Een belofte die ik beslist wil houden
VERTELD DOOR MARIAN TSIBOULSKI
IN FEBRUARI 1945 was ik een twintigjarige soldaat in het sovjetleger, dat de Duitsers honderden kilometers naar hun eigen land had teruggedreven. Ik had dagelijks de verschrikkingen van de oorlog gezien, met links en rechts van mij sneuvelende kameraden. Wij waren Breslau (Duitsland), nu Wrocław (Polen), genaderd. Het afslachten en het leed beu beloofde ik God daar op een avond dat als hij mij veilig thuis zou laten komen, ik mijn leven zou wijden aan het doen van zijn wil.
Drie maanden later was Duitsland verslagen. Nadat ik uit het leger was ontslagen, kwam ik in december 1945 Rogizno binnensjokken, een dorp in de buurt van Lvov, nu Lviv, (Oekraïne), de geboortestad van mijn vader. De volgende ochtend ontmoette ik een van Jehovah’s Getuigen en kreeg een grondig getuigenis over Gods koninkrijk. Hoewel ik al iets wist over de bijbel en zelfs wat lectuur van de Getuigen had gelezen, werd mijn hart nu geraakt. Ik besefte dat deze ontmoeting iets met mijn belofte te maken had.
Ik kom mijn belofte na
Al gauw kreeg ik een baan als onderwijzer op de lagere school. Maar nog geen twee jaar later, toen het hoofd van de plaatselijke onderwijsinspectie besliste dat kinderen atheïstisch onderwijs moesten ontvangen, werd ik ontslagen. Omstreeks dezelfde tijd, mei 1947, begon ik met Jehovah’s Getuigen aan het openbare predikingswerk deel te nemen. De Getuigen moedigden me aan naar het stadje Borislav in het zuiden te verhuizen, waar ik snel werk vond als elektricien.
In Borislav ontmoette ik mensen die in de jaren ’30 Getuigen waren geworden. Zij hadden veel bijbelse publikaties, waarin ik vaak las, met inbegrip van delen van „Schriftstudiën” en het merendeel van de boeken die waren geschreven door Joseph F. Rutherford, voormalig president van het Wachttorengenootschap. Ik las ook oude uitgaven van De Wachttoren en Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!), die sommige Getuigen hadden. Maar wat de meeste indruk op me maakte, was een verzameling brieven van Duitse Getuigen die onder het Hitlerregime tot de doodstraf waren veroordeeld. Deze brieven waren in het Pools vertaald, gestencild en vervolgens als brochure gebundeld. Later, wanneer ik aan de rechtschapenheid van die Duitse broeders dacht, putte ik daar kracht uit om beproevingen te verduren.
Uiteindelijk, in 1949, werd ik in een van de meren bij Borislav gedoopt, waarmee ik formeel de belofte om God te dienen nakwam die ik aan het front had gedaan. Maar nu was het een op nauwkeurige kennis gebaseerde belofte.
Mijn beproevingen beginnen
Het duurde niet lang of ik raakte mijn baan kwijt. Dus verhuisde ik in februari 1950 naar de nabijgelegen stad Striej, waar ik weer werk vond als elektricien. Ik werd hartelijk ontvangen door mijn christelijke broeders en zusters en kreeg zelfs de uitnodiging om de jaarlijkse Gedachtenisviering ter herdenking van de dood van Jezus Christus te leiden, die een paar weken later zou plaatsvinden.
In die tijd werden de Getuigen steeds meer getreiterd en bedreigd. Wij werden door leden van de KGB, het Comité voor Staatsveiligheid, gevolgd. Wij namen dan ook voorzichtigheid in acht en bereidden ons voor op een mogelijke arrestatie en ondervraging. Het zingen van Koninkrijksliederen op vergaderingen hielp ons geestelijk sterk te blijven.
Op 3 juli 1950 werd mij gevraagd de Vredesoproep van Stockholm te tekenen, een oproep tegen kernwapens die naar verluidt door meer dan 273.000.000 mensen, voornamelijk burgers van communistische landen, getekend is. Toen ik dat weigerde en uitlegde dat ik politiek neutraal was, werd ik weer ontslagen. Na dit incident werd ik gearresteerd, berecht en veroordeeld tot 25 jaar dwangarbeid.
Van kamp tot kamp
In december 1950 werden velen van ons in een veewagon geladen en ongeveer 3000 kilometer ver weg gestuurd, naar een gebied in de buurt van het noordelijke Oeralgebergte, dat Aziatisch Rusland gedeeltelijk scheidt van Europees Rusland. Daar werd ik in het ene kamp na het andere opgesloten. Het was overal hetzelfde — hard werken en karige maaltijden. Twee of drie maanden waren voldoende om jonge, gezonde mannen in levende lijken te veranderen. Velen stierven. Wij durfden niet van overleving te dromen en degenen onder ons met lange straffen al helemaal niet.
Het jaar dat ik geen bijbelse lectuur had en geen contact met andere Getuigen was het moeilijkste voor mij. Het isolement was een pure marteling. Maar ik werd geestelijk gesterkt wanneer enkele gevangenen luisterden als ik met hen over Gods koninkrijk sprak. Uiteindelijk werd mijn innige gebed verhoord en werd ik overgeplaatst naar een groot complex van kampen in de pasgestichte stad Angarsk (Oost-Siberië), zo’n 2000 kilometer zuidoostwaarts. Daar was een grote chemische fabriek in aanbouw en het merendeel van het werk werd door gevangenen gedaan.
Ik werd toegewezen aan kamp 13, vlak bij het bouwterrein. Daar trof ik al meteen andere Getuigen, die me de nieuwste uitgaven overhandigden van De Wachttoren en de Informateur, zoals Onze Koninkrijksdienst toen werd genoemd. Wat een geestelijk feestmaal! Maar waar kwam het allemaal vandaan?
In april 1951 waren duizenden Getuigen uit Oekraïne naar Siberië verbannen, van wie velen naar gebieden niet ver van Angarsk vandaan. Deze broeders wisten uitgaven van De Wachttoren en andere publikaties te bemachtigen, vermenigvuldigden ze in het geheim en smokkelden ze vervolgens de kampen binnen. Wij konden ook aan een bijbel komen. Wij maakten er deeltjes van, die wij onder elkaar lieten circuleren. Zo zou ingeval een barak doorzocht zou worden, alleen een deel van de bijbel verloren gaan. Wij leidden zelfs een Wachttoren-studie en een theocratische bedieningsschool in de kampen!
Eind 1952 werd ik naar kamp 8 overgeplaatst. In maart van het jaar daarop hielden wij de Gedachtenisviering in een kleine ruimte waar gevangenen hun persoonlijke bezittingen bewaarden. Er waren maar twaalf aanwezigen — drie Getuigen en negen geïnteresseerden. De autoriteiten kwamen hier op de een of andere manier achter en ik werd naar strafkamp 12 verbannen omdat ik zoals zij het noemden „een kwaadaardige onruststoker” was. Vijf andere Getuigen, die eveneens wegens prediken gestraft werden, waren al in dit kamp. Daar werden wij gedwongen een groot gebied voor een fundament af te graven met slechts pikhouwelen en spaden.
Veel gevangenen in kamp 12 waren misdadigers van de ergste soort. De autoriteiten dachten kennelijk dat zij ons door ons bij hen te stoppen zouden demoraliseren. Maar wij spraken met hen over Gods koninkrijk en in de barakken zongen wij Koninkrijksliederen. Nadat wij een keer met zingen gestopt waren, voelde de leider in het kamp zich gedrongen tegen een Getuige te gaan zeggen: „Als iemand het waagt jullie met een vinger aan te raken, sla ik zijn kop eraf!” Zelfs sommige misdadigers leerden onze Koninkrijksliederen en zongen mee!
Halverwege 1953 werden veel Getuigen vanuit andere kampen naar kamp 1 overgeplaatst. Aanvankelijk hadden wij 48 Getuigen in kamp 1, maar in nog geen drie jaar was ons aantal tot 64 uitgegroeid. Ja, in die tijd namen zestien personen hun standpunt voor de bijbelse waarheid in en werden gedoopt! Hoewel de kampautoriteiten altijd op zoek waren naar sporen van religieuze activiteit, konden wij onze vergaderingen en doopplechtigheden in het badhuis van het kamp houden omdat degene die daarover ging een Getuige was.
Vrijheid en een gezin
In 1956 werden de meeste Getuigen in de kampen vrijgelaten, waardoor boodschappers van het goede nieuws tot in alle uithoeken van het uitgestrekte sovjetgebied werden verspreid. Mijn gevangenisstraf van 25 jaar was teruggebracht tot 10 jaar en uiteindelijk tot 6 jaar en 6 maanden. Dus in februari 1957 werd ook ik vrijgelaten.
Ik ging eerst naar Birjoesinsk, een stadje in Siberië, ongeveer 600 kilometer ten noordwesten van Angarsk. Veel Oekraïense Getuigen waren naar dat gebied gedeporteerd, en ik vond het fijn ervaringen met hen uit te wisselen en iets over mede-Getuigen te vernemen die wij gemeenschappelijk kenden. Vandaar ging ik terug naar Borislav (Oekraïne) waar een Oekraïense Getuige, Eugenia Batsjinskaja genaamd, woonde. Zij was één jaar voor mij uit de gevangenis vrijgelaten.
Eugenia was een standvastige Getuige die in 1950 tot de doodstraf was veroordeeld wegens haar predikingsactiviteit. Maar na 18 dagen in de dodencel werd haar straf teruggebracht tot 25 jaar in een speciaal kamp. Toen ik tegen eind 1957 naar Oekraïne terugkeerde, trouwden wij. Na ons trouwen wilden wij ons in Borislav vestigen, waar ik negen jaar voordien was gedoopt. In plaats daarvan kreeg ik 48 uur om Oekraïne te verlaten!
Ik verhuisde naar de Kaukasus, in Zuid-Rusland, waar Eugenia zich later bij me voegde. Maar na daar ongeveer zes maanden in een schuurtje te hebben gewoond, vertrokken wij naar Birjoesinsk om met onze verbannen christelijke broeders en zusters samen te werken. Er waren er ongeveer 500 in vijf gemeenten in Birjoesinsk en ik werd als presiderend opziener over een van de gemeenten aangesteld. In 1959 werd onze dochter Oksana geboren en Marianna volgde in 1960. Van kindsbeen af zijn zij altijd op de vergaderingen geweest en zij zijn opgegroeid met het geestelijke ritme van gemeenteactiviteit in Siberië.
De Siberische autoriteiten waren betrekkelijk tolerant ten aanzien van onze gemeenteactiviteiten, althans vergeleken bij de strenge beperkingen waaraan ons werk in Oekraïne onderhevig was. Toch was het niet gemakkelijk om met de hele gemeente te vergaderen. Begrafenissen boden ons gelegenheden om in grote aantallen samen te komen. Verscheidene broeders hielden bij die gelegenheden leerzame bijbellezingen. Maar wanneer de autoriteiten erachter kwamen wat er gebeurde, kwamen zij in actie. Zo werd op een keer een begrafenisstoet stilgehouden en de kist met geweld naar het kerkhof gebracht en begraven.
Terug naar Oekraïne
In 1965 gingen wij terug naar Oekraïne en vestigden ons in Krementsjoeg. Deze stad, zo’n 800 kilometer ten oosten van Borislav, had maar twaalf Getuigen. Wij hebben daar ongeveer vijf jaar gewoond; het grootste deel van die tijd bediende ik gemeenten als reizende opziener. In 1969, toen onze dochters negen en tien waren, werd ons gevraagd naar het zuiden te verhuizen en de broeders in het stadje Molotsjansk te helpen.
In Molotsjansk werd ik door de KGB ontboden voor een onderhoud dat ettelijke uren duurde. Dat gebeurde zelfs zes keer! Telkens werd mij een schitterende toekomst beloofd als ik mijn banden met de „Jehovisten” zou verbreken. Uiteindelijk was het geduld van de KGB op en kregen een andere Getuige en ik een jaar gevangenisstraf.
Nadat ik mijn straf had uitgezeten, verhuisde ik in 1973 met mijn gezin naar een dorpje vlak bij Krementsjoeg. Wij hielden in het geheim christelijke vergaderingen in ons huis, met inbegrip van de Gedachtenisviering van Christus’ dood in 1974. De volgende ochtend werd ons huis doorzocht en werd ik gearresteerd.
Berechting, dwangarbeid en verbanning
Mijn berechting vond achter gesloten deuren plaats en werd alleen bijgewoond door personen die daarvoor uitgenodigd waren. De aanwezigen waren hoge functionarissen en leiders van de gemeenschap, de elite van de maatschappij. Ik wilde geen advocaat en kreeg 45 minuten om mijn eigen verdediging te voeren. De dag voor de zitting waren Eugenia en onze dochters op hun knieën in gebed gegaan en hadden Jehovah niet gevraagd of ik een lichtere straf zou krijgen of vrijgelaten zou worden, maar alleen dat er een goed getuigenis over het Koninkrijk en Jehovah’s heilige naam gegeven zou worden.
De rechter begon de zitting met het voorlezen van verscheidene passages uit De Wachttoren en Ontwaakt! De reactie van de aanwezigen was niet wat de rechter had verwacht. Toen zij hoorden dat deze goddeloze wereld in Armageddon van het toneel zou verdwijnen en dat Gods koninkrijk over de aarde zou regeren, raakten zij in de war — niet wetend wat zij moesten geloven. De rechter zag al gauw zijn fout in en tijdens mijn slotrede probeerde hij zich eruit te redden door mijn betoog voortdurend te onderbreken. Maar door rechtstreeks uit onze publikaties voor te lezen had de rechter bijgedragen tot een schitterend getuigenis, en mijn hart liep over van dankbaarheid. Niettemin werd ik tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld, gevolgd door vijf jaar ballingschap.
Ik bracht de volgende vijf jaar door onder verstokte misdadigers in het verre noorden in het werkkamp van Jodva in de Autonome Socialistische Sovjetrepubliek Komi. In die tijd had ik veel gelegenheden om een Koninkrijksgetuigenis te geven aan ongeveer 1200 gevangenen en aan de kampleiding. Na mijn vrijlating in 1979 werd ik verbannen naar Vorkoeta, boven de poolcirkel. Niet lang nadat ik een baan en een onderkomen in Vorkoeta had gevonden, voegde mijn gezin zich bij mij.
Vorkoeta staat erom bekend dat het op de beenderen van zijn gevangenen is gebouwd, onder wie veel Getuigen die daar tientallen jaren voorheen gevangenzaten. Thans is het een normale stad en zijn er nergens werkkampen te bekennen. Maar in de permafrost in en rondom de stad liggen de lijken van talloze martelaren die hun leven hebben gegeven tot lof van Jehovah.
De vreugde van religieuze vrijheid
In 1989 reisden wij van Vorkoeta naar Polen om twee internationale congressen van Jehovah’s Getuigen bij te wonen. Wij schaamden ons niet voor de tranen van vreugde die wij vergoten toen wij tienduizenden christelijke broeders en zusters in Warschau en Katowice zonder angst voor arrestaties zagen genieten van de prettige omgang. Een droom was uitgekomen. Wij gingen terug naar Vorkoeta met hernieuwde vastberadenheid om de Koninkrijksbelangen te dienen.
Maar er heerst een bar klimaat boven de poolcirkel en Eugenia’s gezondheid had eronder geleden. Daarom gingen wij later dat jaar terug naar Krementsjoeg, waar wij ons verheugen in onze dienst voor Jehovah met de grotere vrijheid die wij nu genieten. Onze beide schoonzoons zijn in de gemeente hier in Oekraïne ouderling. En hoewel onze dochters vier kinderen grootbrengen, zijn zij pionier, zoals volle-tijdpredikers worden genoemd.
Zo nu en dan denk ik nog eens terug aan het front in 1945 en de belofte die ik meer dan een halve eeuw geleden heb gedaan. Om die belofte te kunnen houden, heb ik van Jehovah nauwkeurige kennis gekregen, dezelfde kennis die miljoenen anderen in staat heeft gesteld een soortgelijke belofte te doen — Jehovah voor eeuwig dienen.
[Kaart/Illustratie op blz. 23]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
RUSLAND
Vorkoeta
Lviv
Borislav
OEKRAÏNE
Krementsjoeg
Molotsjansk
Kaukasus
Birjoesinsk
Angarsk
[Verantwoording]
Mountain High Maps® Copyright © 1997 Digital Wisdom, Inc.
[Illustratie]
Met onze twee dochters, hun mannen en hun vier kinderen