Ik beklom ’s werelds grootste monoliet
Door Ontwaakt!-correspondent in Australië
ALLES wat ik had gelezen en de talloze foto’s die ik had gezien ver overtreffend stond hij daar, majestueus, in al zijn pracht, in de stralen van de ondergaande zon. Dit waren de paar minuten waarop wij hadden gewacht. Terwijl wij gefascineerd toekeken, werd de massieve rotsmassa zachtroze, daarna warm purper en ten slotte dieprood. Dat was de kleur die ik vooral wilde vastleggen. Klik ging mijn camera voor de laatste keer.
Rondom mij klikten honderden andere camera’s, want voor de opgewonden mensen uit allerlei delen van de wereld was er een einde gekomen aan het gespannen wachten van die avond en zij legden een tafereel vast dat zijn weerga nauwelijks kent. Wij stonden namelijk bij Ayers Rock — ’s werelds grootste monoliet of geïsoleerde rotsformatie — gelegen in het geografische midden van Australië. Ja, eindelijk zag ik met eigen ogen dit ontzag inboezemende werkstuk van Gods hand.
Waarom zo spectaculair?
John Ross beschrijft Ayers Rock in zijn boek Beautiful Australia In Colour als „de opperste toeristische attractie in een land vol bezienswaardigheden, een levenonderhoudende kracht in een oud en dor land”.
Natuurlijk is de reusachtige omvang van Ayers Rock op zich al spectaculair, maar de wisselende kleuren brengen de ah’s en oh’s op de lippen van de toeschouwers. Deze monolithische zandstenen reus verheft zich 348 meter boven de woestijn en strekt zich uit over een lengte van 3,6 kilometer en een breedte van 2 kilometer. En alsof de caleidoscoop van kleuren teweeggebracht door de veranderende positie van de zon nog niet genoeg is, biedt de schitterende zilveren glans die de monoliet na een plotselinge stortbui omhult, nog een adembenemende aanblik.
Ayers Rock ligt 470 kilometer ten zuidwesten van de voornaamste stad van Centraal-Australië, Alice Springs. Hij ontleent zijn naam aan een van Zuid-Australiës voornaamste ministers, Sir Henry Ayers, maar staat bij de Australische Aborigines al eeuwenlang bekend als Uluru, waarvan de betekenis nu onzeker is.
De drang tot klimmen
Allen die Ayers Rock voor de eerste keer zien, schijnen de onweerstaanbare neiging te krijgen om het intrigerende verschijnsel van dichtbij te bekijken. Sommigen kunnen het zich veroorloven dit vanuit de lucht te doen, terwijl anderen per auto rond de voet rijden — een afstand van ongeveer tien kilometer. In mijn geval was beklimmen een must. Hebt u zin om met mij mee te gaan?
De vorm van wat wij gaan beklimmen, kunt u het beste vergelijken met de ronde rug van een slapend nijlpaard. Wij beginnen onze klim op ongeveer twee derde van het nijlpaardelijf gerekend vanaf de staart. Let eens op de rijen paaltjes die in het rotsoppervlak zijn bevestigd, met daartussen een ketting waaraan wij ons bij het klimmen kunnen vasthouden. Daar zijn wij blij om, want het pad is niet meer dan een smalle richel met aan weerszijden het aflopende rotsoppervlak. Blijkbaar heeft menige onvoorzichtige of overmoedige klimmer deze ketting genegeerd en om een ramp gevraagd. Nu herinneren wij ons nog levendiger de plaquette die onze gids ons aanwees toen wij met de klim begonnen. Daar stonden de meest recente dodelijke ongevallen op, met slachtoffers uit verscheidene landen. Het gevaar schuilt in plotselinge windstoten. Deze windvlagen kunnen een klimmer onverhoeds zijn evenwicht doen verliezen. Houd u dus aan de ketting vast. Dat zou u het leven kunnen redden!
Zoals de meeste onervaren klimmers beginnen wij met een bruisend enthousiasme dat ongeveer tien minuten aanhoudt, maar al gauw vervallen wij tot een langzame, gestage, moeizame tred. Het duurt niet lang of onze toeristenbus daar beneden lijkt heel nietig. Na twintig minuten klimmen blijkt duidelijk dat wij niet in zo’n beste lichamelijke conditie zijn. Wij hebben behoefte aan regelmatige rustpauzes. Maar wat een ontzag inboezemende vergezichten ontvouwen zich voor onze ogen ter compensatie van deze onderbrekingen als wij het panorama in ons opnemen dat zich naarmate wij hoger komen steeds verder uitstrekt! Links van ons doemen de reusachtige Olga’s op, een groep massieve rotsen die door een reuzenhand samengebundeld schijnen te zijn. De hoogste ervan is de Mount Olga, die 546 meter boven het dal uitrijst. Als onze ogen naar rechts gaan, zien wij in de verte het toeristenhotel en -complex dat vele miljoenen dollars heeft gekost en door een druk, voor de toeristenindustrie aangelegd vliegveld van gasten wordt voorzien. Daarachter en zover het oog reikt ligt de vlakke, saaie woestijn die zo kenmerkend is voor het binnenland van Australië.
Ik herinner mij dat ik naast onze bus stond en omhoogtuurde naar wat eruitzag als honderden bedrijvige mieren die heen en weer trokken tussen een nest in de grond en een voedselbron op de top. Zo moeten wij er nu vanaf de grond uit zien.
Zullen wij het halen?
Verder omhoog gaan wij, almaar hoger. Waarom doen onze kuitspieren zo’n pijn? Wij vergeten ze snel als wij geboeid raken door de kleine waterpoeltjes in het rotsoppervlak. Stel je voor, in elk poeltje zwemmen levende organismen — kleine kreeftjes! Maar dat is het enige leven dat er is op het verder massieve, dorre, naakte rotsoppervlak.
Wat zegt onze gids daar? Wij zijn nu halverwege. Is dat alles? Nou ja, het steilste deel is nu tenminste achter de rug en de veiligheidsketting is niet meer nodig. Van hier af gaat de klim geleidelijker, met slechts een geschilderde middenlijn om ons pad aan te geven. Wij kronkelen omhoog langs obstakels, omhoog en omlaag langs kleinere bochten in het rotsoppervlak. Wij beginnen ons af te vragen of wij ooit de top zullen bereiken.
Maar plotseling zijn wij er. Nu kunnen wij over de top van de Rock en langs de andere kant omlaag kijken. Meer lonende vergezichten. Voortdurende veranderingen in de contouren, alsof er fantastische dessins uitgehouwen zijn. Hier op de top vinden wij een cairn, een steenhoop die als richtingwijzer dient, en een plaats om onze handtekening te zetten als bewijs dat wij de top gehaald hebben.
Hoe verloopt de afdaling?
Hoe zal de afdaling echter gaan? Net als de meeste mensen ging ik ervan uit dat de tocht naar beneden een simpel wandelingetje zou zijn, gewoon een kwestie van je door de zwaartekracht naar beneden laten duwen terwijl je je zelf nauwelijks of niet hoeft in te spannen. Wat een vergissing! Ik ben nog maar een paar minuten met de afdaling bezig of ik merk al dat die kuitspieren het nu schijnen uit te schreeuwen. Elke stap lijkt weer pijnlijker dan de vorige. Heel wat pauzes later bereiken wij uiteindelijk de vlakke grond.
En dan lijkt het een herculische opgaaf om de korte, vlakke afstand naar de bus af te leggen. Maar uiteindelijk redden wij het toch en hier staan wij nu en kijken weer omhoog naar die woestijnreus, met nog steeds tientallen menselijke „mieren” die zich over het verbazingwekkende oppervlak omhoog- en omlaagreppen.
Het is opwindend en fascinerend geweest zo dicht bij een van Gods talloze scheppingswonderen te zijn. Lichamelijk is het vermoeiend geweest maar mentaal en emotioneel zeer stimulerend. Wat mij betreft, ik kan niet nalaten een kort dankgebed tot Jehovah op te zenden dat ik op 61-jarige leeftijd nog de kracht heb om ’s werelds grootste monoliet te beklimmen.
[Kaart op blz. 14]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Australië
Alice Springs
[Illustratie op blz. 15]
De steile klim de Ayers Rock op