Toegewijd aan een man-god — Waarom?
DE DIEPTE van toewijding aan de keizer tijdens en vóór de Tweede Wereldoorlog zal thans voor velen moeilijk te begrijpen zijn. „Op school stond in een speciaal kastje een afbeelding van Hirohito,” herinnert Mitsoeko Takahasji zich, „en elke ochtend moesten de leerlingen stil blijven staan en een daad van aanbidding verrichten in de richting van dat kastje.”
„Als de keizer voorbijkwam,” herinnert Masato Sakamoto zich, „moesten wij ons hoofd heel diep buigen. Er werd ons wijsgemaakt dat de keizer te ontzag inboezemend voor gewone mensen was om rechtstreeks naar te kijken.” Kinderen werd zelfs gezegd dat zij met blindheid geslagen zouden worden als zij naar zijn gezicht keken.
De militaire en politieke leiders van Japan bedienden zich van het onderwijsstelsel om verknochtheid aan de keizer in te prenten. „Ik heb kinderen geleerd dat zij ’bereid moesten zijn om te sterven’”, zegt Kazoeo Matsoemoto, in wiens vijftigjarige loopbaan bij het onderwijs ook de oorlogsperiode viel. „Ik heb veel jongeren naar het slagveld gestuurd. Die blaam kan ik niet uit mijn verleden wegwissen.”
De jongeren van Japan werd verteld dat onderdanen van de keizer aohitogoesa, „groeiend menselijk onkruid”, waren en dat zij hem moesten beschermen door als zijn schild te dienen. Tosjio Masjiko, die aan verscheidene zelfmoordaanvallen op de Filippijnen heeft deelgenomen en ze heeft overleefd, verklaarde: „Ons werd geleerd dat sterven voor de keizer de hoogste eer was voor zijn onderdanen.”
Velen geloofden zelfs in de reddende macht van de keizer en wierpen zich dus vol onbevreesde overgave in de strijd. Sjoenitji Isjigoero bijvoorbeeld dacht dat kogels op zijn lichaam zouden afketsen omdat hij een soldaat was van wat, zoals de mensen geleerd werd, „de goddelijke natie” was.
Toen het oorlogstij zich definitief tegen Japan gekeerd had, maakte een jongen, Isamoe, zijn moeder deelgenoot van zijn angstgevoelens. „Maak je geen zorgen”, stelde zijn sjintoïstische moeder hem gerust en herhaalde de algemeen heersende zienswijze: „Wij zullen nooit verliezen, omdat de kamikazea (godenwind) onze vijanden weg zal blazen.”
Een god, maar zelden heerser
De keizeraanbidding in Japan dateert uit het verre verleden en maakt al ruim duizend jaar deel uit van het leven van de bevolking. En een godsdienstige traditie is moeilijk uit te roeien. Zelfs in de christenheid zeggen mensen bijvoorbeeld: ’Als mijn geloof goed genoeg was voor mijn ouders, is het ook goed genoeg voor mij.’ En: ’Iedereen gelooft het en ze kunnen het niet allemaal bij het verkeerde eind hebben.’ Maar door de eeuwen heen hebben honderden miljoenen mensen het bij het verkeerde eind gehad door te geloven dat hun leiders goddelijk waren! Laten wij even stilstaan bij de geschiedenis van de Japanse keizer.
In de loop der eeuwen is zijn rol zeer verschillend geweest. „Men dacht dat de keizer magische krachten bezat waarmee hij godheden gunstig kon stemmen of een voorspraak bij hen kon zijn”, legt de Kodansha Encyclopedia of Japan uit. „Maar vanwege de eerbied waarmee zijn persoon omgeven was, werd het ook als ongepast voor de keizer beschouwd om zich bezig te houden met wereldlijke regeringszaken. Die zaken, met inbegrip van zowel het bepalen als het uitvoeren van het beleid, waren de taak van ministers die in dienst stonden van de keizer.”
De keizer had dus voornamelijk een priesterlijke functie, geen politieke. „De enige langdurige periode in de Japanse geschiedenis waarin beide functies in de ware zin in de keizer verenigd waren,” zo merkt de bovenvermelde encyclopedie op, „liep van de regering van TENDJI in de tweede helft van de zevende eeuw tot en met de regering van KAMMOE aan het einde van de achtste en het begin van de negende eeuw.”
Met uitzondering van die tijd in het bijzonder regeerden de Japanse keizers niet werkelijk. Na de negende eeuw nam de macht van de keizer af en na verloop van tijd ging de sjôgoen, een term die „bevelhebber” betekent, de politieke macht uitoefenen. Hoewel de keizer in theorie de sjôgoen benoemde, was de sjôgoen de feitelijke heerser. Na Japan eeuwenlang geregeerd te hebben, droeg het sjôgoenaat echter in 1867 de macht aan de keizer over.
In dat jaar werd keizer Méidji, Hirohito’s grootvader, heerser over Japan. Later schonk hij zijn onderdanen een grondwet waarin werd bepaald dat de keizer „heilig en onschendbaar” was. Het paradoxale was echter dat hoewel de keizer politiek gezag werd verleend, hij geen feitelijke politieke macht kreeg. Hij regeerde slechts in naam.
In de grondwet stond: „De betreffende ministers van staat zullen de Keizer adviseren [en bijstaan] en daarvoor de verantwoordelijkheid dragen.” Volgens de Kodansha Encyclopedia „betekende dit feitelijk dat de politieke verantwoordelijkheid niet bij de keizer maar bij zijn ministers berustte”.
Het waren dus de ministers die in feite de politieke macht uitoefenden. Aan het gewone volk echter werd de keizer voorgesteld als een god met absoluut gezag over de natie. Zo gebruikte de heersende klasse de traditionele en officieel gepropageerde goddelijkheid van de keizer om het gewone volk onder haar juk te brengen. De oorlogen die Japan in onze twintigste eeuw heeft gestreden, zijn in naam van de keizer gevoerd. En het volk geloofde algemeen dat hij een god was die over miraculeuze krachten beschikte.
Niettemin geloofde Hirohito zelf, tot verrassing van velen, kennelijk niet in zijn eigen goddelijkheid. „Ik heb mijzelf nooit als een god beschouwd”, vertelde hij het Amerikaanse militair gezag na de Tweede Wereldoorlog. Na „het verkeerde idee dat de Keizer goddelijk is en dat het Japanse volk superieur is aan andere rassen” officieel ontkend te hebben, heeft hij naar verluidt aan zijn vrouw gevraagd: „Zie jij een verschil? Vind je dat ik er nu menselijker uitzie?”
Natuurlijk zagen ook andere Japanners door de façade van goddelijkheid heen en onderscheidden de werkelijkheid. Zij gingen uit van feitenmateriaal. Minoroe Jamanaka bijvoorbeeld, die vier jaar in het keizerlijke leger heeft gediend, legde uit: „De vader van de keizer stierf toen hij 47 jaar was en zijn grootvader op zijn 59ste, vroeger dan vele anderen. Ik heb dus nooit gedacht dat de keizer God was.”
De verantwoordelijkheidskwestie
Door Hirohito’s ziekte en overlijden kwam de gevoelige vraag weer ter sprake in hoeverre de keizer verantwoordelijk was geweest voor de militaire agressie van Japan. De meerderheid schijnt de mening toegedaan te zijn dat Hirohito persoonlijk tegen de oorlog was, maar dat hij verplicht was akkoord te gaan met de besluiten van zijn ministers. Zo beweerde hij in verband met de plannen van zijn ministers om in 1941 de Verenigde Staten aan te vallen: „Ik kon hun besluiten niet tenietdoen. Ik geloof dat dit in overeenstemming was met de bepalingen van de Japanse grondwet.”
Aan de andere kant heeft Hirohito het initiatief genomen en besloten tot overgave toen zijn ministers daarover van mening verschilden. Enkele dagen nadat die beslissing was genomen, op 15 augustus 1945, waren zijn onderdanen geschokt voor de eerste keer zijn stem te horen toen hij de overgave via de nationale radio bekendmaakte. Hij vroeg hun „het ondraaglijke te dragen”.
Maanden later verklaarde de Britse regering: „Het was niet de atoombom waardoor de Japanners tot de overgave werden bewogen, maar het decreet van de Keizer waarbij hun dat werd bevolen. Anders zou er een kostbare invasie nodig zijn geweest.”
Toen er na de oorlog stemmen opgingen om Hirohito als oorlogsmisdadiger te berechten, verzette de Amerikaanse generaal Douglas MacArthur, hoofd van de geallieerde bezettende macht in Japan, zich daar dan ook sterk tegen. Later legde hij uit: „Ik geloofde dat als de Keizer werd veroordeeld en misschien werd opgehangen, er overal in Japan een militair bestuur zou moeten worden ingesteld, en dat er dan waarschijnlijk een guerrillaoorlog zou uitbreken.”
MacArthur ontmoette Hirohito op 26 september 1945, en hij was onder de indruk. In plaats dat de keizer probeerde zich aan de verantwoordelijkheid voor de oorlog te onttrekken, wilde hij worden beschouwd ’als degene die de algehele verantwoordelijkheid droeg voor elke politieke en militaire beslissing die door zijn volk was genomen bij het voeren van de oorlog’.
Toch acht thans misschien wel de meerderheid in Japan Hirohito niet verantwoordelijk voor een oorlog die kennelijk door zijn ministers was gepropageerd. Toen de keizer een jaar geleden op zijn sterfbed lag, werd er dan ook met felle verontwaardiging gereageerd op de woorden van Hitosji Motosjima, de burgemeester van Nagasaki, die het gewaagd had in het openbaar te zeggen: „Op grond van mijn eigen ervaringen met de opleiding in het leger denk ik dat de Keizer verantwoordelijk is voor de oorlog.”
Motosjima merkte op dat hij tijdens de oorlog als officier die rekruten moest opleiden, „gedwongen was mensen te zeggen dat zij in naam van de Keizer moesten sterven”. Motosjima is klaarblijkelijk van mening, en velen met hem, dat de stem van een keizer die door zijn onderdanen werd aanbeden, enorm veel gewicht in de schaal gelegd zou hebben als ze tegen de oorlog verheven was.
Reden tot bezorgdheid
„Maar”, zullen sommigen zeggen, „dat is allemaal verleden tijd.” Dat kan wel zijn, maar op overlevering berustende overtuigingen is een lang leven beschoren. Bij het beroemde sjintô-heiligdom in Ise in Centraal-Japan zei een sjintô-priester onlangs: „Veel mensen komen hier om de zonnegodin te aanbidden als de goddelijke voorouder van onze Keizer en ons Japanse ras.”
Hoezeer de keizer werd vereerd, wordt geïllustreerd door de dreigementen om Motosjima te doden wegens zijn opmerkingen over de verantwoordelijkheid van de keizer voor de oorlog. Er werd een man gearresteerd die probeerde in Motosjima’s kantoor in te breken met een blik benzine, en bijna honderd geluidswagens versperden de straten van Nagasaki en lieten de kreet schallen: „Dood aan Motosjima”. De diepe eerbied voor de keizer is ook op andere manieren getoond.
Zo sloeg er toen Hirohito’s toestand kritiek werd, een reusachtige golf van onthouding over het land. Feesten en partijen werden afgezegd, iets wat terdege te merken is geweest voor zaken die daarvan bestaan. Schoolkinderen mochten hun sportevenementen niet laten doorgaan. Zelfs de Jakoeza, de gangsters, vochten en schoten niet meer. Het leven in Japan werd er dramatisch door beïnvloed, voor The Daily Yomiuri reden om te schrijven dat „het land wat al te sterk heeft gereageerd op de ziekte van de Keizer”.
Sommigen waren gealarmeerd door deze dweepzucht. Maar zelfs als zij het er niet mee eens waren, tolereerden en vergoelijkten zij het over het algemeen, waarschijnlijk rekening houdend met nadelige consequenties als zij dat niet deden. „Het is het veiligst, op dit punt conservatief te zijn”, zei een psycholoog. Maar een voormalig soldaat klaagde: „Mensen kijken gewoon om zich heen en volgen het voorbeeld van anderen. Het is precies hetzelfde stramien dat ons de oorlog in heeft gedreven.”
Maar moet de manier waarop wij ons gedragen, en vooral wie wij aanbidden, eenvoudig worden bepaald door het gedrag en de aanbidding van de mensen om ons heen? Denk eens aan de miljoenen die er door hun ongefundeerde geloofsovertuiging toe gebracht zijn hun leven te geven in zinloze oorlogen! Het is duidelijk dat het blind meelopen met de massa rampzalig kan zijn. Bezinning op deze historische gebeurtenissen moet ons leren dat aanbidden ’wat wij niet kennen’, ons inderdaad noodlottig kan worden (Johannes 4:22). Wat uiterst belangrijk is het dan dat wij nagaan of wij aanbidden wat wij werkelijk kennen!
[Voetnoten]
a Leden van de Japanse luchtmacht die zelfmoordaanvallen deden op een doel (een schip bijvoorbeeld), werden ook kamikaze genoemd.
[Illustraties op blz. 8, 9]
Duizenden stierven in naam van de keizer
[Verantwoording]
Boven: Official U.S. Navy photo.
[Illustratie]
Hirohito erkende tegenover generaal Douglas MacArthur verantwoordelijk te zijn voor de oorlog
[Verantwoording]
Rechts: U.S. Army