Maria, de moeder van Jezus
„WEES gegroet, gij begenadigde; de Here is met u!” Met deze opvallende groet richtte de engel Gabriël zich ongeveer 1952 jaren geleden tot de nederige dochter van Heli in de stad Nazareth. Dit meisje was een jonge maagd die in armoedige omstandigheden verkeerde, en haar vader noemde haar Maria, hetgeen „bitter” betekent. Zij was niet met een edele prins, maar met de timmerman Jozef verloofd, een man die evenals zij zelf een onaanzienlijke positie in de maatschappij bekleedde. Waarom zou dan een engel die als boodschapper van de Allerhoogste God was gezonden, haar als een „begenadigde” begroeten? Of waarom zou haar nicht Elizabet onder de macht van de heilige geest tot Maria uitroepen: „Gezegend zijt gij onder de vrouwen”? — Luk. 1:28, 41, 42.
Verwijder onmiddellijk elke gedachte uit uw geest dat Maria gezegend was door een zogenaamde „onbevlekte ontvangenis”, waardoor zij van de smetten van de Adamietische zonde zou zijn bevrijd. Zij werd evenals alle andere meisjes geboren. Wanneer het op overgeërfde onvolmaaktheden ten gevolge van Adams oorspronkelijke zonde aankwam, verschilde zij niets van koning David, die verklaarde: „Ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen” (Ps. 51:7). Terwijl er niet het geringste spoortje van Schriftuurlijke ondersteuning bestaat voor de theorie van theologen dat Maria onbevlekt en volmaakt werd geboren, staat er in de Bijbel wel veel dat het tegendeel bewijst. In welk opzicht en op welke wijze was deze vrouw dan genaderijk gezegend boven andere dochters van Eva?
Volgens de Joodse wet en het Joodse gebruik werd Maria als de verloofde van Jozef beschouwd, hoewel zij nog steeds bij haar ouders woonde (Matth. 1:18). Gedurende deze tijd van haar verloving voorafgaande aan het werkelijke huwelijk, verscheen de boodschapper van de Heer voor haar met verrassend nieuws. „Vrees niet, Maria” zeide de engel, „want gij hebt genade bij God gevonden. En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Here, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.” — Luk. 1:30-33.
Wel, bij zulk een wonderbaarlijke aankondiging als deze kunt gij u precies de verrassing, verwondering en twijfel vermengd met opgewonden gevoelens voorstellen, die alle de geest van dit bescheiden meisje vulden en zich op haar gelaat aftekenden. Niet wetend wat zij het eerst moest zeggen, kwam het gezonde verstand haar te hulp. „Hoe kan dit geschieden, daar ik geen echtgenoot heb?” vroeg zij. „De heilige geest zal op u komen” verklaarde de engel, „en de macht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal het kind dat wordt geboren, heilig worden genaamd, de Zoon van God.” Ten einde haar te helpen alle twijfel ten aanzien van de aangelegenheid weg te nemen, verklaarde de engel vervolgens: „Zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde. Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.” — Luk. 1:34, 35, HS; 1:36, 37.
Maria aanvaardde onmiddellijk het dienstvoorrecht, en zij deed het gewillig en vol vreugde en toch in alle zachtmoedigheid en nederigheid. „Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En nadat zij dit had gezegd, haastte zij zich naar het heuvelachtige land Juda, naar het huis van Elizabet, waar zij bemerkte dat de toestanden precies zo waren als de engel ze had beschreven. Welk een vreugde en blijdschap vulden Maria’s hart en geest! Overstelpt van dankbaarheid vloeiden haar lippen over in prachtige woorden van lofprijzing. — Luk. 1:38-55.
ZIJ WORDT JOZEFS VROUW
Het was noodzakelijk dat er in het menselijke lichaam van Jezus werd voorzien door een maagd, want dit was een van de tekenen die door de profeet waren voorzegd (Jes. 7:14; Matth. 1:22, 23). Maar waarom was er een maagd nodig die was verloofd in plaats van een maagd die vrij was? Opdat er een pleegvader zou zijn, een natuurlijke afstammeling van David, die het wettelijke recht op de troon van David aan het kind zou kunnen doorgeven. Zoals de historicus Mattheüs laat zien, was Jozef zulk een nakomeling via Salomo. Lukas bericht dat de moeder Maria eveneens van de stam Juda en ook een nakomeling van David via zijn zoon Nathan was. (Zie Het Koninkrijk is nabijgekomen bladzijden 39 tot 43, Eng.) De erfrechten van Jezus waren dus dubbel bevestigd (Matth. 1:2-16; Luk. 3:23-34). Daarom verzekerde de engel Jozef dat hij niet moest aarzelen Maria tot zijn wettelijke vrouw te nemen, ook al was zij zwanger. — Matth. 1:19-25.
Jozef en Maria moesten, gedwongen door een belastingbesluit, naar Bethlehem gaan om zich te laten inschrijven. Terwijl zij daar waren en onder die toestanden van overbevolking, baarde Maria haar eerstgeboren zoon. Herders van de velden kwamen de pasgeboren Jezus eer betonen en zijn levengevende Vader Jehova lof brengen. Na veertig dagen van reiniging overeenkomstig de wet van Mozes, ging Maria naar de tempel te Jeruzalem ten einde voor haar zonden verzoening te doen (Luk. 2:22-24; Lev. 12). Hierdoor wordt bewezen dat zij geen „Onbevlekte moeder van God” was. Haar natuurlijke onvolmaaktheden moesten worden verschoond door slachtoffers die verzoening bewerkten. Terwijl Simeon, de man Gods, en de bejaarde profetes Anna, daar in Jeruzalem waren, zegenden en aanbaden zij deze zoon van God. Deze gebeurtenissen leggen er verder de nadruk op dat niet de moeder Maria de grootste aantrekkingskracht vormde en het middelpunt van aanbidding was (Luk. 2:25-38). Later kwamen Magiërs uit het Oosten haar zoon hulde brengen. — Matth. 2:1-12.
Nadat Jezus’ ouders naar Egypte waren gevlucht en daar waren gebleven totdat de goddeloze Herodes was gestorven, keerden zij terug en vestigden zich in het kleine stadje Nazareth (Matth. 2:13-23; Luk. 2:39). In die plaats bracht Maria Jezus groot onder toestanden die in een godvruchtig huisgezin heersen. Zij zorgde er voor dat Jezus natuurlijke broeders en zusters kreeg.
MARIA HAD NOG MEER KINDEREN
Wist gij dit niet? Het staat duidelijk in de Bijbel opgetekend. Gedurende zijn reizen van dorp tot dorp kwam Jezus in het stadje waarin hij was grootgebracht, in Galilea, waar al zijn bekenden uit zijn kinderjaren hem herkenden. „Is Deze niet de Zoon des timmermans?” vroegen zij. „Is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas? En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons?” (Matth. 13:55, 56). De Nazareners zinspeelden op het natuurlijke, vleselijke gezin dat in hun stadje woonde, namelijk, Jozef de timmerman, zijn vrouw Maria en haar zonen en dochters die zij als de natuurlijke broeders en zusters van deze man Jezus kenden.
Geen enkele onderzoeker van de Bijbel behoeft te worden misleid tot de gedachte dat deze broeders en zusters „neven” en „nichten” waren, en evenmin waren zij zijn geestelijke broederen, zijn discipelen, want in Johannes 2:12 wordt het duidelijke onderscheid gemaakt tussen de twee groepen, te weten: „Daarna ging Hij af naar Kapernaüm, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen.” „En [ik] zag geen ander van de apostelen” schrijft Paulus, „dan Jakobus, den broeder des Heren” (Gal. 1:19). Daar in het bericht wordt vermeld dat Jozef Maria niet „bekende” „totdat” Jezus werd geboren, is het vanzelfsprekend dat hij haar daarna wel „bekende”, en dat hij de vader werd van haar andere kinderen (Matth. 1:25). Dat Jezus in Lukas 2:7 haar „eerstgeboren Zoon” wordt genoemd, is niet zonder betekenis.
Als een goede moeder onderwees en onderrichtte Maria haar kinderen ijverig in rechtvaardigheid. Zij kende de spreuk: „Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af” (Spr. 22:6, PC). IJverig oefende zij zichzelf in de geïnspireerde Schriften, zoals blijkt uit haar spontane uiting toen zij door Elizabet werd begroet (Luk. 1:46-55). Bij die gelegenheid herhaalde zij de gedachte van Hanna’s gezang en zij gaf er blijk van een goede kennis te bezitten van de psalmen, de historische en profetische geschriften en de boeken van Mozes (1 Sam. 2:1-10; Gen. 30:13; Spr. 31:28; Mal. 3:12). Profetische gebeurtenissen en gezegden leerde zij van buiten, bewaarde ze gelijk een schat in haar hart, overpeinsde ze in haar geest en was aldus toegerust om de knaap Jezus ouderlijk onderricht te geven. — Luk. 2:19, 33.
Toen Jezus nog maar een jongen van 12 jaar was, deed hij de geleerde doctoren van de tempel versteld staan over de opleiding die hij thuis in de Schrift had ontvangen. De omstandigheden waaronder Jezus zich tijdens die paschatijd van zijn ouders afscheidde, vormden er echter de oorzaak voor dat zijn moeder hem berispte: „Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken U met smart!” De knaap Jezus verdedigde zijn predikingsactiviteit en deze woorden bergde Maria ook in haar geheugen op. Jezus had echter gehoorzaamheid aan zijn ouders geleerd en was ook gehoorzaam, want „Hij ging met hen terug en kwam te Nazareth en was hun onderdanig”. — Luk. 2:42-52, NV.
MARIA ALS JEZUS’ DISCIPEL
De zachtmoedigheid en reinheid van Maria’s hart en geest, haar oprechte liefde en toewijding jegens God, het niet aanwezig zijn van zelfzuchtige eerzucht om wegens haar unieke diensttoewijzing uit te blinken, dit alles openbaart zich duidelijk daarin dat zij een toegewijde discipel van Jezus werd. Onderzoek de Schriften maar eens en gij zult nergens bemerken dat zij als „moeder-koningin” of „madonna” met een aureool om haar hoofd op een troon zit, terwijl zij zich in weerspiegelde heerlijkheid van Christus baadt. Gij zult veeleer bemerken dat zij zich op de achtergrond bevindt, waar zij niet opvalt. — Joh. 2:12; Matth. 13:53-56.
Jezus smoorde zoiets als een heidense „mariaverering” onder zijn volgelingen in de kiem. „Terwijl Hij zo sprak, verhief een vrouw uit het volk haar stem, en zei Hem: Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die U hebben gezoogd. Maar Hij zeide: Zalig eerder, die luisteren naar Gods woord, en het beleven [bewaren]” (Luk. 11:27, 28, PC). Verder zeide Jezus op het bruiloftsfeest tot Maria: „Vrouw, wat heb Ik met u te doen?” (Joh. 2:4). Tegenwoordig zouden wij kunnen zeggen: ’Waar bemoeit u zich mee?’ Moderne vertalingen luiden: „Laat de aangelegenheid aan mij over” (Weymouth). „Tracht mij niet iets voor te schrijven.” — AV.
Toen een van Jezus’ toehoorders zijn prediking onderbrak om te zeggen dat zijn moeder en broeders buiten stonden en hem wensten te spreken, wees Christus slechts op zijn discipelen en zei: „Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders. Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder” (Matth. 12:46-50; Mark. 3:31-35; Luk. 8:19-21). Natuurlijk zou Jezus nooit zulk een vergelijking maken wanneer hij niet werkelijk natuurlijke broeders en zusters, kinderen van zijn moeder, had!
Het enige voorrecht en de enige zegening waarin Maria zich verheugde, was dus dat zij eerst het menselijke lichaam van Jezus baarde, daarna het jonge kind verzorgde en oefende, en ten slotte dat zij, door middel van verwantschap met God door geloof, Christus’ discipel en geestelijke zuster werd. Uit het laatste wat wij van Maria in de Bijbel zien, blijkt niet dat men zich voor haar nederboog en dat zij werd vereerd als „Onze Lieve Vrouw”, de „Gezegende Maagd”, maar in plaats daarvan zien wij haar in een opperzaal in het gezelschap van andere getrouwe vrouwen en de apostelen en in het gezelschap van haar andere zonen, terwijl zij daar God en zijn Zoon Christus Jezus aanbaden (Hand. 1:13, 14). In de loop der tijd stierf zij, haar lichaam keerde tot het stof terug, en gelijk de andere Christenen uit de eerste tijd, wachtte zij totdat Gods bestemde tijd was aangebroken waarop zij als een geestelijk schepsel zou worden opgewekt opdat zij leven in de hemel zou verkrijgen. — 1 Kor. 15:44, 50; 2 Tim. 4:8; Openb. 11:15-18.