„Dat is niet mijn schuld!” — De eeuw van de verontschuldigingen
PATS! Johnny’s moeder holt de keuken in om te kijken wat de oorzaak was van dat verschrikkelijke geluid. Daar ligt de koekjesschaal in scherven op de grond. De kleine Johnny staat erbij; onhandig houdt hij een koekje in zijn hand geklemd terwijl hij alle mogelijke moeite doet om er onschuldig uit te zien. „Dat was niet mijn schuld!”, gooit hij eruit.
OUDERS weten maar al te goed dat het kinderen moeilijk valt de verantwoordelijkheid voor hun eigen fouten te aanvaarden. Maar in de hedendaagse maatschappij kampen de volwassenen met hetzelfde probleem. Steeds meer mensen schijnen te denken dat het weerstaan van de verleiding hun eigen begeerten te bevredigen meer is dan redelijkerwijs van hen verwacht mag worden.
Denk bijvoorbeeld eens aan de man die driemaal dezelfde vrouw verkrachtte. Bij zijn berechting protesteerde hij dat hij het slachtoffer was van zijn eigen mannelijke hormonen; hij had een hoge testosteronspiegel. Hij werd vrijgesproken. Een politicus die op een leugen werd betrapt, weet zijn meineed aan een alcoholprobleem. Een drugsmokkelaar werd vrijgesproken nadat hij beweerd had te lijden aan het „actie-verslavingssyndroom”.
Volgens U.S.News & World Report komen er elke week meer dan 2000 groepen bijeen om mensen te begeleiden die zich als verslaafd aan seks of liefde beschouwen. In de Verenigde Staten kent men thans ruim 200 organisaties die zich naar analogie van Alcoholics Anonymous (Anonieme Alcoholisten) wijden aan het helpen van de „slachtoffers” van andere „verslavingen”. Zo zijn er de Anonieme Mishandelaars, de Anonieme Homoseksuele Overeters, de Anonieme Gokkers, de Anonieme Schuldenmakers, de Anonieme Sloddervossen en de Anonieme Werkverslaafden.
Sommige deskundigen onderschrijven het idee dat al deze vormen van destructief gedrag verslavend kunnen zijn, maar andere verontrust deze nieuwe verslavingsrage. Eén psycholoog zei het zo: „Het scheppen van een wereld van verslavende ziekten kan neerkomen op het scheppen van een wereld waarin alles te verontschuldigen is.” Een psychotherapeut waarschuwt dat als mensen zich eenmaal kwalificeren als hulpeloze slachtoffers van een verslaving, zij veel moeilijker te behandelen worden; hun excuus wordt een onderdeel van hun identiteit.
Dr. William Lee Wilbanks, hoogleraar in het strafrecht, betoogt dat de hedendaagse populariteit van de verslavingstherapie gewoon deel uitmaakt van een filosofie die hij de Nieuwe Onfatsoenlijkheid noemt: „Ik kan er niets aan doen.” Hij hekelt de „groeiende tendens in wetenschappelijke kringen om menselijke wezens te bezien als objecten op wie interne en externe krachten inwerken waarover zij geen controle hebben”. „Deze zienswijze”, zo vervolgt hij, „suggereert dat de vrije wil nauwelijks enige of helemaal geen rol speelt in het menselijk gedrag.”
Uit studies valt op te maken dat de menselijke wil wel eens van grotere invloed zou kunnen zijn op zelfs de meer traditionele verslavingen dan men vroeger dacht. Van de heroïneverslaafden bijvoorbeeld faalt ongeveer 75 procent in hun pogingen de gewoonte te laten varen. Maar onder de veteranen van de oorlog in Vietnam ligt het succespercentage veel hoger — bijna 90 procent kan ermee stoppen. Hoe kan dat? Het middel is hetzelfde, de verslaving identiek. Zou het kunnen zijn, zoals Wilbanks veronderstelt, dat „hun waardenbesef en zelfdiscipline hen hebben geholpen ’Nee te zeggen’”? Dat wil niet zeggen dat dingen als afhankelijkheid van chemische stoffen of zelfs een ingeboren geneigdheid tot bepaalde problemen niet reëel zijn. Wilbanks stelt dat zulke factoren „de strijd tegen de verleiding moeilijker kunnen maken. Maar de strijd is niettemin te winnen.”
Inderdaad. De verlokking van het instant-geluk kan krachtig zijn, maar ze is te weerstaan. Wereldwijd is door het werk van Jehovah’s Getuigen aangetoond dat drugverslaafden, alcoholisten, overspelers, gokkers en homoseksuelen niet aan hun verlangens behoeven toe te geven. Door hun wilskracht aan te wenden en, belangrijker nog, met de hulp van Gods heilige geest blijken zij hun problemen de baas te kunnen worden. Dus ongeacht wat „deskundigen” zeggen, onze Schepper weet wanneer wij verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden (Numeri 15:30, 31; 1 Korinthiërs 6:9-11). Maar hij is ook barmhartig. Hij verwacht nooit meer van ons dan redelijk is, „gedachtig dat wij stof zijn”. — Psalm 103:14.