PREI.
Een van de voedingsmiddelen waarnaar de gemengde schare en de Israëlieten in de wildernis hevig verlangden (Num. 11:4, 5). Het in deze tekst met „prei” weergegeven Hebreeuwse woord cha·tsirʹ wordt elders over het algemeen met „gras” of „groen gras” vertaald. Er bestaat echter een gegronde reden om in Numeri 11:5 een uitzondering te maken, aangezien hier de weergave met „prei” door oude bijbelvertalingen zoals de Septuaginta, de Pesjitta en de Vulgaat ondersteund wordt. Dit voedingsmiddel wordt genoemd in combinatie met uien en knoflook, typische voedingsgewassen die veel overeenkomst vertonen met prei, waaruit blijkt dat er een bepaalde groente, en niet zo maar gras in het algemeen, bedoeld wordt. Prei is in Egypte bovendien van oudsher zeer geliefd en wordt daar evenals in Palestina nog steeds veel gegeten.
Prei heeft veel weg van de ui, maar onderscheidt zich daarvan door haar zachtere smaak, haar smalle, cilindrische bol en haar sappige, grasachtige bladeren, die ongeveer 2,5 cm breed zijn. De bloemstengel, die in een grote, dichte, bolvormige bloementros eindigt, kan een hoogte van ongeveer 60 cm bereiken. De bol en de bladeren van deze tweejarige plant worden als groente gekookt en als toekruid gebruikt; men eet ze ook rauw.
[Illustratie op blz. 1267]
De prei onderscheidt zich van de ui door de smalle, cilindrische bol