Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w51 1/1 blz. 13-15
  • Jezus, de getrouwe Zoon van God

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Jezus, de getrouwe Zoon van God
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BEGON OPENBARE BEDIENING OP ZIJN DERTIGSTE JAAR
  • GEHEEL GALILEA HOORT DE KONINKRIJKSBOODSCHAP
  • SPOED VEREIST OM EEN GROOT WERK TE VOLTOOIEN
  • Het werkelijke leven stevig vastgrijpen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • Jezus Christus
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • ’Zijn uur was nog niet gekomen’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
  • „Zij volgden hem”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
w51 1/1 blz. 13-15

Jezus, de getrouwe Zoon van God

IN DE gehele geschiedenis des mensen heeft geen andere geboorte de geboorte van Jezus in belangrijkheid kunnen evenaren. Hij die Gods woordvoerder of Logos was, hij die Gods eerste en enige directe schepping was, hij door middel van wie al het andere werd gemaakt, legde zijn verheven onzichtbare bestaan als een geestelijk schepsel af en werd in menselijk vlees geboren in de nederige gedaante van een mens. Geen wonder dat ten tijde van zijn geboorte engelen jubelend zongen: „Glorie aan God in den hoge, en vrede op aarde onder de mensen van goede wil!” — Joh. 1:1-14, ED; Openb. 3:14; Luk. 2:13. 14, PC.

En waarom legde deze „eniggeboren Zoon” van God zijn hemelse heerlijkheid af en werd een mens (1 Joh. 4:9)? Er zijn verscheidene zeer belangrijke redenen. Daar Jezus werd geboren uit Maria, de dochter van Heli, werd hij een natuurlijke afstammeling van koning David, dus „den zoon van David”. Zijn pleegvader, Jozef die eveneens een natuurlijke afstammeling van koning David was, kon het wettelijke recht op Davids troon aan Jezus overdragen (Matth. 1:1-17; Luk. 3:23-38). Daar Jezus volmaakt werd geboren onder het wetsverbond, kon hij die wet vervullen en tot een eind brengen (Gal. 4:4; Matth. 5:17). Terwijl hij in de gedaante van een slaaf was vernederd, ja, zelfs in de gelijkenis van een zondig mens was, wederstond hij Satan, bewaarde hij zijn onkreukbaarheid en bewees hij dat hij aan de vereisten voldeed de rechtvaardiger van Jehova God te zijn. — Fil. 2:5-8.

Bovendien was Jezus een volmaakt mens, niet meer en niet minder, de nauwkeurig gelijke van de volmaakte mens Adam. Daarom kon hij een volmaakt menselijk leven afleggen als een loskoopprijs voor alles wat Adam verloor, namelijk, het recht op volmaakt menselijk leven en het recht leven te geven aan het nageslacht. — 1 Kor. 15:21, 22.

Het was de herfst van het jaar 2 v. Chr., ongeveer 1 october. De herders waren nog in de open velden en hielden de wacht over hun kudden toen een engel hen over Jezus’ wonderbaarlijke geboorte inlichtte (Luk. 2:8-20). De geboorte van dit beloofde „zaad”, hij die te bestemder tijd de kop van de slang zou vermorzelen, maakte die slang, Satan de Duivel, uiterst toornig (Gen. 3:15). Derhalve trachtte de Duivel het kind Jezus te doden. De ouders vluchtten op een waarschuwing van de Heer naar Egypte. Na de dood van Herodes keerden zij terug en vestigden zich in Nazareth (Matth. 2:1-23). „Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem.” — Luk. 2:40, NV.

Tijdens een Paschafeest in Jeruzalem, toen hij nog maar twaalf jaar oud was, deed hij de geleerde doctoren en wijze mannen van die dagen versteld staan door zijn vragen en antwoorden. Toen Jezus door zijn moeder werd terechtgewezen omdat hij niet met hen naar huis terugkeerde, antwoordde hij tactisch: „Wist gij dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moet zijn?” (Luk. 2:41-49, PC). Terwijl hij opgroeide, leerde hij van zijn pleegvader het timmermansvak en „nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen”. — Luk. 2:52.

BEGON OPENBARE BEDIENING OP ZIJN DERTIGSTE JAAR

Toen Jezus zijn volle leeftijd van rijpheid overeenkomstig de Joodse wet had bereikt, werd hij in de rivier de Jordaan gedoopt. De mensen worden niet in de koude maand december in de Jordaan gedoopt. Het was de herfst van het jaar 29 n. Chr., hetgeen er een bewijs voor vormt dat Jezus niet op 25 december werd geboren (Luk. 3:21-23). Maar waarom werd de zondeloze Jezus gedoopt? Omdat hij zich had gewijd of een overeenkomst had gesloten om voortaan de wil van zijn Vader Jehova en niet zijn eigen wil te doen (Ps. 40:7, 8; Joh. 4:34). Zijn doop symboliseerde dat hij zulk een overeenkomst had gesloten.

Onmiddellijk na zijn doop ging Jezus de woestijn in en bracht daar veertig dagen door die hij besteedde aan het zich voorbereiden op zijn openbare bediening. Aan het einde van die periode kwam de Duivel tot hem met zeer geslepen verzoekingen, welke Jezus met het „zwaard des geestes”, Gods Woord, afweerde (Matth. 4:1-11). Daarna kwam Jezus in contact met enige van de discipelen van Johannes, die zijn metgezellen werden op zijn reis naar het noorden tot in Galilea. Daar in Kana, op het bruiloftsfeest, verrichtte Jezus zijn eerste wonder, het veranderen van water in wijn. — Joh. 1:29-51; 2:1-11.

Lente van het jaar 30 n. Chr. Nu Jezus zes maanden van evangelieprediking achter de rug had en nu het gehele land de tegenwoordigheid van de Messias ging beseffen, was voor Jezus de tijd aangebroken om voor het jaarlijkse Paschafeest naar Jeruzalem te gaan. Daar vond hij de geldwisselaars en zij die ossen, schapen en duiven verkochten middenin de tempel. Aangevuurd door de ijver van Jehova maakte Jezus een zweep van koorden, keerde de geldtafels ondersteboven en terwijl hij de handelaren, het vee en alles er uit joeg, zeide hij: „Weg er mee! Het huis van mijn Vader zal niet in een winkel worden veranderd!” — Joh. 2:13-17, Mo.

GEHEEL GALILEA HOORT DE KONINKRIJKSBOODSCHAP

Waarlijk een man van de daad! Jezus doorkruiste de lengte en breedte van het land, en dat nog wel te voet, al predikende en getuigende tot de mensen: in hun huizen, op de marktplaatsen, langs de openbare wegen, tijdens openluchtvergaderingen, op berghellingen, overal en op elke plaats waar de mensen ook maar wilden luisteren. Bedenk hoe hij de tijd nam om tot die Samaritaanse vrouw aan de fontein van Jakob te spreken (Joh. 4:4-26). Hij besteedde eveneens vele uren aan nabezoeken, gedurende welke hij de huisbewoners verder in de Schriften onderrichtte. En nooit liet hij voor dit alles een collecte houden.

De volgende twee jaren na het Pascha van 30 n. Chr. concentreerde Jezus zijn activiteit in het district Galilea, terwijl hij de aangrijpende boodschap uitbazuinde: „Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!” (Matth. 4:17). Dit was ook zo, want de Koning zelf was tegenwoordig. Maar niet iedereen wilde deze verkondiger van blijde tijdingen aanvaarden. Toen hij bijvoorbeeld in zijn eigen woonplaats Nazareth de synagoge binnenging en uit het boek van Jesaja hoofdstuk 61 voorlas en hij de profetie die daar is vermeld, op zichzelf toepaste, bespotten de mensen hem als slechts een timmermanszoon, en trachtten hem zelfs te doden. In schrille tegenstelling met zijn eigen stadsgenoten waren de inwoners van Kapernaüm, die aandachtig luisterden en ’versteld stonden over zijn leer, want zijn woord was met gezag’. — Luk. 4:16-32, NV.

„En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk” (Matth. 4:23). Deze eerste georganiseerde rondreis in Galilea werd onderbroken door het in 31 n. Chr. gehouden Paschafeest in Jeruzalem. Daar genas Christus een kreupele op de sabbat, en ten gevolge daarvan kwam hij in botsing met de zich aan overleveringen houdende Farizeeën, die hem zochten te doden. Jezus gaf echter alle eer aan Jehova God: „De Zoon kan niets van Zichzelven doen” (Joh. 5:1-47). Toen deze prediker die zulk een klare taal sprak, wederom terug was in zijn gebied in Galilea, sprak hij die prachtige lezing uit welke bekendstaat als de „bergrede”. — Mattheüs, de hoofdstukken 5, 6, 7.

SPOED VEREIST OM EEN GROOT WERK TE VOLTOOIEN

De laatste helft van Jezus’ bediening was vol arbeid en opwinding. Niet eenmaal, maar driemaal moest hij het Galilese gebied bewerken. Hij moest getuigenis geven aan Perea, aan de andere zijde van de Jordaan. Zijn vermaardheid bracht grote menigten op de been die naar de belangrijke Koninkrijksboodschap kwamen luisteren, en toch waren de „verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen”, die in de gelijkenissen lagen opgesloten, alleen voor de discipelen bedoeld (Matth. 13:1-53). Terwijl Jezus voortdurend vele wonderen verrichtte — zoals het genezen van hen die kwalen hadden, de kreupelen en de zieken en het wederom doen leven van de doden — voedde hij ook een menigte van 5000 mannen en een andere menigte van 4000 „zonder de vrouwen en kinderen” (Matth. 14:13-21; 15:32-38). Naast deze openbare demonstraties en lezingen richtte hij het ook zo in dat hij vermaningen kon geven over nederigheid, zachtmoedigheid, liefde tegenover elkander, vergevensgezindheid en barmhartigheid. — Matth. 18:1-35.

Terwijl Christus op zijn derde rondreis in Galilea was, kwam het Pascha, maar hij, vierde dit feest niet zodanig dat er op zijn tegenwoordigheid aldaar de algemene aandacht werd gevestigd. Hij was wederom te Jeruzalem voor het loofhuttenfeest in de herfst van het jaar. De tijd liep toen snel ten einde. De oogst was groot en er waren weinig arbeiders; er waren ternauwernood zes maanden over om het werk te voltooien. Daarom zond Jezus nog zeventig discipelen uit om het gebied voor zijn bediening gereed te maken en vervolgens maakte hij snel een rondreis door Samaria, stak de Jordaan over, ging Perea binnen, stak wederom de Jordaan over ten einde Lazarus uit de dood op te wekken, ging terug door Samaria om Perea nogmaals te bezoeken, en keerde toen slechts een paar dagen voor het grote en laatste Pascha, naar Bethanië terug.

In die korte periode van zes maanden was dus heel wat gereisd en gepredikt, maar dat alles vormde een passende ondergrond voor datgene wat hij tijdens de laatste zes dagen van zijn verblijf hier op aarde zou volvoeren (Luk. 10:1 tot 11:28). Maar desondanks nam hij, terwijl hij dit alles deed, er tijd van af om vriendelijkheid en teder mededogen te betonen jegens allen, de kinderen inbegrepen. — Mark. 10:13-16.

Deze laatste en grootse week, bij wijze van spreken het laatste bedrijf van een verbazingwekkend drama, welk bedrijf het hoogtepunt van Christus’ openbare bediening vormde, werd in en rondom Jeruzalem opgevoerd. Terwijl Christus in een zegepralende optocht Jeruzalem inreed, bood hij zich te midden van vreugdevolle toejuichingen als Koning aan. Vervolgens reinigde hij de tempel voor de tweede maal doordat hij de religieuze afpersers die zijn Vaders huis tot een dievenhol hadden gemaakt, er uit joeg (Matth. 21:1-16). De volgende dag stelde Jezus in zijn gelijkenissen de geestelijken aan de kaak als degenen die schuldig zouden zijn aan het verwerpen en het doden van de Messias, de erfgenaam van het Koninkrijk, en hij klaagde hen verder aan, zeggende: „Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden!” En tegen de natie als een geheel zeide hij: „Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.” — Matth. 21:17 tot 23:39.

Op 14 Nisan, 33 n. Chr., in een opperzaal te Jeruzalem, vierde Jezus met zijn apostelen het laatste Pascha, waste hun voeten als een voorbeeld van onderlinge liefde en dienstbaarheid, stelde met de elf getrouwen het Gedachtenismaal in, en gaf hun daarna veel waardevol onderricht (Joh. 13:2 tot 17:26). Betekenisvolle gebeurtenissen volgden elkander snel op. Het tafereel van zware strijd in de hof van Gethsemane werd gevolgd door het verraad van Jezus en zijn arrestatie en verhoor voor het Joodse hoge gerechtshof, het Sanhedrin. Nadat hij aan de politicus Pilatus was overgeleverd, werd hij naar Herodes gezonden, die hem spottend naar de stadhouder Pilatus terugzond, die, ofschoon hij wist dat Jezus onschuldig was, hem overleverde om te worden gedood, ten einde daardoor de lusten van de bloeddorstige geestelijken te bevredigen (Matth. 26:36 tot 27:31)! Toen deze geliefde Zoon van God tussen dieven aan een vervloekte folterpaal was genageld, riep hij uit, nadat hij urenlang was bespot en gekweld: „Het is volbracht!”

Jezus had een goede strijd gestreden, hij had zijn getuigenis als Gods „trouwe en waarachtige Getuige” voleindigd, hij had bewezen dat de Duivel een leugenaar was, hij had het recht op leven, dat voor het nageslacht van Adam verloren was gegaan, gekocht en hij was inderdaad waardig de grote rechtvaardiger van Jehova God te zijn. Wegens deze gehoorzaamheid wekte Jehova zijn getrouwe Zoon op met een geestelijk lichaam en verhief hem tot een positie in het universum ver boven alle andere schepselen, „opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie . . . en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Here zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders”. — Fil. 2:10, 11.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen