Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w50 1/4 blz. 107-110
  • Een waarschuwende God

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een waarschuwende God
  • De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ISRAËL EN JUDA VOOR HUN VAL GEWAARSCHUWD
  • DE WAARSCHUWING IN JEZUS’ DAGEN
  • Wie zal aan het laatste getuigenis deelnemen?
    De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Zullen de stenen het moeten uitroepen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • De dringendste waarschuwing die ooit werd gegeven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Gods oordelen: Waarschuwt hij altijd lang genoeg van tevoren?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2019
Meer weergeven
De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
w50 1/4 blz. 107-110

Een waarschuwende God

„Zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.” — Ezech. 33:7.

1. Slaat God zonder waarschuwing toe? Door welke voorbeelden wordt dit aangetoond?

JEHOVA God slaat nooit toe zonder te waarschuwen. Heeft hij de eerste wereld zonder te waarschuwen door een watervloed vernietigd? Heeft hij het verdorven Sodom en Gomorra zonder te waarschuwen in een vuurregen uitgebrand? Heeft de Almachtige Egypte onverwachts overvallen, toen hij de ene golf vernietigende plagen na de andere door het land zond? Toen Jehova bewerkte dat Israël en Juda ten gevolge van invallen van vreemde machten werden omvergeworpen, waren de slachtoffers toen niet gewaarschuwd? Had het machtige Babylon, dat gelijk een toverachtige koningin over de volken en natiën heerste, verrast behoeven te zijn en werd het onverhoeds overvallen toen de vijandelijke legerscharen het stormenderhand innamen? En hoe stond het met de verwoesting die in de eerste eeuw n. Chr. over Jeruzalem kwam, viel die slag zonder dat er was gewaarschuwd? Op al deze vragen geven de feiten een luid „Neen!” ten antwoord.

2. Waarschuwt God persoonlijk of door middel van vertegenwoordigers, en waarom?

2 Dit wil niet zeggen, dat Jehova God de aarde persoonlijk bezoekt om een waarschuwing te laten weerklinken. Dat op zich zelf zou voor de mens reeds de vernietiging betekenen, want wanneer hij pijnlijk verbrand en tijdelijk verblind kan worden door een betrekkelijk kleine zon die bijna 150.000.000 kilometer van hem verwijderd is, hoe zou hij dan ooit een bezoek van de „Vader der lichten” kunnen overleven? (Jak. 1:17; Ex. 33:20). Jehova God neemt het vergankelijke vleselijke maaksel van de mens in aanmerking en zendt derhalve zijn waarschuwingen door middel van boodschappers in menselijke gedaante, boodschappers naar wie de gewaarschuwden gemakkelijk kunnen luisteren en die zij om nadere bijzonderheden kunnen vragen. Over deze gewoonte lezen wij, in Jeremia 7:13, 25, 28: „Ik [heb] vroeg en laat tot u . . . gesproken, maar gij [wildet niet] luisteren, en ik [heb u] geroepen, maar gij [wildet niet] antwoorden . . . ik [heb] van de dag af dat uw vaderen uit Egypteland zijn gekomen, tot op deze dag, vroeg en laat al mijn dienaren, de profeten . . . gezonden . . . ’Dit is de natie die niet wilde luisteren naar de stem van de HERE, haar God, de natie die zich niet liet waarschuwen.’” — Een Amer. Vert.

3, 4. Hoevelen nemen de waarschuwing ter harte, zoals door de vloed wordt aangetoond?

3 Jehova’s waarschuwingen zijn zelden door een meerderheid ter harte genomen, hoewel zij gedurende lange perioden geduldig zijn bekendgemaakt. Voor de vloed zag God „dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel [de plannen en wensen] der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was” en dat ook „de aarde was verdorven” (Gen. 6:5, 11, kanttek. King James Vert.). Hij besloot de aarde van de bezoedeling te reinigen, niet door een enkel zaterdagavondbad van een paar minuten, doch door een stortregen van veertig dagen en nachten, waarvan het water pas tien maanden en dertien dagen later van de aarde was opgedroogd!

4 Honderd twintig jaren te voren verwees Jehova reeds naar deze vernietiging. Meer dan twintig jaren gaan voorbij en Noach heeft drie zonen. De zonen groeien tot de manlijke leeftijd op en trouwen, terwijl wellicht nog vijftig of zestig jaren voorbijgaan. Dan vertelt Jehova God Noach van de ophanden zijnde vloed en geeft die rechtgeaarde man de opdracht, tot behoud van hem zelf en zijn gezin de ark te bouwen. Ongeveer veertig of vijftig jaren voor de zondvloed liet Noach een waarschuwend getuigenis over de komst van die vloed weerklinken, waardoor hij de naam „prediker der gerechtigheid” verwierf (Gen. 6:3, 13, 18; 2 Petr. 2:5). Doch de grote meerderheid der mensen spotte, beschouwde Noach als een valse weerprofeet en twijfelde aan de mogelijkheid van een wereldomvattende vloed. God had de aarde echter geschapen, hij kon ze dus ook een bad geven. Nadat Jehova door middel van Noach een waarschuwend getuigenis had gegeven, gaf Hij de aarde dan ook een bad, om de onreinheid die zich op haar oppervlakte had verzameld, weg te wassen.

5. Hoe werd dit in verband met Lot te Sodom aangetoond?

5 Verscheidene eeuwen later zijn de steden Sodom en Gomorra zo diep in zware zonden gezonken, dat het besluit wordt genomen die plaatsen te vernietigen. Er wonen niet eens tien rechtgeaarde mensen, en wanneer de tot mensen gematerialiseerde engelen bij Lot overnachten, probeert een bende mannen en jongens sexuele misdaden tegen hen te bedrijven. Dat zij met blindheid worden geslagen, dient hen voor hun goddeloosheid te waarschuwen, maar zij blijven naar hun slachtoffers zoeken. Wanneer de engelen Lot de opdracht geven, een getuigenis over de ophanden zijnde vernietiging van Sodom af te leggen, doet zijn boodschap hem als iemand die spot of schertst, schijnen. Zelfs zijn eigen huisgezin wordt gedeeld, daar zijn vrouw de instructies niet ernstig genoeg opneemt om bescherming te verkrijgen. Alleen Lot en zijn twee dochters ontkomen, wanneer er „zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra [regent], van den HERE, uit den hemel”. „En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.” — Gen. 18:20, 32; 19:4-28.

6. Hoe waarschuwde Jehova Egypte, en hoe werd er op gereageerd? Waarom?

6 In de zestiende eeuw v. Chr. laat Jehova God in Egypte, door middel van zijn getuige Mozes, Farao verscheidene malen waarschuwen. Voordat elk der plagen begint, wordt de heerser gewaarschuwd; na elke plaag verhardt hij zijn hart. Met een vernietigende uitwerking volgen de tien plagen elkaar in het land op: rivieren veranderen in bloed, kikvorsen komen over het land, luizen overal gelijk stof, daarna zwermen ongedierte, dan veepest, kwellende zweren, een verwoestende hagel, snel gevolgd door de plagen der sprinkhanen en der duisternis, en daarna de rampzalige tiende plaag: de dood van de eerstgeborenen van Egypte! De heidense religieleiders van Egypte trachten deze gebeurtenissen, die een vervulling zijn van het waarschuwende getuigenis dat door Mozes is gegeven, te niet te doen en verkeerd uit te leggen, hetgeen ten slotte geen succes heeft. De plagen werden in het gehele land van die eerste wereldmacht gezien en gevoeld, en de Egyptenaren hadden het door Mozes gegeven getuigenis stellig druk met elkaar besproken. De Israëlieten hadden met de Egyptenaren in verbinding gestaan, met hen gepraat en vele horende oren gevonden, zelfs zoveel, dat er, toen zij ten slotte uit Egypte trokken, ’ook veel vermengd volk met hen optrok’ en getuige was van de vernietiging van Farao’s legers in de Rode Zee. — Ex. 12:38; 7:1–14:31.

ISRAËL EN JUDA VOOR HUN VAL GEWAARSCHUWD

7. Hoe werd het tien-stammen koninkrijk van Israël gewaarschuwd?

7 Lang nadat de Israëlieten Kanaän waren binnengetrokken, na de eeuwen waarin de richters hadden geregeerd en nadat de natie in twee koninkrijken was uiteengevallen, werd het tien-stammen koninkrijk van Israël, met de hoofdstad Samaria, herhaaldelijk door God gewaarschuwd. De profeten Jesaja, Micha en vooral Amos geven Israël een getuigenis over de komende gevangenschap (Jes. 10:5, 11; Micha 1:6; Amos 5:27; 7:11). Maar door de geestdrift en het vuur van Hosea’s berispende en alarmerende woorden weerklinkt het krachtigste getuigenis tegen het tien-stammen koninkrijk. Hoe groot was haar schuld! — het land met bloed bevlekt, roverbenden trekken er door, priesters moorden en bedrijven ontucht, lichamelijke en geestelijke hoererij vieren hoogtij, afgoden die voor demonenaanbidding zijn bestemd, verontreinigen het volk, dat gelijk „eene onnoozele duif zonder verstand” zijn vertrouwen nu eens op Egypte en dan weer op Assyrië, maar nooit op Jehova God stelt. „Zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien!” roept Hosea uit. „Zij zijn opgetogen naar Assur . . . Assur, die zal zijn koning zijn . . . Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden” (Hos. 6:8-11; 7:1-11, Luther; 8:7-9; 11:5; 14:1). Israël werd gewaarschuwd, voordat het in 740 v. Chr door Assyrië gevankelijk werd weggevoerd.

8, 9. Hoe werd het koninkrijk van Juda gewaarschuwd, en hoe werden de beweringen der inwoners weerlegd?

8 Honderd drie en dertig jaren later werd het koninkrijk van Juda, welks middelpunt Jeruzalem was, door Babylon ingenomen. Werd het onverhoeds overvallen? Jehova’s profeten Hosea, Micha, Zefanja, Habakuk, Jesaja, Jeremia, Ezechiël — zij allen hadden getuigenis afgelegd over de aanstaande ramp. Micha, Hosea en Jesaja hadden ongeveer 150 jaren voor de val getuigenis afgelegd (Micha 3:10-12; 4:10; Hos. 5:5; Jes. 3:8; 5:13; 39:6, 7). Tijdens de veertig jaren die aan de verwoesting voorafgingen, werd Jeremia beschimpt en bespot, geslagen en in de gevangenis gezet, doch desondanks gaf hij de tot ondergang gedoemde stad tot de tijd van haar val getuigenis. Hij waarschuwde zelfs voor de lengte der verwoesting: „Zo zegt de HERE der heerscharen: Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord; ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HERE; en tot Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.” — Jer. 25:8, 9, 11.

9 Er was besloten deze stad, die Gods naam droeg, te vernietigen, omdat zij was afgeweken van de aanbidding van Jehova, wierook had geofferd aan Baäl, drinkoffers had uitgestort voor heidense goden, kinderen aan Molech had geofferd en de profeten die waren gezonden om haar te waarschuwen, had bespot. Ja, deze Jeremia en anderen gelijk hij konden slechts over onheil huilen, zij waren mislukkelingen, fanatiekelingen, ontevredenen, zij waren tegen alles en iedereen gekant, zeiden de mensen. Al de jaren door voorzeiden de profeten de ondergang, en al de jaren door spotten de mensen. Zij zeiden: „De HERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.” Zij zeiden: „De HERE ziet ons niet, de HERE heeft het land verlaten.” Zij zeiden: „De dagen gaan voort, de gezichten komen niet uit! . . . het gezicht dat hij ziet heeft betrekking op verre dagen, hij profeteert voor de verre toekomst” (Zef. 1:12; Ezech. 8:12; 12:22, 27, Obbink). Doch God zelf weerlegt hun beweringen: „De dagen zijn nabij, nabij de vervulling van alle profetie. Voorbij zijn alle voorgewende visioenen . . . Maar Ik, Jahve, zal dan spreken, en wat Ik spreek, dat wordt uitgevoerd en niet meer uitgesteld. Ja, in uwe dagen, weerspannig ras, zal Ik woorden spreken die Ik voltrek.” — Ezech. 12:23-25, 28, De Kath. Bijbel.

10. Aan wie zou de waarschuwing in vervulling gaan? En gebeurde dit ook?

10 Het schrandere volk had ongelijk! De profeten van God hadden gelijk! Het getuigenis over de ondergang gold niet de verre toekomst of verafgelegen tijden. Het gold hun dagen, en doordat Ezechiël over de ophanden zijnde verwoesting herhaaldelijk visioenen had gekregen, was hij geschikt, als wachter waarschuwingen te laten weerklinken: „Ik heb u tot een wachter gesteld voor het huis van Israël; zoodat gij uit mijnen mond het woord zult hooren, en hen van mijnentwege waarschuwen” (Ezech. 33:7, Van der Palm). Ook door middel van Habakuk openbaarde Jehova dat het niet in verafgelegen dagen zou komen, maar over hen die het waarschuwende getuigenis hoorden: „Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden. Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk; trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. . . . Het zal de gevangenen verzamelen als zand.” — Hab. 1:5-9.

11, 12. Waarom behoefden Babylon en Assyrië niet verrast te zijn over hun val?

11 Jehova God had de zegevierende opkomst van Babylon tegen Juda voorspeld, maar hij had ook de val van dit rijk voorzegd. Babylon nam goedkeurend kennis van de profetieën die ten gunste van haar waren en betoonde Jeremia deswegen speciale welwillendheid, doch het vergat de daarmede gepaard gaande voorzegging van zijn val: „Het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen” (Jer. 25:12). Op Habakuks woorden dat over Babylons hoofd een vergeldende gerechtigheid zou komen, werd geen acht geslagen (Hab. 2:8). Het verbazendste was echter Jesaja’s getuigenis over de ineenstorting van Babylon, dat ongeveer tweehonderd jaren te voren was gegeven. Breedvoerig bespot hij het machtige Babylon wegens zijn val en in bijzonderheden vertelt hij hoe deze val zal worden bewerkstelligd. De veroveraars zullen de Meden en Perzen zijn, de militaire aanvoerder zal Kores zijn, en de stadspoorten met twee deuren zullen zorgeloos voor hem opengelaten blijken te zijn (Jes. 21:2, 9; 45:1-4; hoofdst. 13, 14, 47). Babylon had dus niet ontsteld behoeven te zijn, toen Daniël in 539 v. Chr. het handschrift op de wand voorlas, waardoor in de laatste seconde nog een getuigenis over de ondergang werd gegeven. — Dan. 5:25-30; 6:1.

12 Evenmin had het machtige Assyrië ontzet behoeven te zijn, toen dit rijk aan de beurt kwam de bittere pil te slikken die het eens Israël had opgedrongen, namelijk, de nederlaag die het in 625 v. Chr. door Nebukadnezar werd toegebracht. Jehova’s profeten Micha, Jesaja en Zefanja hadden hiervan melding gemaakt en Nahum had er van te voren een omstandig getuigenis over afgelegd. — Micha 5:5; Jes. 10:12-16; Zef. 2:13-15; Nahum hoofdst. 1-3.

DE WAARSCHUWING IN JEZUS’ DAGEN

13. Met welke boodschap liet Jezus een waarschuwing weerklinken, en waarom?

13 Doch het herstel van de ware aanbidding in de herbouwde tempel te Jeruzalem, dat op de bevrijding uit de gevangenschap volgde, was niet blijvend. Naarmate de jaren verstreken, kwamen er meer formalistische ceremoniën en rabbijnse overleveringen, totdat de ware aanbidding tegen de tijd dat Christus Jezus eeuwen later verscheen, door dergelijke weelderige, verstrikkende aanwassen bijna was gesmoord en verstikt. Wederom was het tijd voor een waarschuwing! Wederom was het tijd voor een getuigenis ten gunste van de ware aanbidding! Christus Jezus aarzelde niet, in deze behoefte te voorzien. Nadat hij door onderdompeling is gedoopt en terwijl hij in de provincie Galilea pioniert, weerklinkt de bezielende roep van zijn lippen: „Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!” Met brandende ijver neemt hij deze boeiende roep over, die eens uit de mond van Johannes de Doper heeft geklonken en hij begint met een opschudding-verwekkende waarschuwings- en getuigenisveldtocht, die alle voorafgaande krachtsinspanningen in de schaduw zal stellen. Een waarschuwing tegen het moeras der religieuze overleveringen waarin de massa verzonk en ten onder zou gaan, een getuigenis over de feiten en profetieën die aantoonden dat hij Jehova’s Messias, de Christus, was!

14. Waar predikte hij, en waarom daar?

14 Hij ging naar het hartje van de dichtbevolkte streken. Hij ging van huis tot huis, waarschuwend en getuigend. Doch de tijd was kort en de massa moest worden bereikt. Daarom predikte hij op de straten, op de openbare pleinen, in de synagogen _ overal en allentwege. Terwijl hij van dorp tot dorp en van stad tot stad gaat, nemen de luisterende menigten toe en zijn faam verbreidt zich, totdat grote scharen komen aanstromen om naar hem te luisteren, niet alleen uit Galilea, maar ook uit Samaria en de zuidelijkste provincie Judea en zelfs van de andere zijde van de Jordaan. De steeds groter wordende menigten noodzaken hem, de enge stadsgebieden te verlaten en openbare vergaderingen te beleggen op uitgestrekte open ruimten, waar de groeiende duizendkoppige menigten een plaats kunnen vinden. Op zeekusten en oevers van rivieren, in woestijnen en op bergen, al deze plaatsen werden gebruikt toen Jezus getuigde van de Koninkrijkszegeningen en waarschuwde voor de rabbijnse valstrikken. — Matth. 4:12-25; 5:1; 9:35; 14:13-15; 15:32, 33; Mark. 4:1; 8:1-4; Luk. 8:1; 20:1.

15. In welke ondubbelzinnige bewoordingen waarschuwde hij, en waarom?

15 Toen Christus Jezus Gods waarschuwing bekendmaakte, deed hij geen schijnaanval, zoals dit bij het schaduwboksen geschiedt, en evenmin gebruikte hij diplomatische dubbelzinnigheden. Deze waarschuwing was een zaak van leven of dood en ze werd duidelijk, onbemanteld en onverbloemd gegeven. De valse religieuze leiders uit die dagen waren blinde leidslieden, die andere blinden naar de gracht der vernietiging leidden, doordat zij overleveringen leerden die Gods woord krachteloos maakten, vleiende titels begeerden, opvallende gewaden aantrokken, zich op de voorgrond drongen, ter wille van het effect langdradige gebeden uitspraken, werken deden om van de mensen te worden gezien, huichelaars waren die de mug uitzegen doch de kemel doorzwolgen en die uiterlijk vroom en heilig leken, doch binnenin godslasterlijk onrein waren. Op grond van de feiten brandmerkte hij hen als leugenaars en dwazen, slangen en adders, en zonen van Satan, de voornaamste slang. Hij waarschuwde die goddeloze geestelijken, dat over hun geslacht bloed zou worden vergoten, dat hun huis hun woest gelaten zou worden en dat in de tempel geen steen op de andere gelaten zou worden, en vorsend vroeg hij hun: „Hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?” — Matth. 15:1-14; 23:1-38; 24:1, 2; Joh. 8:44.

16. Wat was de reactie op de prediking van Jezus en zijn discipelen?

16 De waarschuwing en het getuigenis van Christus Jezus waren voor de religieuze weiden van de schriftgeleerden en Farizeeën zo verwoestend, dat zij tot elkander jammerden: „Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na” (Joh. 12:19). Op aandrijving van de Satan brachten zij zijn tong in de dood tot zwijgen, doch tegen die tijd had Jezus apostelen en discipelen uitgekozen en opgeleid, opdat zij in zijn voetstappen zouden treden, en zij zetten de veldtocht voort. Zij volgden zijn methoden, maakten van dezelfde plaatsen gebruik en werden met hetzelfde succes gezegend. Doordat zij „in het openbaar, en van huis tot huis” predikten, nam het aantal verkondigers van het Koninkrijk toe (Hand. 20:20, Lipman; 18:28). Evenals Christus Jezus haalden zij zich de toorn van de hen vervolgende schriftgeleerden en Farizeeën op de hals. Waarom? Omdat het resultaat van hun intensief waarschuwingswerk gelijk was aan dat van de op een wervelwind gelijkende getuigenisveldtocht van Jezus, zoals wordt weerspiegeld door het angstige geroep der gekwetste religie-aanhangers, dat de apostelen en discipelen „de wereld in opschudding gebracht” hadden (Hand. 17:6, Nw. Vert.). Daarmede bedoelden zij hun kleine religieuze wereld, die op het verkeerde fundament der pracht en praal en ceremonie, op het drijfzand der mondelinge overlevering was gebouwd. Zij wilden liever de status quo van de religieuze handelszaak van hun dagen handhaven.

17. Ontkwamen de achteloze gewaarschuwde mensen? En waarom?

17 Desondanks werden hun positie en hun natie die zij trachtten te redden door het bloed van Jezus en zijn volgelingen te vergieten, niet gered. De slachtoffers van de zondvloed hadden Noachs waarschuwing ook niet te niet kunnen doen door de wateren naar hun hemelse verblijfplaats terug te zenden. Evenmin hadden de Sodomieten de regen van vuur kunnen blussen, of had de woedende Farao een tegenwicht tegen de tien plagen kunnen vormen. Juda had de Babyloniërs evenmin kunnen terugslaan als Israël voordien de binnenvallende Assyriërs had kunnen tegenhouden. Doch ook die heidense natiën konden op hun beurt God niet tot een leugenaar stempelen, door langer te bestaan dan de tijd die voor hun ineenstorting was vastgesteld. De Joodse natie ten tijde van Christus kon de waarschuwing die Jehova door middel van de prediking van zijn geliefde Zoon wijd en zijd had laten bekendmaken, evenmin ledig tot hem doen terugkeren (Jes. 46:10, 11; 55:11). De „adderengebroedsels” zagen tijdens hun leven hun positie en natie nog verloren gaan, en hun stad en tempel omvergeworpen worden, terwijl zij zelf niet aan de „helse verdoemenis” of het „oordeel der Gehenna” ontkwamen. — Matth. 23:33, Am. Stand. Vert., kanttek.

18. Hoe staat het derhalve met „deze tegenwoordige boze wereld”?

18 Evenmin zal „deze tegenwoordige boze wereld” aan het vernietigende geweld van Armageddon ontkomen waarvoor zij juist nu wordt gewaarschuwd!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen