MENAHEM
(Mena̱hem) [trooster].
De zoon van Gadi, die tien jaar (ca. 791–780 v.G.T.) koning van Israël was. Toen Menahem vernam dat Sallum koning Zacharia had vermoord, trok hij van Tirza naar Samaria en doodde daar de moordenaar. Vervolgens nam hij de heerschappij op zich. Klaarblijkelijk sloeg Menahem gedurende het begin van zijn regering Tifsah „met al wat erin was en het daarbij behorend gebied, van Tirza uit, omdat het niet geopend had”. De stad was waarschijnlijk onwillig haar poort voor hem te openen (LXX; Vg; Sy). De bevolking van Tifsah werd hardvochtig behandeld: „Al zijn zwangere vrouwen reet hij open.” — 2 Kon. 15:10, 13-17.
Menahem deed wat slecht was in Jehovah’s ogen. Hij bevorderde de kalveraanbidding en week niet af van de zonden van Jerobeam, de eerste koning van het tienstammenrijk. Gedurende zijn regering deed koning Pul (Tiglath-Pileser III) een inval in Israël en werd Menahem gedwongen die Assyrische monarch „duizend talenten zilver” te betalen. Hij bracht deze som bijeen door van elkeen van de „dappere, sterke mannen” van Israël een vast bedrag van 50 sikkelen zilver te vorderen. Aangezien een talent zilver met ongeveer 3000 sikkelen overeenkwam, moesten ongeveer 60.000 personen deze som opbrengen. Menahem gaf het zilver aan de Assyrische koning „opdat zijn handen met hem zouden blijken te zijn om het koninkrijk in zijn eigen hand te bevestigen”. Nadat Pul dit bedrag had ontvangen, trok hij weg uit het land. — 2 Kon. 15:19, 20.
In een inscriptie van Tiglath-Pileser III wordt Menahem aangeduid als „Menahem van Samaria” (Minehimmu Samarina), en hij wordt daar samen met de Syrische koning Rezin (Rasunnu) en koning Hiram (Hirumu) van Tyrus (een andere dan de Hiram uit de tijd van David) vermeld als een heerser van wie die Assyrische monarch beweerde schatting te hebben ontvangen. Menahem stierf omstreeks 780 v.G.T. en zijn zoon Pekahia volgde hem op de troon van Israël op. — 2 Kon. 15:22.