Een slechte vlieger, een goede klimmer — de unieke hoatzin
Door Ontwaakt!-correspondent in Suriname
’ZE LIJKEN op fazanten’, opperde één geleerde.
’Het lijkt mij een eigenaardig soort hoen’, beweerde een collega.
’Nee, ze zijn het meest verwant aan de koekoek’, was de stelling van weer anderen, hetgeen de auteur van één naslagwerk ertoe bracht voorzichtig te schrijven: „Plaatsing in het zoölogische systeem omstreden.”
Maar wat zijn „ze” dan wel? Wel, het zijn geen fazanten, geen hoenders en geen koekoeken. Het zijn hoatzins. En ze verschillen zoveel van andere vogels dat sommige ornithologen ze in een aparte familie plaatsen.
Als u echter nog nooit van de hoatzin hebt gehoord, komt dit ongetwijfeld door het feit dat ze alleen maar langs de tropische rivieren van Zuid-Amerika voorkomen. (Volgens een ornitholoog met wie ik sprak, is het heel moeilijk de hoatzin in gevangenschap in leven te houden.) Maar misschien gaat u bij één van zijn talrijke bijnamen een lichtje op. De namen variëren van het kleurrijke cigana (zigeunervogel) tot het weinig vleiende stinkvogel, en van het verheven Gouverneur van Batenburg-kalkoen tot het vernederende Gekke Hanna. De lijst aliassen van de vogel wordt gecompleteerd door de namen kuifhoen, Canje-fazant en de naam die de Indianen hem gaven: Zezieras.
Vroege verslagen over deze vogel noemden hem „de vreemdsoortigste van alle vogels die de Zuidamerikaanse wouden bevolken”. Aangezien er alleen al in Suriname 650 vogelsoorten voorkomen, was dat misschien iets overdreven. Niettemin is er ondanks het verstrijken van de tijd en nieuwe ontdekkingen, niets veranderd aan het feit dat deze vogel nog altijd mensen weet te boeien. In de afgelopen 25 jaar hebben geleerden vaak met ouderwetse verbazing hun kijkers laten zakken en uitgeroepen dat de hoatzin „verbazingwekkend”, „uniek”, „volkomen anders”, „vreemd”, „ongewoon” en „zeer opmerkelijk” is. Maar waarom verdient de hoatzin al deze omschrijvingen?
Gekke Hanna
Om daarachter te komen, stelde ik op een dag mijn kijker scherp op een dichtbegroeid eilandje in de Corantijn — de rivier die de grens vormt tussen Guyana en Suriname, en het enige gebied van Suriname waar de hoatzin nog steeds voorkomt. Daar ze vooral actief zijn bij het aanbreken van de dag en het vallen van de avond, zorgden wij ervoor dat ons groepje in de kleine boomstamkano het eilandje kort na zonsopgang bereikte.
Toen wij het eilandje op zo’n vijftig meter waren genaderd, wisten wij dat wij ze hadden gevonden. Hun luide roep — zo iets als „tsjatsjalaka” — verraadde ze. Toen op dit moment een groepje van ongeveer tien vogels te voorschijn kwam, hielden wij onze adem in en probeerden ons niet te verroeren. De vogels fladderden echter druk op de takken rond terwijl ze eens zo hard hun vreemde roep lieten horen.
„Zie je, daarom noemen wij ze Gekke Hanna’s”, zei David, onze Indiaanse vriend. „Een vogel die goed bij zijn verstand is, zou zich stilhouden, zich verbergen of wegvliegen. Maar deze Hanna’s maken meer geluid en blijven in de buurt! Zo’n vogel moet wel gek zijn”, grinnikte David.
Gek of niet, wij waren blij dat ze ons voldoende tijd gaven om ze langdurig en van dichtbij te bekijken. De vogel heeft een lengte van ongeveer 60 cm, ruwweg het formaat van een fazant, met grote, afgeronde vleugels en een lange, brede staart die het grootste deel van zijn lengte in beslag neemt. Hij heeft een rijke vederdos in de herfstkleuren kastanje- en roestbruin, en glanzend olijfgroen met strepen zwart en geelwit. Maar verder naar boven veranderen de kleuren. Op een lange magere nek zit een klein kopje. De vuurrode ogen zijn omgeven door een kale kobaltblauwe huid.
Wat de kop aan omvang mist, wordt goedgemaakt door de opvallende bruingele kuif. Inderdaad een kuifhoen! Met elk beweginkje van zijn kop of elk licht briesje golft de kuif als een waaier heen en weer.
Voedsel en voedselopslag
Het werd duidelijk dat de hoatzins aan het ontbijten waren toen wij ze stoorden. Het zijn vegetariërs en ze voeden zich met bladeren, knoppen, vlezige zaden en vruchten. Wij ontdekten er zelfs één die zich hoog in een balsaboom te goed deed aan de bladeren. Maar hun favoriete voedsel is de mokomoko of aronskelk — een inheemse plant met reusachtige pijlvormige bladeren. De vogel rukt gretig aan de stugge bladeren en slokt grote flarden naar binnen en vult er zijn krop mee.
Krop? Ja, de krop is een buidel die vijftig keer zo groot is als de maag van de vogel. Daarin bewaart de vogel zijn voedsel, waar het geweekt wordt en een eerste vertering ondergaat. Deze krop is zo groot dat er weinig ruimte in de borst overblijft voor sterke spieren. Met welk gevolg? De hoatzin is een slechte vlieger.
Toegegeven, wanneer u het luide, gonzende geluid hoort dat deze vogel tijdens de vlucht maakt, zou u denken dat hij een toonbeeld van gratie is. Maar die verwachting komt niet uit. O, hij doet echt zijn best — energiek ranselt hij zijn vleugels op en neer, zich tot het uiterste inspannend maar nauwelijks vooruitkomend. In feite heeft hij meer weg van een opstijgende helikopter dan van een elegant vliegtuig. Gedurende een korte vlucht van ongeveer honderd meter laat hij bij elke afmattende vleugelslag een protesterend gekrijs horen, en hij verlangt er duidelijk naar zo gauw mogelijk ergens te kunnen neerstrijken. In tegenstelling tot het bevallige landen van andere vogels lijkt de landing van de hoatzin meer op een crash. Recht op de bomen of bosjes afvliegend, klauwt hij met wijd uitgespreide poten onhandig om zich heen naar elke willekeurige tak binnen zijn bereik. Het is een volkomen lukrake landing. Soms valt hij een metertje of wat naar beneden voordat hij eindelijk een tak beetheeft, waarop hij een kreet van opluchting slaakt.
Aflossing van de wacht
Tijdens het regenseizoen — broedtijd in het land van de hoatzins — had ik een keer de gelegenheid om van nabij een van hun nesten te bekijken. Het bevond zich, verscholen achter een haag van mokomoko-stengels, op zo’n drie meter boven het water. Het zag er functioneel uit, zonder tierlantijnen: een eenvoudig platform, slordig geconstrueerd van twijgen ter dikte van een potlood. Het had een middellijn van ongeveer 30 cm en was van binnen niet bekleed. En het was zo’n losjes gebouwd geval dat men de eitjes dwars door de bodem van het nest heen kon zien. Gewoonlijk vindt men in zo’n nest twee tot vijf roomwitte eitjes met bruine en roze spikkels. Ze komen na ongeveer 28 dagen uit. Maar vader en moeder hebben een manier gevonden om de verveling tegen te gaan. Ze broeden om de beurt.
Vroeg in de morgen en laat in de middag vindt volgens schrijver Lear Grimmer de „aflossing van de wacht” plaats. Grimmer zegt: „De vogels maken gewoonlijk korte, formele buigingen naar elkaar voordat ze van plaats verwisselen.” En wanneer ze eenmaal op hun plaats zitten, zullen ze hun kroost moedig verdedigen. Dwergbuidelratten, hondskopboa’s, roofvogels en doodshoofdaapjes zijn allemaal verzot op de eieren — en ook op de kleintjes zelf! Maar de indringers worden begroet door de waarschuwingskreten van de onverschrokken oudervogels, die klaarstaan voor de aanval!
Wat een baby!
De volwassen hoatzin mag dan ongewoon zijn, een baby-hoatzin is nog zonderlinger. Wanneer het ei uitkomt, verschijnt er een kaal kuikentje, gewapend met een sterke snavel en overmaatse poten. Maar let eens even op de goed ontwikkelde klauwen of „vingers” die aan de punt van elke vleugel zitten en veel weg hebben van onze duim en wijsvinger. E. A. Brigham, die de vogels een eeuw geleden bestudeerde, schreef: „Uit een ei, gelegd door een vogel met twee poten en twee vleugels, komt een dier met vier poten.”
Als ze nog maar een paar uur oud zijn, kijken de jongen al over de rand van het nest en kruipen naar buiten. Op „handen en voeten” klauteren ze tussen de takken en ranken door, daarbij gebruik makend van hun papegaaiachtige snavel en de grote klauwpoten en krachtige vleugelhaken. Werkelijk goede klimmers! Maar de „handen” zijn ook doeltreffende „peddels”. Telkens als er gevaar dreigt, duikt het kleintje moedig van drie meter hoogte of nog hoger de rivier in. De goede klimmer is dus eveneens een bekwame duiker en een uitstekende zwemmer. Het kuiken kan dan naar de beschermende dichte begroeiing aan de oever peddelen. Dan zal het, om de ouders te laten weten waar het zich bevindt, een kenmerkend „skwieoonk” laten horen, zijn „peddels” weer in „handen” veranderen en omhoogklauteren. De gewaarschuwde oudervogels zullen het nu te hulp komen en het verschrikte kind helpen in het nest terug te keren.
Reddende stank
„Verse paardemest”, schreef een onderzoeker.
„Een koestal”, voegde een ander eraan toe.
„Ze hebben een . . . onaangename muffe geur”, gaven de deskundigen toe. Zij waren met hun neus te dicht in de buurt van de vogel gekomen en gaven eensgezind lucht aan hun mening: een stinkvogel! Waardoor werd die stank nu veroorzaakt?
„Het vlees ervan . . . ruikt verschrikkelijk”, schreef er een.
„In werkelijkheid is het niet het vlees dat zo ruikt, maar de inhoud van de krop”, meende een ander. Hoe denken de inheemse mensen erover?
„Prima vlees. Het smaakte naar meer!” lachte William, een geroutineerde jager. „Net kalkoen.”
„Het is niet het vlees, maar het zijn de veren die zo ruiken”, voegt een oudere vrouw eraan toe die enkele hoatzins had geplukt. Maar de meesten halen hun neus op en houden vol: „Ze stinken!” En die krachtige overtuiging zou wel eens de redding kunnen zijn geweest voor dit overigens vrij kwetsbare dier.
De hoatzins mogen dan een onaangename lucht hebben en niet al te gracieuze vliegers zijn, maar eigenlijk is overleving in een wereld waarin vele dieren met uitsterven worden bedreigd, geen geringe prestatie. Misschien is Gekke Hanna helemaal zo gek nog niet.