De toekomst van de religie gezien haar verleden
Deel 20: Vanaf de 19de eeuw — Herstel ophanden!
„Ge ziet het goddelijke licht het beste als ge uw eigen kaars uitblaast.” — Thomas Fuller, Engels arts en schrijver (1654-1734)
DE negentiende eeuw is wel een van de levendigste periodes in de christelijke geschiedenis genoemd, vergelijkbaar met de eerste eeuwen van het christendom en met de jaren van de Reformatie. De redenen voor een dergelijke toename van religieus bewustzijn en religieuze activiteit zijn talrijk en uiteenlopend.
De schrijver Kenneth S. Latourette somt dertien factoren op die daarbij een rol hebben gespeeld, waarvan er enkele in de vorige uitgave van dit tijdschrift zijn besproken. Hij zegt dat „nooit eerder de menselijke samenleving in zo’n korte tijd zo diepgaand en in zo veel verschillende opzichten veranderd was”.
In de Verenigde Staten was de religieuze opleving duidelijk waarneembaar. Het kerklidmaatschap steeg bijvoorbeeld van nog geen 10 procent aan het begin tot bijna 40 procent van de bevolking aan het einde van de eeuw. De zondagsscholen — in 1780 in Engeland ingevoerd — wonnen aan populariteit. Dit kwam onder meer doordat, anders dan in Europa, wegens de scheiding van Kerk en Staat in de Verenigde Staten godsdienstonderwijs op openbare scholen verboden was. Daarnaast werden er tientallen confessionele scholen en interkerkelijke bijbelgenootschappen opgericht en werden er in de eerste helft van de eeuw minstens 25 seminaries gesticht.
Ondertussen werd het protestantisme op wereldomvattende schaal zendingsgezind. De Britse schoenmaker en onderwijzer William Carey had daarin in 1792 de leiding genomen door het boek An Enquiry Into the Obligations of Christians to Use Means for the Conversion of the Heathens te publiceren. Terwijl Carey en zijn metgezellen als zendeling in India werkten, vertaalden zij de bijbel geheel of gedeeltelijk in meer dan veertig Indische en andere Aziatische talen en dialecten. Het werk dat sommige van deze vroege zendelingen deden op het gebied van bijbelverspreiding is loffelijk.
De betrekkelijk nieuwe wetenschap der bijbelse archeologie won de vorige eeuw ook aan prestige. In 1799 ontdekten Franse soldaten in Egypte een zwartbasalten steen die nu de Steen van Rosette wordt genoemd. Daarin stond dezelfde tekst driemaal gegraveerd, en wel in twee verschillende vormen van het Egyptische hiërogliefenschrift en in het Grieks. Hij bleek daarom van onschatbare waarde bij het ontcijferen van Egyptische hiërogliefen. Spoedig daarna werden er ook Assyrische verslagen in spijkerschrift ontcijferd. Toen dus korte tijd later in Assyrië en Egypte begonnen werd met opgravingen, kregen de opgegraven artefacten nieuwe betekenis. Veel bijbelverslagen werden tot in de kleinste details bevestigd.
Zij lieten hun eigen kaars branden
Naarmate de religieuze belangstelling groeide, nam ook het aantal zogenaamde hervormers toe. Het was echter duidelijk dat zij niet allemaal oprecht waren. De reeds genoemde schrijver Kenneth S. Latourette geeft ronduit toe dat sommige van de nieuwe religieuze richtingen „geboren waren uit afgunst, tweedracht en persoonlijke ambitie”. Het was echter nauwelijks te verwachten dat God voor het herstel van de ware aanbidding zijn keus zou laten vallen op hervormers die kaarsen van persoonlijke ambitie lieten branden.
Bij al dit verwarrende geflakker van persoonlijke kaarsen ontstond er steeds meer verwarring in het theologisch denken. De hogere bijbelkritiek, voornamelijk een produkt van de Duitse universiteiten, herinterpreteerde de Schrift in het licht van „progressief” wetenschappelijk denken. Hogere critici beschouwden de bijbel als weinig meer dan het verslag van joodse religieuze ervaringen. Het gezag van de bijbel als onontbeerlijk voor het vaststellen van de weg der redding werd in twijfel getrokken, evenals de wijsheid van de morele maatstaven die de bijbel voorstaat.
De hogere kritiek vond gerede steun, vooral onder protestantse predikanten. Volgens een rapport huldigde tegen 1897 niet één faculteitslid van de twintig protestantse theologische hogescholen in Duitsland nog de traditionele zienswijzen over het auteurschap van de Pentateuch of van het boek Jesaja.
Enkele jaren later, in 1902, rees er op een conferentie van de Algemene Vergaderingen der Presbyteriaanse Kerken in Schotland een meningsverschil over de hogere kritiek. De Edinburgh Evening News berichtte: „Volgens de hogere critici . . . is de bijbel een verzameling mythische verhalen waaraan een predikant enkele kruimels ethiek kan ontlenen net zoals een bekwaam moralist enkele kruimels ethiek kan ontlenen aan de fabels van Aesopus.” De krant merkte daarna echter op: „De werkende klassen zijn niet gek. Zij zullen niet naar de kerk gaan om te luisteren naar mannen die zelf het spoor bijster zijn.”
Een tweede artikel dat een paar dagen later verscheen, zei het nog onverbloemder: „Het heeft geen zin er doekjes om te winden. De protestantse kerk is één georganiseerde huichelarij en haar leiders zijn volslagen oplichters. Het is in feite al zo ver gekomen dat als de auteur van de ’Age of Reason’ thans zou leven, hij niet honend Tom Paine, de heiden, genoemd zou worden, maar de eerwaarde Thomas Paine, dr. theol., hoogleraar in het Hebreeuws en de exegese van het Oude Testament, U[nited] F[ree] College, Glasgow. Hij zou zonder problemen van een protestantse kansel kunnen preken . . . [en] een aardig salaris als hoogleraar in de theologie opstrijken.”
Een religieuze reactie
Vanaf het begin legde het protestantisme de nadruk op persoonlijke bekering en christelijke geloofsbeleving, verliet zich voornamelijk op de Schrift en hechtte weinig belang aan sacramenten en overlevering.
In de jaren ’30 en ’40 van de negentiende eeuw begonnen veel protestantse evangelicals te verkondigen dat de tweede komst van Christus en daarmee het begin van het Duizendjarig Rijk ophanden was. William Miller, een boer uit de staat New York, kwam met de bewering dat de tweede komst wel eens omstreeks 1843 plaats zou kunnen vinden. Deze chiliastische beweging droeg bij tot het ontstaan van een meer op de voorgrond tredende en militante evangelische stroming die bekend kwam te staan als het fundamentalisme.
Het fundamentalisme was grotendeels een reactie op het scepticisme, de vrijdenkerij, het rationalisme en de morele laksheid die door het geliberaliseerde protestantisme in de hand was gewerkt. Het ontleende zijn naam later aan een serie van twaalf werkjes getiteld The Fundamentals, die van 1909 tot 1912 werden uitgegeven door het Moody Bible Institute.
Het fundamentalisme heeft, vooral in de Verenigde Staten, bekendheid gekregen door de indrukwekkende diensten op radio en tv, de bijbelinstituten en de met veel publiciteit omgeven en sterk emotionele opwekkingsbijeenkomsten. De laatste tijd heeft de reputatie van het fundamentalisme echter geleden onder het financiële en seksuele wangedrag van enkele van zijn meest vooraanstaande leiders. Het is ook gekritiseerd vanwege zijn toegenomen politieke activiteit, vooral sedert de vorming in 1979 van de Moral Majority, die recent ontbonden werd.
Hoewel het fundamentalisme beweert de bijbel te verdedigen, heeft het in feite eveneens het gezag ervan ondermijnd. Dit is onder meer gebeurd door een letterlijke interpretatie van teksten die duidelijk niet letterlijk bedoeld zijn. Een voorbeeld daarvan is de bewering dat de aarde volgens het Genesisverslag in zes letterlijke dagen van 24 uur is geschapen. Het ligt voor de hand dat dit symbolische dagen van veel langere duur waren. (Vergelijk Genesis 2:3, 4; 2 Petrus 3:8.) Andere manieren waarop het fundamentalisme de bijbel ondermijnt, is door onschriftuurlijke leerstellingen te onderwijzen, zoals eeuwige pijniging in een hellevuur, en soms door gedragsmaatstaven voor te staan die afwijken van die welke de bijbel voorschrijft, zoals het verbod op het drinken van alcohol of het gebruik van make-up door vrouwen. Op die manieren heeft het fundamentalisme mensen ertoe gebracht de bijbelse boodschap te verwerpen als naïef, onredelijk en onwetenschappelijk.
Een kwestie van het juiste tijdstip
Het is duidelijk dat er herstel nodig was, het herstel van de ware aanbidding! Maar zoals Prediker 3:1 zegt: „Voor alles is er een vastgestelde tijd.”
In de eerste eeuw had Jezus de ware aanbidding nieuw leven ingeblazen door het christendom te stichten. Niettemin profeteerde hij dat er een afval zou plaatsvinden. Hij zei dat ware christenen, als tarwe, en pseudo-christenen, als onkruid, „beide te zamen [zouden] opgroeien tot de oogst”. Dan zouden engelen ’het onkruid verzamelen om het te verbranden’, terwijl ware christenen bijeengebracht zouden worden in Gods gunst (Matthéüs 13:24-30, 37-43). In de tweede helft van de negentiende eeuw was de bestemde tijd voor dit herstel van de ware aanbidding aangebroken.
Charles Taze Russell was in 1852 geboren in Pittsburgh (Pennsylvania, VS) en had als kind al van grote belangstelling voor de bijbel blijk gegeven. Toen hij even in de twintig was, liet hij het familiebedrijf voor wat het was om al zijn tijd aan prediken te kunnen besteden. Hij stierf in 1916 op 64-jarige leeftijd en had toen naar verluidt meer dan 30.000 preken gehouden en boeken geschreven die in totaal 50.000 bladzijden telden.
Hoewel Russell het loffelijke werk erkende dat anderen hadden gedaan om de bijbel te verbreiden, besefte hij tevens dat het vertalen, drukken en verspreiden van de bijbel op zich niet voldoende is. Daarom begon hij in 1879 het tijdschrift uit te geven dat wij thans kennen als De Wachttoren. In de eerste uitgave werd gezegd: „Wij zijn al te zeer geneigd te vragen: Wat zegt mijn kerk over een bepaalde vraag, in plaats van: Wat zegt de Schrift? Er wordt te veel theologie gestudeerd, en niet genoeg in de bijbel. Laten wij dus, uitgaand van de gedachte dat ’de Schrift ons wijs kan maken’ en dat ’de getuigenissen van de Heer betrouwbaar zijn, de eenvoudige wijs makend’, tot een onderzoek overgaan.”
Thans, na 110 jaar onafgebroken verschenen te zijn, onderzoekt De Wachttoren (die nu in 106 talen verschijnt en in een oplage van meer dan 13 miljoen exemplaren per uitgave) nog steeds Gods Woord. Miljoenen mensen zijn de hulp die dit tijdschrift verschaft bij het bestuderen, begrijpen en toepassen van wat de bijbel leert, gaan waarderen.
In tegenstelling tot veel van zijn hervormingsgezinde tijdgenoten predikte Russell geen speciale manier om tot God te naderen, beroemde hij zich niet op goddelijke visioenen of openbaringen, ontdekte hij geen esoterische boodschappen in de vorm van verborgen boeken of anderszins, en beweerde hij nooit dat hij de lichamelijk zieken kon genezen. Bovendien maakte hij er geen aanspraak op de bijbel te kunnen uitleggen. Als een gewillig werktuig in Gods handen weerstond hij elke verleiding om ’zijn eigen kaars’ het goddelijke licht te laten overstralen.
„Het is de waarheid en niet haar dienaar die geëerd en verkondigd moet worden”, schreef Russell in 1900, en voegde eraan toe: „Men is al te zeer geneigd de prediker de eer van de waarheid te geven, vergetend dat alle waarheid van God komt, die bij de verkondiging ervan de ene of de andere dienaar gebruikt zoals het hem behaagt.” Dat is de voornaamste reden waarom schrijvers en vertalers van Wachttoren-publikaties, alsook de leden van het New World Bible Translation Committee, verkiezen anoniem te blijven.
Gods Koning op de troon geplaatst!
In de eerste eeuw kondigde Johannes de Doper de ophanden zijnde verschijning van Jezus als Gods aangestelde Koning aan. In de negentiende eeuw was de tijd gekomen om de ophanden zijnde verschijning van die Koning in hemelse macht aan te kondigen. Bijgevolg werd in Zion’s Watch Tower van maart 1880 verklaard: „’De tijden der heidenen’ strekken zich uit tot 1914, en pas dan zal het hemelse koninkrijk in volledige mate heersen.”
Zo maakte ruim honderd jaar geleden de groep die thans bekendstaat als Jehovah’s Getuigen, in het openbaar bekend dat het jaar 1914 het begin van Gods koninkrijk zou inluiden. Als Gods koning op de troon werd geplaatst, zou dat een inleidende stap zijn tot het definitieve uitblazen van de flakkerende kaars van de valse religie, opdat ze het goddelijke licht niet langer zou verduisteren.
Toen de negentiende eeuw ten einde liep, was de religie van de christenheid niet in het bezit van ’bovenklederen’ die haar als Gods dienares identificeerden. Ze verdiende het door God verlaten te worden. De tijd dat ze geoordeeld zou worden, kwam naderbij. Daarover meer in onze volgende uitgave.
[Kader op blz. 18]
Enkele „late” kinderen van de Reformatie
Church of Christ, Scientist: Deze religieuze beweging staat algemeen bekend als Christian Science. Ze werd in 1879 gesticht door Mary Baker Eddy, die zeer gezondheidsbewust was. Haar naar verluidt onmiddellijke herstel van een ernstig ongeluk in 1866 overtuigde haar ervan dat zij de beginselen had ontdekt die Jezus in staat stelden de zieken te genezen en de doden op te wekken. Haar uit 1875 daterende boek Science and Health With Key to the Scriptures leert dat het geestelijke over het lichamelijke triomfeert, dat zonde, ziekte, dood en andere negatieve verschijnselen waandenkbeelden zijn die overwonnen kunnen worden door kennis van de waarheid en positief denken in harmonie met Gemoed, dat wil zeggen God.
Disciples of Christ: Deze kerk werd in 1832 opgericht door Amerikaanse presbyterianen die zich van de noodzaak van herstel bewust waren. Hun leuze was: „Waar de Schrift spreekt, spreken wij; waar de Schrift zwijgt, zwijgen wij.” Een naslagwerk beschrijft hen als „uiterst verdraagzaam in leerstellige en religieuze kwesties”. Leden lieten toe dat de politiek tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog ernstige verdeeldheid in hun gelederen zaaide. In 1970 waren er 118 richtingen, waaronder de in 1906 gevormde Churches of Christ.
Leger des Heils: William Booth was de stichter van deze religieuze groepering, die op militaire leest geschoeid is. Booth werd toen hij even in de twintig was prediker bij de methodisten en ging in 1861 onafhankelijk van hen evangelisatiearbeid verrichten. Hij en zijn vrouw richtten een predikingsmissie op onder de armen in het Londense East End. De naam van de groep werd in 1878 veranderd van Christian Mission in Salvation Army ofte wel Leger des Heils. Het Leger des Heils probeert ’zielen te redden’ door maatschappelijke hulp te verlenen aan daklozen, hongerigen, mishandelden en misdeelden.
Zevendedagsadventisten: Dit is de grootste van zo’n 200 adventistische groeperingen. Hun naam is gebaseerd op geloof in de tweede komst of advent van Christus. De adventisten zijn voortgesproten uit de beweging van de baptistische lekeprediker William Miller in het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw. De Zevendedagsadventisten leren dat de Tien Geboden nog steeds van kracht zijn en onderhouden daarom letterlijk de sabbat, op zaterdag. Sommige leden schrijven bijna bijbelse inspiratie toe aan de geschriften van Ellen Gould White, een van de invloedrijkste leidsters van de groepering, die beweerde dat zij verlicht werd door een reeks goddelijke visioenen.
[Illustratie op blz. 17]
De Steen van Rosette heeft de waarheidsgetrouwheid van de bijbel helpen bekrachtigen
[Verantwoording]
Met vriendelijke toestemming van de Beheerders van het British Museum