BLOEDZUIGER.
Een bloedzuigende worm met een plat, geleed lichaam dat aan beide uiteinden spits toeloopt, maar aan het achtereind het breedst is. Bloedzuigers zijn ongeveer 1-10 cm lang en hebben aan elk uiteinde van het lichaam een hechtschijf of zuignap. De voorste zuignap is met getande kaken bewapend. Bloedzuigers zijn hermafrodiet, d.w.z. tweeslachtige dieren. De meeste bloedzuigers leven in zoet water, maar er zijn ook variëteiten die in de zee of op het land leven.
De bloedzuiger wordt in de bijbel slechts één keer genoemd, en wel in Spreuken 30:15, waar gezinspeeld wordt op een onverzadigbare begerigheid, want er wordt gezegd: „De bloedzuigers hebben twee dochters die roepen: ’Geef! Geef!’” Bijbelcommentator Cook neemt aan dat met de „dochters” van de bloedzuiger zijn begerigheid wordt bedoeld en dat door de meervoudsvorm de intensiteit van de begerigheid tot uitdrukking komt. Anderen zijn van mening dat met de „twee dochters” de twee lippen van de mondzuignap van de bloedzuiger worden bedoeld. Een bloedzuiger kan ongeveer driemaal zijn eigen gewicht aan bloed opnemen, terwijl een krachtige antistollingsstof in zijn speeksel ervoor zorgt dat het bloed ononderbroken uit zijn slachtoffer stroomt.