Nu speel ik een andere melodie
DE LANDEN rond de Middellandse Zee waarover ik als tienjarig jongetje hoorde, waren in mijn kinderlijke verbeelding verre, exotische plaatsen, gehuld in geheimzinnigheid. Hun vreemde muziek had akkoorden die mystieke associaties opriepen, en oude geluiden die mij fascineerden. Ik had nooit gedacht dat ik als volwassene vele van deze landen zou bezoeken. Toch speelde ik later als musicus in een Spaans dansorkest in Marokko, Ethiopië, Griekenland, Libië, Soedan, Egypte en andere landen.
Ik was geboren in het dorpje Cervera del Río Alhama in het beroemde wijngebied La Rioja, in Noord-Spanje. Vanaf mijn kinderjaren had mijn vader erop gestaan dat ik trompet leerde spelen; mijn moeder zorgde ervoor dat ik streng religieus werd opgevoed. Zij leerde mij om elke zondag en op heiligendagen naar de mis te gaan.
Deze gewoonte was zo sterk bij mij ingeworteld dat ik jaren later, toen ik rondreisde, altijd naar een kerk uitkeek om naar de mis te kunnen gaan.
Een ander instrument
In 1959 tekende ik een contract om te spelen in het orkest Los Cinco de España (De Spaanse Vijf). Bij één gelegenheid, toen wij op Cyprus speelden, vroeg een collega mij wat ik graag las. Mijn antwoord was: „Gewijde geschiedenis.” „Als u van gewijde geschiedenis houdt,” zei hij, „ken ik iemand die u daarin kan onderwijzen.”
Ik heb die persoon nooit ontmoet, maar hij liet mij een bijbel achter. Wat een onverwacht geschenk! Ik begon er gretig in te lezen. Dat boek werd als een nieuw instrument voor mij — een prachtig instrument. Maar in mijn handen was het als een professionele accordeon in de handen van een beginneling.
Later arriveerde ik in Libië en ontmoette een Griek genaamd Panos. Hij was een van Jehovah’s Getuigen. Het was puur toeval dat wij dezelfde slaapkamer deelden. De eerste dag, toen ik mijn koffers uitpakte, haalde ik mijn verlichte crucifix te voorschijn, dat ik in het stopcontact stopte. Vervolgens kwamen enkele afbeeldingen van „heiligen” te voorschijn, die ik over de tafel uitspreidde. In de koffer had ik nog vier kruisbeelden die ik voor mijn zusters in Spanje had gekocht. Om mijn nek droeg ik aan een gouden ketting ook nog mijn eigen crucifix. Het laatste dat ik uitpakte was de bijbel die ik op Cyprus had gekregen.
Panos sloeg mij gade, maar gaf geen commentaar. Enkele dagen later kwam het onderwerp ter sprake, waarop een discussie ontstond. Ik was zeer onder de indruk van de manier waarop Panos de bijbel kon hanteren. Hij sprak over Exodus hoofdstuk 20 vers 1 tot 7, en Deuteronomium hoofdstuk 7 vers 25.
Ik las de teksten. „Wat is dat?” vroeg ik. „Gij moogt u geen gesneden beeld maken, noch enige gedaante gelijkend op iets wat in de hemel boven of wat op de aarde beneden is . . . Gij moogt u voor die niet buigen, noch u ertoe laten bewegen ze te dienen.” En: „De gehouwen beelden van hun goden dient gij in het vuur te verbranden. Het zilver en het goud daaraan moogt gij niet begeren.”
Ik keek naar mijn verlichte kruisbeeld, de afbeeldingen van de „heiligen”, mijn gouden crucifix. Ik dacht aan de kerken vol beelden waar ik de mis bijwoonde — voor mij waren dat voorwerpen van aanbidding en verering!
Enkele dagen gingen voorbij na dat gesprek. Ik dacht diep na over wat de bijbel zei en nam ten slotte een beslissing. Ik weifelde niet. Ik nam een zware steen en sloeg die heiligenprentjes aan gruzelementen en gooide de brokstukken in zee. Een geregelde studie van de bijbel met de hulp van die Griekse musicus nam mijn twijfels weg.
Een andere melodie
Voordat ik naar Spanje terugkeerde, begon ik mijn familie te schrijven over mijn pasgevonden geloof — soms niet al te tactvol. Toen ik in mijn geboorteplaats terugkwam, verzamelde ik al mijn symbolen van aanbidding en sloeg ze aan stukken en verbrandde ze.
Op een avond bracht ik ongeveer 80 van mijn buren en vrienden bijeen en gaf hun getuigenis. Sommigen waarschuwden mij dat mijn vurige ijver mij duur zou komen te staan. In die jaren, vóór 1970, bestond er in Spanje geen godsdienstvrijheid voor Jehovah’s Getuigen. Men vertelde mij zelfs dat in een naburige stad een paal was opgericht waaraan men mij wilde ophangen. Maar ik beschouwde dat als een loze bedreiging. Belangrijker was dat ik vaardigheid begon te krijgen in het gebruiken van het instrument der instrumenten — de bijbel.
Hoe meer ik hem gebruikte, hoe gemakkelijker het werd om allerlei punten met teksten te staven: Exodus 20:1-5, God veroordeelt het gebruik van beelden bij de aanbidding; Ezechiël 18:4, 20, de ziel is niet onsterfelijk; Johannes 1:1, 18, Jezus is de Zoon van God, niet God zelf. Vanuit een eenvoudige, hechte basis kon ik mijn geloof bewijzen.
Mij inzetten voor een betere zaak
Later werd ik tijdens een tournee door Nederland op 19 mei 1968 gedoopt.
Dat betekende voor mij het begin van een nieuwe carrière. Ik keerde naar de Rioja-streek terug, waar mijn zuster en mijn nicht inmiddels ook waren gedoopt. Zij waren de eerste vruchten van mijn vroege, onstuimige predikingsactiviteit. In deze periode werd ik gearresteerd terwijl ik met een kringopziener in Soria aan het prediken was. Dit was voordat Jehovah’s Getuigen in Spanje in 1970 legaal werden. Na twaalf uur van ondervraging werd ik voor drie dagen in de gevangenis opgesloten. Ik benutte die tijd door in de gevangenis te prediken. Een van de gevangenen, afkomstig uit Sevilla, kreeg belangstelling voor de waarheid. Na zijn terugkeer naar Andalusië aanvaardde hij een bijbelstudie en werd na verloop van tijd gedoopt.
Nu ik mij had opgedragen en gedoopt was, besloot ik de volle-tijddienst op te nemen. In 1970 werd ik aangesteld als een speciale-pionierbedienaar, en in de daaropvolgende jaren predikte ik in vele delen van Spanje. In al deze toewijzingen reageerden mensen gunstig op de melodie van het goede nieuws van Gods koninkrijk in handen van Christus. Er zijn nu krachtige gemeenten van Jehovah’s Getuigen werkzaam waar 20 jaar geleden slechts kleine groepjes waren of helemaal niemand.
Ik beschouw het als een voorrecht een kleine rol te mogen spelen in die expansie, niet met mijn trompet, maar met Gods Woord, de bijbel (Psalm 9:11). — Zoals verteld door José María Peláez.
[Illustratie op blz. 26]
Nu is de bijbel mijn instrument, en de Koninkrijksboodschap de melodie