BLOEDWREKER.
Het Hebreeuwse woord go·’elʹ (dat op de bloedwreker van toepassing kan zijn) is een deelwoord van het werkwoord ga·’alʹ, dat „terugwinnen, terugeisen, terugkopen of loskopen” betekent. In het Hebreeuwse rechtswezen had het begrip oorspronkelijk betrekking op de naaste mannelijke bloedverwant, die verplicht was het bloed van een gedode te wreken (Num. 35:19). Mettertijd kreeg de uitdrukking go·’elʹ een ruimere betekenis doordat er ook een „bloedverwant met het recht tot terugkoop (of loskoop)” mee werd aangeduid. — Vergelijk Leviticus 25:48, 49.
De bloedwraak berust op de met de heiligheid van het bloed en het menselijk leven in verband staande opdracht die aan Noach werd bekendgemaakt en waarin Jehovah zei: „Bovendien zal ik uw bloed van uw zielen terugeisen. . . . van de hand van een ieder die zijn broeder is, zal ik de ziel van de mens terugeisen. Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden, want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt” (Gen. 9:5, 6). Een opzettelijke moordenaar moest door de „bloedwreker” ter dood worden gebracht; er mocht geen losprijs voor zo’n moordenaar worden aangenomen (Num. 35:19-21, 31). David was zeer misnoegd toen Joab en Abisaï Abner doodden onder het voorwendsel het bloed van hun broer Asaël te moeten wreken. In werkelijkheid had Abner namelijk uit zelfverdediging gehandeld toen hij Asaël in de strijd doodde en had hij hem van tevoren uitdrukkelijk gewaarschuwd. Vandaar dat er geen bloed gewroken behoefde te worden. — 2 Sam. 2:22, 23; 3:27-30.
Jehovah zal ervoor zorgen dat het onschuldige bloed van al zijn getrouwe dienstknechten te bestemder tijd wordt gewroken. — Deut. 32:43; Openb. 6:9-11.
Jehovah’s rechtvaardige wetten maakten een duidelijk onderscheid tussen opzettelijke en onopzettelijke doodslag. In het laatste geval was er liefdevol voorzien in toevluchtssteden om de onopzettelijke doodslagers tegen bloedwrekers te beschermen (Num. 35:6-29; Deut. 19:2-13; Joz. 20:2-9). Ook werden er gerechtshoven ingesteld, die gevallen moesten behandelen waarbij het om kwesties van bloedschuld ging. — Deut. 17:8, 9; 2 Kron. 19:10.