Het ware Israël thans hersteld
IN HET vorige artikel is het ware Israël Gods volledig geïdentificeerd, doch enige van gewicht zijnde vragen zijn nog opengebleven. Dat geen van de twee grootste joodse profeten, Mozes en Jezus, het natuurlijke Israël enige hoop op herstel gaven, is een belangrijk punt dat zo dikwijls over het hoofd wordt gezien. Die natie kon kiezen tussen getrouwheid en leven of ontrouw en dood. Zij kozen het laatste en hun huis werd verlaten (Deut. 11:26-28; 30:15-19; Matth. 23:38, NW). De herstellingsbeloften die zo dikwijls worden aangehaald, staan in de geschriften van profeten als Ezechiël, Jeremia en anderen (Ezech. 34:1-31; 36:1-38; Jer. 32:27-42). Maar wat waren de omstandigheden waaronder zulke beloften werden gedaan?
Dit is het speciale punt dat dient te worden opgemerkt. De beloften dat Jehovah zijn verbondsvolk in hun land zou bijeenvergaderen en herstellen, werden gegeven voordat zij in 607 v. Chr. in gevangenschap naar Babylon gingen. Precies op tijd nadat het land Juda 70 jaar woest had gelegen, keerde een overblijfsel van Israël terug met de taak de tempel en de muren te herbouwen en nogmaals een aandeel te hebben aan de reine aanbidding van Jehovah. — Ezra 1:1-8; 3:1-13.
Die terugkeer was echter slechts een vervulling van de profetieën op kleine schaal, slechts een afbeelding of voorbeeld of schaduw van een veel grotere en belangrijkere terugkeer die zou volgen (1 Kor. 10:6, 11, NW). De vraag luidt dus: Was het een voorbeeld of afbeelding van de tegenwoordige kolonisatie van de natuurlijke joden in Palestina, of beeldde het het herstel van het geestelijke Israël van tegenwoordig af?
Destijds wierp Jehovah God het goddeloze Babylon omver en verwekte Kores, de Pers, die de terugkeer van de joden bevorderde. Het Britse Imperium dat over Palestina regeerde sedert en nadat de Turkse heerschappij in de 1ste Wereldoorlog was gebroken, was echter geen tegenhanger van Kores. Brittannië stond de oprichting van een joodse staat tegen en bleef in gebreke overeenkomstig haar eigen Balfour-declaratie te handelen. Brittannië was niet gelijk Perzië onder Kores, de eerste in het erkennen van de nieuwe joodse staat maar de drieëndertigste. Jehovah gaf het vroegere Israël het land zonder moeite terug, maar moderne Zionisten vochten een harde strijd, en het gebied dat zij niet door overwinningen verwierven, kochten zij van Arabische landeigenaren.
In het voorbeeld keerden de joodse gevangenen terug naar een verwoest land, onbewoond door mens of beest, doch de moderne kolonisten troffen Palestina bewoond aan; de stad Jeruzalem was een bloeiende hoofdstad. In het voorbeeld keerden de joden terug om de tempel van Jehovah te herbouwen. De tegenwoordige joden troffen op het terrein van de oude tempel een Mohammedaanse moskee aan en zij hebben geen krachtsinspanningen gedaan deze te verwijderen. Zelfs al hadden zij dat gedaan, dan nog bezitten de joden geen vaststaande priesterschap, niemand die kan bewijzen van Aäron af te stammen. Zo was het niet met hen die van Babylon terugkeerden.
ISRAËL IS NIET THEOCRATISCH
Het meest afdoende getuigenis dat bewijst dat de terugkeer van de natuurlijke joden naar Palestina niets met bijbelprofetieën heeft uit te staan, is dat de nieuwe staat in geen enkele betekenis van het woord theocratisch is. Haar Grondwet verklaart duidelijk dat de „Staat Israël . . . een . . . democratische republiek [is],” geen theocratie. In ieder opzicht is ze ten zeerste een deel dezer wereld. In commercieel opzicht doet ze op hetzelfde lage niveau zaken als de rest der wereld. Sociaal en moreel is ze er niet beter aan toe dan andere natiën. Uit militair oogpunt vertrouwt ze niet op de arm van Jehovah; haar staatslieden begeven zich al gauw naar militaire adviseurs der westelijke mogendheden. In religieus opzicht heeft ze haar verschillende sekten en culten — orthodox, hervormd, conservatief, atheïstisch — van welke er geen enkele aanspraak op kan maken uit Jehovah’s getuigen te bestaan (Jes. 43:10-12). Uit politiek oogpunt heeft ze haar „linkse,” „rechtse” en „gematigde” partijen die elkaar bestrijden om de macht.
Israël vroeg de Verenigde Naties — dat „walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt” (Matth. 24:15, NW) — het „joodse volk bij de opbouw van haar staat te helpen en Israël in de familie der natiën toe te laten.” Dit werd gedaan en ze werd op 11 mei 1949 het negenenvijftigste lid, dit alles in strijd met Gods wet die zegt dat zijn verbondsvolk geen verbond met andere natiën mag aangaan (Deut. 7:2; Richt. 2:1, 2; Jes. 31:1). Indien Jeruzalem negentien eeuwen geleden ’met haar kinderen in slavernij’ was, hoeveel te meer is dan het tegenwoordige Israël in knechtschap aan deze Babylonische wereld! Op ieder gebied heeft Israël zich tot een deel dezer oude wereld gemaakt en is daarom gedoemd binnenkort in Armageddon te worden vernietigd, gelijk de joodse profeet Daniël lang geleden had voorzegd. — Gal. 4:25, NW; Dan. 2:44.
Hoort men iemand tegen hetgeen hier wordt gezegd, protesteren, en beweert hij dat de republiek Israël wel degelijk een zekere theocratische inslag heeft? Al dergelijke beweringen blijken echter krachteloos te zijn wanneer zij nader worden onderzocht. Er is weliswaar een minister van religieuze zaken, die in het kabinet zitting heeft; er zijn strenge dieetwetten welke voor het leger alleen kosjer vlees voorschrijven; er zijn strenge sabbatwetten die het burgerleven praktisch tot stilstand brengen. Doch al dergelijke dingen zijn van zuiver menselijk maaksel en in volstrekt geen enkel opzicht door Jehovah God of zijn Messiaanse koning bekrachtigd. Toen William Zukerman, uitgever van de „Jewish Newsletter,” in Harper’s (van nov. 1950) een artikel schreef, verklaarde hij dat dergelijke „theocratische” maatregelen alleen maar de stellingen zijn van een zich in de minderheid bevindende sekte die toevallig aan de macht is. Bezoekers vertellen dat de meerderheid van het volk niet religieus is. De New York Times zei op 31 mei 1951 onder het opschrift: „Theocratische staat in Israël verhinderd”: „Minister-president David Ben-Gurion van Israël verklaarde gisteren dat zijn natie onder geen omstandigheid een theocratische staat zou worden.”
Hoewel enkele stemmen roepen om het reorganiseren van het Sanhedrin [het oude hooggerechtshof bestaande uit rabbi’s], hoewel sommigen voorstellen in Jeruzalem een rabbijnse hiërarchie op te richten, vermoedelijk naar model van de Vaticaanse hiërarchie gevormd, en hoewel zekere religieuze dwepers die zich zelf „Bewakers van de stad” noemen, het land terroriseren in een poging het orthodoxie op te dringen, overschreeuwen vele, vele anderen hen met de roep: ’Wij willen geen theocratische heerschappij over ons!’ Dr. Abraham J. Feldman, president van de Centrale Conferentie van Amerikaanse Rabbijnen, „waarschuwde voor de poging in Israël enige vorm van theocratie in te stellen.” Dr. William Rosemblum zei: „Het zou niets minder dan een internationale ramp zijn indien de fanatieke en extremistische elementen in Israël er in zouden slagen een theocratie op te richten.” En onder het opschrift: „Theocratische heerschappij in Israël tegengestaan,” meldde de New York Times (van 30 maart 1951): „Mosje Shapiro, Israëls minister van binnenlandse zaken, gezondheid en immigratie, . . . verklaarde dat alle religieuze partijen sterk gekant zijn tegen elke theocratische tendens in zijn land.” Thans is het zoals het drie duizend jaar gelden was toen „Jahve sprak . . . Mij hebben zij als koning verworpen” (1 Sam. 8:7, KB). Thans is het zoals het negentien eeuwen geleden was toen zij de Messias verwierpen voor wereldse politieke heerschappij: „Wij hebben geen koning dan Cesar!”
GROOTS HERSTEL VAN HET WARE ISRAËL
Het getuigenis is beslissend, Jehovah handelt niet met het natuurlijke Israël als natie. Het is veeleer een overblijfsel van het geestelijke Israël dat tot een wonderbaarlijke positie in Jehovah’s dienst is hersteld. Dit overblijfsel van Jehovah’s getuigen werd gedurende de 1ste Wereldoorlog door het grote tegenbeeldige Babylon, de wereldorganisatie van de Duivel, ten zeerste gesmaad, vervolgd en met geweld beperkt (Openb. 14:8; 16:19; 17:5–18:21). In 1914 bevrijdde de Grotere Mozes, Christus Jezus, hen echter van hun gevangenschap en herstelde hen in hun erfdeel van zuivere aanbidding en dienst.
Anders dan de republiek Israël werd dit gezalfde overblijfsel van deze oude wereld afgescheiden en werd het gereinigd van zelfzuchtige politiek, hebzuchtige handel en demonische religie, welke alle de officiële elementen dezer wereld vormen (Jes. 52:11). Terwijl deze toegewijde dienaren van God weigeren zich met de gruwelijke Volkenbond of Verenigde Naties te verbinden, scheiden zij zich er van af en blijven bekendmaken dat Gods theocratische koninkrijk de enige hoop voor de mensheid is. Zij eren Gods gezalfde koning, Christus Jezus, terwijl zij aankondigen dat hij thans op de troon is geplaatst en op de hemelse berg Zion regeert (Hebr. 12:22-24). Het is daarom de tijd dat Zacharia’s profetie, hoofdstuk 8 vers 20 tot en met 23, wordt vervuld.
In het licht van de feiten is het voor alle mensen van goede wil hoog tijd om ten aanzien van deze waarheden te ontwaken. De slippen van deze innerlijke joden, die werkelijk Jehovah loven, worden door alle mensen van goede wil thans vastgegrepen, zoals Jesaja had voorzegd. Als ’tien mannen uit alle talen der volkeren’ zeggen zij: „Wij zullen medegaan met u: wij hebben immers vernomen, dat God met u is.” Laten daarom alle natuurlijke joden die wensen te leven en Jehovah te loven, komen en zich met het overblijfsel van het geestelijke Israël, het ware zaad van Abraham, verbinden en laten zij hun hoop en vertrouwen op Gods Messiaanse koninkrijk stellen in plaats van op de door mensen ingestelde republiek Israël. Laten zowel joden als heidenen uit alle natiën zich haasten en zeggen: „Laat ons gaan, en het aanschijn des Heren [van Jehovah] smeeken, en laat ons den Heer [Jehovah] der heirscharen zoeken” (Zach. 8:20-23, Belg. PB). Dit betekent voor hen eeuwig leven in de paradijsachtige nieuwe wereld van rechtvaardigheid onder de glorierijke theocratische regering die nooit zal eindigen!
[Illustratie op blz. 540]
MOSKEE VAN OMAR