Rode plekken op de sneeuw — Tenzij het een vroeg voorjaar is
„HEBT u het eenmaal gezien, dan vergeet u het nooit weer; het felle rood is verrassend in het gefilterde zonlicht tegen de donkere achtergrond van de humusrijke bosbodem.” Zo wordt in Western Forests, een natuurgids van de Audubon Society, geschreven over het sneeuwwier of Sarcodes sanguinea. Het is nog verrassender als u het iets vroeger ontdekt, als het zich een weg baant door hardnekkige sneeuwresten. „Een ongewone plant die stevig is, vlezig, helemaal helderrood, met overlappende schutbladen op een nogal korte steel en gekruld tussen trossen bloemen erboven”, weidt Western Forests uit. Het verspreidingsgebied is beperkt tot de naaldbossen op de bergen van Californië en zuidelijk Oregon.
Het sneeuwwier is een van de saprofyten, een groep organismen die geen bladgroen, geen chlorofyl, bevatten en daarom niet tot fotosynthese in staat zijn. Saprofyten leven van afgestorven of rottend plantaardig of dierlijk materiaal. Paddestoelen, schimmels en enkele andere zwammen en bepaalde bacteriën zijn saprofyten, maar ook enkele bloeiende planten behoren tot deze groep. Daar is het sneeuwwier er een van.
Sommige van de saprofytische hogere planten zijn voor hun voedsel volkomen afhankelijk geworden van bepaalde zwammen en dan spreekt men van een mycorrhizale relatie — een voor beide partijen nuttige combinatie van een zwam (myco) en het wortelstelsel (rhiza) van een hogere plant. In zulke gevallen worden de wortels van de saprofyt gekenmerkt door het ontbreken van wortelharen. De zwam neemt de taak van het opnemen van mineralen en vocht over. In The Encyclopedia Americana (Internationale editie) wordt gezegd: „De betekenis van mycorrhizae als symbiotische associaties werd tegen het einde van de negentiende eeuw ontdekt door de Duitse botanicus Albert Bernard Frank als nevenresultaat van een onderzoek naar het telen van truffels voor de Pruisische regering.”