Wij waren „heksen” die tegen stieren vochten
DE STIEREN waren kolossaal. Ze moeten elk wel zo’n 450 kilo gewogen hebben. Mijn twee zussen en ik vochten gewoonlijk tegen jonge stieren, maar dit waren volwassen dieren, met angstaanjagende horens. Wij hadden natuurlijk kunnen weigeren tegen ze te vechten, maar hoe zou de menigte daarop reageren? Zij hadden hun entree betaald om Las Meigas (De Heksen) in een stieregevecht te zien en wij wilden hen niet teleurstellen. Met enige aarzeling liepen wij de arena in.
Misschien vraagt u zich wel af wat drie zussen bezielde om stierenvechter te worden. Het was beslist niet om te bewijzen dat vrouwen in dat beroep even goed zijn als mannen. Het was pure economische noodzaak geweest die ons die mannenwereld ingedreven had.
Als tieners hadden wij onze geboortestad in Noordwest-Spanje verlaten en koers gezet naar Madrid, waar wij hoopten werk te vinden. Maar toen dat niet lukte, namen wij de raad aan van een vriend die torero was geweest en besloten „ons geluk met de stieren te beproeven”. Wij noemden onszelf Las Meigas (De Heksen) omdat het een naam was waaruit gemakkelijk onze plaats van herkomst in Spanje op te maken was en ook omdat wij hoopten de stieren te betoveren. Na een harde leertijd van slechts twee jaar werden wij echte stierenvechters.
Gevaren en de dood
Gewoonlijk vochten wij tegen de jongere twee- of driejarige stieren, die niet zo fel en sterk zijn. Maar dat wil niet zeggen dat er geen gevaar bij is, want ze zijn meestal sneller en beweeglijker. Wij hadden echter geluk, en afgezien van een gebroken enkel, wat lelijke schaafwonden en een beenwond bleef ons ernstig letsel bespaard. Zelfs die keer dat wij het tegen die enorme volwassen stieren moesten opnemen, verlieten wij de ring ongedeerd.
In het stierenvechtseizoen vochten wij vaak ’s ochtends tegen vier stieren en ’s middags weer tegen vier. Op het laatst doodden wij een stier met bijna hetzelfde gemak als waarmee wij ons bed opmaakten. Het komt erop neer dat wij over een periode van acht jaar 1500 stieren bevochten en gedood hebben in arena’s door heel Spanje, maar ook in Portugal en Frankrijk. Ons doel was een contract te krijgen voor Zuid-Amerika, waar echt het grote geld te verdienen viel, voldoende om een ranch te kopen en vechtstieren te fokken.
Hoewel wij waren begonnen vanwege de noodzaak de eindjes aan elkaar te knopen, duurde het niet lang of het verlangen naar avontuur, roem en fortuin werd de voornaamste drijfveer. Ondanks het gevaar genoten wij ervan! Af en toe bereikte ons het bericht dat er een stierenvechter was omgekomen, en daar waren wij dan een paar dagen van onder de indruk. Het herinnerde ons op een harde manier aan de risico’s die wij liepen. Maar al gauw kwamen wij over die tijdelijke angst heen. Als wij de arena binnenstapten zeiden wij, in plaats van elkaar geluk toe te wensen: „Aan de slag!”
Een ander soort strijd
Toen, in 1984, gebeurde er iets waardoor mijn zussen, Milagros en Elda, en ik ons streven en, ja, ook de manier waarop wij de kost verdienden, met andere ogen gingen bezien. Wij begonnen alle drie de bijbel te bestuderen met Jehovah’s Getuigen. Wij waren ontroerd door wat wij leerden over Gods koninkrijk en over het toekomstige Paradijs dat God heeft beloofd. Maar toen volgde er een moeilijke beslissing. Was ons werk in overeenstemming met wat wij leerden?
Ten slotte overtuigden twee dingen ons ervan dat wij onze carrière als stierenvechters niet konden voortzetten. Allereerst was daar de sfeer in de arena. Het fanatisme van de menigte riekte naar dat in een Romeins circus. Was het een geschikte omgeving voor christelijke vrouwen?
Het tweede probleem hield verband met goddelijke bescherming. Bijna alle stierenvechters smeken omdat zij katholiek zijn, hun favoriete Madonna of „heilige” hen te beschermen. Ik heb sommigen zelfs een draagbaar kapelletje in hun hotelkamer zien opzetten om er te bidden, in het vertrouwen dat dit hen zal behoeden voor letsel in de arena. Wij beseften echter dat wij Jehovah niet konden vragen ons te beschermen als wij opzettelijk wreed waren tegenover dieren en ons leven in gevaar brachten om geld te verdienen en de op sensatie beluste menigte te amuseren. Wij besloten met stierenvechten op te houden.
Wij hadden deze beslissing nog niet genomen of het langverwachte Zuidamerikaanse contract werd ons aangeboden. De kans om een fortuin te verdienen, lag binnen ons bereik. Maar wij lieten ons niet vermurwen en verschenen op 3 oktober 1985 voor de laatste maal in de ring als „De Heksen”. Ongeveer een jaar later werden wij gedoopt en wij spannen ons nu in om ’de voortreffelijke strijd van het geloof te strijden’. — 1 Timotheüs 6:12.
Wij werken nog steeds samen, maar in een restaurant in plaats van in de arena. Wij prijzen ons heel gelukkig dat wij iets beters hebben gevonden dan roem en fortuin, namelijk een goede verhouding met de almachtige God en een zekere hoop voor de toekomst. Wij zien uit naar de tijd dat wij wilde stieren zullen kunnen aaien in Gods nieuwe wereld, waar mens noch dier ’kwaad of verderf zal stichten’; „want de aarde zal stellig vervuld zijn van de kennis van Jehovah, zoals de wateren ook de zee bedekken” (Jesaja 11:9). — Verteld door Pilar Vila Cao.
[Illustratie van Pilar, Milagros en Elda Vila Cao op blz. 14]
[Illustratie van Pilar, Milagros en Elda Vila Cao op blz. 15]