de gevangenis door; maar ten slotte werd er door het gerechtshof van Kentucky een gunstige uitspraak gedaan waardoor het werk sindsdien voortgang kon vinden.

In de geschiedenis van de theocratie wordt 1943 gekenmerkt door de opening van Gilead. Tot mijn onuitsprekelijke vreugde werd ik voor de tweede klas uitgenodigd, die in september begon. Die zomer bezocht ik mijn moeder, die weduwe was, en vergezelde haar naar de districtsvergadering te Denver. Mijn vreugdebeker liep werkelijk over toen ik daar getuige was van haar onderdompeling. Daarna naar Gilead. Vijf maanden van de zuiverste vreugde die ik ooit heb ondervonden.

Het jaar daarop had ik het echt moeilijk. Ik verlangde wanhopig naar de Nieuwe-Wereldsfeer van Gilead, maar doordat ik me zelf dwong voort te gaan mijn levensdoel na te streven, kwam ik er overheen en begon me weer in de dienst te verheugen.

Toen kwam er bericht dat vier van ons naar Panama moesten. De brandende tropen! Eerst dacht ik, dat overleef ik niet lang. Maar, zo verzekerde ik me zelf, andere mensen als ik hebben daar generaties lang geleefd, waarom zou ik er niet kunnen werken? Negen jaar zendingswerk in de Panamese landengte bewijzen dat mijn eerste gedachten onjuist waren. Bij mijn aankomst op 28 december 1945 kwam ik tot nog een waarheid: Dat mijn familie, mijn landgenoten, overal in de wereld zijn en dat men als een zendeling nimmer eenzaam behoeft te zijn of heimwee behoeft te hebben. Vroeg in de ochtend na onze aankomst stond een van de verkondigers van de andere zijde van de landengte opgewekt voor onze deur om ons in zijn auto naar onze toewijzing te brengen in Cólon, aan de Atlantische Oceaan. Hoewel zijn huid enige graden donkerder was dan de onze, had hij die stralende Koninkrijkslach, dezelfde liefdevolle attentie en het verlangen te dienen als onze broeders daar op Bethel. Van die eerste ochtend van onze kennismaking af, de meer dan vier jaren van onze samenwerking door, hadden hij en onze andere broeders en zusters het nimmer te druk of waren zij nooit te moe ons met een probleem in ons nieuwe huis te helpen. Zo gaarne hielpen zij ons het werk te doen, dat wij in die tijd de vreugde hadden het kleine groepje van ongeveer vijftien verkondigers te zien uitgroeien tot een goed georganiseerde gemeente van bijna honderd. Na daar ongeveer twee jaar te hebben gewerkt, bleek het raadzaam een Spaans-sprekende gemeente te vormen, en hoewel mijn Spaans povertjes was, had ik het voorrecht vanaf het allereerste begin met de gemeente samen te werken en er zelfs als dienaresse te dienen.

Daar de gemeenten in de uiteinden van het Kanaal goed functioneerden, besloot het Genootschap de mensen van goede wil in het „binnenland” van Panama te helpen; in 1950 was ik een van de vier die werden uitgekozen om naar Chitre te gaan. Hier beseften wij pas de draagwijdte van het wonder dat Jehovah bij de toren van Babel had verricht, toen wij worstelden om onze kostbare Koninkrijksboodschap in verstaanbaar Spaans om te zetten. Sinds onze basisopleiding in Gilead hadden wij geregeld gestudeerd en wij konden heel behoorlijk lezen, maar nu kwamen wij tot de ontdekking dat wij de taal niet voldoende beheersten voor de vele situaties die wij ontmoetten. Na ongeveer een jaar werd er een gemeente georganiseerd, waarin wij, de vier zusters, dienaarsplaatsen bekleedden; en toen wij in december 1952 naar Panama City werden geroepen, konden wij in Chitre een groep van acht verkondigers achterlaten, terwijl inlandse broeders voor de dienaarsambten waren opgeleid. Door Jehovah’s zegen is de gemeente in Chitre nu ongeveer verdubbeld.

In mei 1954 werd er in de Kanaalzone zelf een gemeente georganiseerd; het eerste rapport telde acht verkondigers; twaalf maanden later, twintig. Jehovah’s zegen maakt ons allen rijk en geestelijk sterk. In vele streken werken wij de gehele dag tussen het vuil van overbevolkte huizen. ’s Avonds komen wij thuis in een schoon, comfortabel zendingshuis dat door het Genootschap wordt onderhouden. Ik zie nu dat deze laatste vijfentwintig jaar uitstekend zijn besteed in het nastreven van mijn doel in het leven, en ik hoop dat ik voor altijd in de volle-tijd-dienst mag blijven voortgaan, wat voor toewijzing Jehovah mij ook in zijn goedgunstigheid moge geven.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen