Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g93 8/10 blz. 19-22
  • Hoe ik mijn gezin heb geholpen geestelijk rijk te worden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoe ik mijn gezin heb geholpen geestelijk rijk te worden
  • Ontwaakt! 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Het leven in Zoeloeland
  • Een speurtocht naar materiële rijkdom
  • Materiële of geestelijke rijkdom?
  • Zegeningen van grotere waarde
  • Het verbreiden van de waarheid in Zoeloeland
  • Drie vragen veranderden mijn leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Opgroeien met Jehovah’s organisatie in Zuid-Afrika
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Vrede, eenheid en liefde te midden van onlusten
    Ontwaakt! 1986
  • Hoe de loyaliteit van mijn familie me geholpen heeft
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
Meer weergeven
Ontwaakt! 1993
g93 8/10 blz. 19-22

Hoe ik mijn gezin heb geholpen geestelijk rijk te worden

Verteld door Josephat Busane

Nooit zal ik die treinreis naar Johannesburg (Zuid-Afrika) in januari 1941 vergeten. Mijn jeugdvriend Elias Kunene en ik keerden na een vakantie in Zoeloeland terug naar de plaats waar wij werkten.

BIJ ons in de trein zat een jonge man die wat moeti had, een medicijn waarvan geloofd wordt dat ze bovennatuurlijke kracht bezit en die gewoonlijk bij een medicijnman wordt gehaald. De man smeerde de moeti op zijn wenkbrauw in de overtuiging dat hij daardoor verzekerd was van de gunst van zijn blanke werkgever. Toen wij uit de trein stapten, zei Elias: „Die moeti is zijn god.” Die woorden waren als messteken in mijn hart, omdat ik in mijn tas mijn eigen moeti had, die ik volgens het recept van een medicijnman had bereid.

Elias en ik hadden met Jehovah’s Getuigen de bijbel bestudeerd en ik besefte dus wel dat hij veel grotere geestelijke vorderingen had gemaakt dan ik. Onmiddellijk gooide ik de moeti in een vuilnisbak en ging daarna net als Elias geregeld de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen bezoeken.

Elias en ik waren beiden getrouwd. Waarom werkten wij dan in een stad die zo’n 400 kilometer van huis lag? Hoe was het stadsleven in vergelijking met het boerenleven in Zoeloeland? En strekte onze omgang met Jehovah’s Getuigen ons gezin thuis tot voordeel?

Het leven in Zoeloeland

Ik ben in 1908 in Zoeloeland (Zuid-Afrika) geboren. Ons gezin woonde in het district Msinga, een gebied van grazige vlakten, heuvels en doornbomen. In de herfst komt hier door de puntige bloemen van de aloëboom een rode gloed over het landschap te liggen. Er grazen runderen en geiten op de hellingen tussen de bomen. Over de vlakten verspreid liggen kralen (groepjes hutten) en maïsvelden; maïs is namelijk het hoofdvoedsel van de Zoeloes.

Onze kraal bestond net als de andere uit een hut voor mijn ouders, een voor mijn zus en een voor mij en mijn broertje. Een andere hut diende als gezinskeuken en er was er een voor opslag. Elke hut had de vorm van een bijenkorf, met een lemen wand van ongeveer een meter hoog en daarop een koepelvormig dak van gedroogd gras. Tussen de hutten scharrelden kippen, al pikkend op zoek naar voedsel, en vlakbij lag een omheind stuk land voor het vee. Ons gezin was tevreden met dit eenvoudige boerenbestaan. Wij hadden voedsel en onderdak en mijn vader hoefde niet weg om te werken.

Toch is de landelijke rust van Zoeloeland vaak verstoord en hebben deze vriendelijke heuvels en rivieren heel wat mensenbloed zien vloeien. In het begin van de negentiende eeuw werd Zoeloeland bewoond door verscheidene onafhankelijke stammen. Toen stond er een Zoeloestrijder op, een zekere Tsjaka. Zijn leger viel alle omringende stammen aan. De overlevenden vluchtten of werden bij het Zoeloevolk ingelijfd.

Later raakten de Zoeloes slaags met de Hollandse kolonisten. Eén veldslag vond plaats bij een rivier niet ver van ons huis, die daarop de naam Bloedrivier kreeg, omdat er zo veel bloed vloeide dat het water rood kleurde. Toen kwamen de Britse legers. Bij een heuvel, Isandlwana geheten, niet ver van mijn huis, werden duizenden mensen afgeslacht in een van de vele hevige veldslagen tussen Britse soldaten en Zoeloestrijders. Helaas is er in ons deel van Zoeloeland nooit blijvende vrede gekomen. Van tijd tot tijd vlamt de oude stammenhaat op.

Een speurtocht naar materiële rijkdom

Mijn moeder stierf toen ik vijf was. Mijn vader en mijn oudere zus, Bertina, zorgden voor mij en hielpen mij zes jaar schoolonderwijs te krijgen. Op negentienjarige leeftijd ging ik als winkelbediende in de nabijgelegen stad Dundee werken.

Ik hoorde dat veel jonge mannen in de stad Johannesburg, het centrum van de Zuidafrikaanse goudwinning, meer geld verdienden. Daarom verhuisde ik het jaar daarop naar Johannesburg en werkte er jarenlang als plakker van reclamebiljetten.

In Johannesburg was ik diep onder de indruk van de verlokkingen en mogelijkheden, maar ik besefte al gauw dat het stadsleven de traditionele moraal van mijn volk ondermijnde. Hoewel veel jonge mannen hun familie die op het platteland woonde in de steek lieten, heb ik mijn familie nooit vergeten en stuurde ik regelmatig geld naar huis.

Mijn vader overleed in 1938. Als oudste zoon was ik naar Zoeloegebruik verplicht onze familiekraal „te laten herleven”. Het jaar daarop trouwde ik daarom met een meisje uit Zoeloeland, Claudina Madondo. Ofschoon ik getrouwd was, bleef ik 400 kilometer ver weg in Johannesburg werken. De meeste van mijn leeftijdgenoten deden hetzelfde. Hoewel het pijnlijk was om lange periodes van mijn gezin gescheiden te zijn, voelde ik mij verplicht hen te helpen een hogere levensstandaard te genieten.

Materiële of geestelijke rijkdom?

Moeder was de enige in ons gezin geweest die naar de kerk ging en haar bijbel was het enige boek bij ons thuis. Enige tijd na haar dood leerde ik lezen en schrijven en ik begon onmiddellijk in de bijbel te lezen. Maar de leerstellingen en gewoonten van de kerken begonnen mij te ergeren. Zo bleven kerklidmaten in aanzien ook al bedreven zij hoererij. Ik stelde predikanten vragen over zulke ongerijmdheden, maar geen van hen gaf mij een bevredigende verklaring.

In Johannesburg besloten Elias Kunene en ik naar de ware religie te zoeken. Wij bezochten kerken in onze buurt, maar geen ervan beviel ons. Toen kwam Elias in contact met Jehovah’s Getuigen. Toen hij mij probeerde uit te leggen wat hij van hen had geleerd, vertelde ik hem dat hij misleid was. Maar na zijn discussie met kerkelijke leiders aangehoord te hebben en gezien te hebben dat zij niet konden bewijzen dat hij het bij het verkeerde eind had, begon ik de publikaties van het Wachttorengenootschap te lezen die Elias mij gaf. Het was in die tijd dat ik de gedenkwaardige treinreis maakte waarop Elias mij hielp in te zien hoe gevaarlijk het is op moeti te vertrouwen. — Deuteronomium 18:10-12; Spreuken 3:5, 6.

Daarna bezocht ik samen met Elias geregeld de eerste zwarte gemeente van Jehovah’s Getuigen in Johannesburg. In 1942 werd ik, nadat ik mijn leven aan Jehovah had opgedragen, in Orlando (Soweto) gedoopt. Iedere keer dat ik naar huis ging in Zoeloeland, probeerde ik mijn overtuiging met Claudina te delen, maar zij was diep verwikkeld in kerkelijke activiteiten.

Zij begon onze lectuur echter te vergelijken met haar bijbel en geleidelijk bereikte de waarheid uit Gods Woord haar hart. In 1945 werd zij gedoopt. Zij werd een ijverige christelijke predikster, die de bijbelse waarheid met haar buren deelde en ze in het hart van onze kinderen inscherpte.

Ondertussen had ik in Johannesburg het voorrecht enkelen te helpen tot een kennis van de bijbelse waarheid te komen. In 1945 waren er vier zwarte gemeenten in de omgeving van Johannesburg en diende ik als de presiderende opziener van de gemeente Small Market. Na verloop van tijd kregen getrouwde mannen die ver van huis werkten, de schriftuurlijke raad terug te keren naar hun gezin en meer aandacht te besteden aan hun verantwoordelijkheden als gezinshoofd. — Efeziërs 5:28-31; 6:4.

Elias was de eerste die Johannesburg verliet en hij is nooit weer bij zijn gezin weggegaan. Het resultaat was dat zijn vrouw en zijn vijf kinderen allemaal actieve Getuigen van Jehovah werden. Elias bracht ook vier wees geworden nichtjes en neefjes groot, die opgedragen Getuigen werden. In 1983 stierf hij; hij was een voortreffelijk voorbeeld geweest van iemand die getrouw de richtlijnen had toegepast die Jehovah via zijn Woord en zijn aardse organisatie geeft.

In 1949 gaf ik mijn baan in Johannesburg op om op Jehovah’s wijze voor mijn gezin te zorgen. Thuis kreeg ik werk bij een veecontroleur als assistent bij het ’dippen’. Het viel niet mee een gezin met zes kinderen te onderhouden van het karige loon dat ik ontving. Daarom verkocht ik om onze onkosten te bestrijden ook groenten en maïs, die wij zelf verbouwden.

Zegeningen van grotere waarde

Hoewel ons gezin in materieel opzicht niet rijk was, hadden wij geestelijke schatten doordat wij Jezus’ raad opvolgden: „Vergaart u niet langer schatten op de aarde, waar mot en roest ze verteren en waar dieven inbreken en stelen. Vergaart u veeleer schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze verteren en waar dieven niet inbreken en stelen.” — Mattheüs 6:19, 20.

Voor het verwerven van deze geestelijke schatten moest er hard gewerkt worden, net als bij het delven van goud in de mijnen rond Johannesburg. Elke avond las ik met mijn kinderen een bijbeltekst en vroeg elk van hen mij te vertellen wat hij of zij had geleerd. In de weekends nam ik hen om beurten mee in het predikingswerk. Terwijl wij van kraal naar kraal liepen, sprak ik dan over schriftuurlijke aangelegenheden en probeerde de hoge morele maatstaven van de bijbel in hun hart te prenten. — Deuteronomium 6:6, 7.

Om er bijvoorbeeld zeker van te zijn dat onze kinderen niet stalen, vergewiste ik mij ervan dat elk voorwerp dat zij mee naar huis brachten niet gestolen was (Efeziërs 4:28). Evenzo aarzelde ik niet om wanneer een van hen een leugen vertelde, de roede van streng onderricht te gebruiken (Spreuken 22:15). Ik verlangde ook van hen dat zij gepaste eerbied voor ouderen toonden. — Leviticus 19:32.

Als gezinshoofd gaf ik het voorbeeld door geen vergaderingen over te slaan en ik verlangde van de kinderen dat zij er eveneens heen gingen. Ik zorgde ervoor dat elk kind een liederenbundel en een bijbel had en elke andere publikatie die op de vergaderingen werd gebruikt. Wij bereidden ons ook gezamenlijk op onze vergaderingen voor, en als een kind geen commentaar gaf, probeerde ik het te helpen dat de volgende vergadering wel te doen.

Jarenlang was ons gezin het enige dat reizende opzieners gastvrijheid kon verlenen. Deze vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap hadden een voortreffelijke invloed op onze kinderen en bouwden in hen het verlangen op om pionier ofte wel volle-tijdprediker te worden. Mijn vrouw en ik waren gelukkig toen onze oudste zoon, Africa, begon te pionieren nadat hij een schoolopleiding van tien jaar achter de rug had. Uiteindelijk diende hij als reizende opziener en later werd hij uitgenodigd naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Zuid-Afrika te komen, waar hij als vertaler heeft gewerkt. Hij is nu getrouwd en heeft zelf kinderen. Hij dient als ouderling in een gemeente in Zoeloeland en heeft tevens het voorrecht het Zuidafrikaanse bijkantoor te helpen bij juridische problemen die zich van tijd tot tijd voordoen door geschilpunten in verband met de ware aanbidding.

Wij hadden in totaal vijf jongens en een meisje. Alle zes de kinderen zijn nu volwassen en geestelijk sterk. Dat heeft ons hart vervuld met veel geluk — een diepe voldoening die met materiële dingen niet te koop is. Vier van mijn zoons dienen als ouderling in de gemeenten van Jehovah’s Getuigen waarmee zij verbonden zijn. Een van hen, Theophilus, geniet nu het voorrecht van Betheldienst op het Zuidafrikaanse bijkantoor.

Het verbreiden van de waarheid in Zoeloeland

Toen ik in 1949 ten slotte weer bij mijn gezin in Zoeloeland ging wonen, waren er in onze gemeente Collessie slechts drie Koninkrijksverkondigers. Na verloop van tijd begon de gemeente te groeien en werd er 30 kilometer verderop in het plaatsje Pomeroy een tweede gemeente opgericht.

In de loop van de jaren is ons predikingswerk soms verstoord door gevechten tussen plaatselijke politieke groeperingen. Kerkgangers laten zich in met deze stammengevechten. Alleen Jehovah’s Getuigen staan bekend om hun neutraliteit. Op een keer brak er een gevecht uit tussen de Mabaso- en de maBomvustam in een streek waar ik vee aan het dippen was. De mensen in de streek waren van de Mabasostam en zouden mij normaal gesproken hebben gedood omdat zij wisten dat ik tot de maBomvustam behoorde. Zij wisten echter ook dat ik een van Jehovah’s Getuigen was en daarom deden zij mij geen kwaad.

In de jaren ’70 werden de stammengevechten heviger en het district Msinga werd erg onveilig. Met nog enkele anderen besloot ik met ons gezin te verhuizen naar een vrediger gedeelte van Zoeloeland. In 1978 vestigden wij ons in de stad Nongoma, waar wij ons met de gemeente Lindizwe verbonden. Het jaar daarop stierf Claudina, mijn lieve vrouw. Het verlies was een hevige schok voor mij en mijn gezondheid ging sterk achteruit.

Toch knapte ik door Jehovah’s onverdiende goedheid voldoende op om twee jaar later de pioniersdienst in te kunnen gaan. Wat ben ik Jehovah dankbaar dat mijn gezondheid door deze grotere predikingsactiviteit feitelijk is verbeterd! Ik ben nu 85 en nog steeds in staat elke maand gemiddeld ruim 90 uur aan het predikingswerk te besteden. In januari 1992 ben ik met mijn zoon Nicholas verhuisd naar Muden, een deel van Zoeloeland waar behoefte is aan meer Koninkrijksverkondigers.

Wat ben ik dankbaar voor de leiding van Jehovah’s organisatie, waardoor mensen zoals ik zijn aangemoedigd meer aandacht te schenken aan de geestelijke behoeften van ons gezin! De zegeningen die daaruit zijn voortgevloeid, zijn veel grootser dan alles wat er met geld te koop is (Spreuken 10:22). Ik loof Jehovah voor dit alles en bid om de tijd dat zijn koninkrijk de aarde in een paradijs zal veranderen. Dan zal het leven in dit Zoeloeland met zijn schitterende heuvels en dalen voor altijd rustig zijn, daar de inwoners ’ieder onder hun wijnstok en onder hun vijgeboom zullen zitten en er niemand zal zijn die hen doet beven’. — Micha 4:4.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen