JEHUDI
(Jehu̱di) [een jood].
Een beambte van koning Jojakim die van de vorsten van Juda de opdracht kreeg Baruch bij hen te brengen en hem de boekrol van Jeremia te laten meenemen. Toen Jehudi dezelfde rol later aan Jojakim voorlas, sneed de koning het ene stuk na het andere af en verbrandde het, totdat de hele rol vernietigd was. — Jer. 36:14, 21-23, 27, 32.
Jehudi was een achterkleinzoon van Kuschi (Jer. 36:14). Zijn naam (die „een jood” betekent), evenals die van zijn voorvader, wijst er volgens sommigen op dat hij geen jood van geboorte was, maar een proseliet, aangezien de naam van zijn overgrootvader doet vermoeden dat de familie uit Kusch (Ethiopië) afkomstig was. De mannen van de twee tussenliggende geslachten dragen echter typisch joodse namen (zijn vader Nethanja, en zijn grootvader Selemja) en zelfs de naam Kuschi wordt elders aangetroffen als de eigennaam van een geboren jood (Zef. 1:1). Jehudi was dus hoogstwaarschijnlijk eenvoudig een eigennaam, die Jehudi niet pas als proseliet had aangenomen, maar bij zijn geboorte had gekregen.