Van fanatieke nazi tot christelijke opziener
„GEEF acht! Hoofd rechts! Hitlerjugend Groep, district Böblingen, meldt zich.” Met hoeveel trots presenteerde ik „mijn jongens” aan onze meerderen bij trainingsoefeningen, tijdens parades en bij andere gelegenheden. Hun gehoorzaamheid en precisie wonden mij op. Ik werd meegesleurd in de opwinding van een nieuw tijdperk. In het begin van de jaren ’30 hadden wij daar zonder enige twijfel behoefte aan.
Duitsland had verschrikkelijk geleden van de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, van de lange jaren van onbestendigheid en politieke verdeeldheid. De werkloosheid nam reusachtige vormen aan. In die tijd werkte ik bij een kleermaker in Stuttgart, die mij vier Mark per week betaalde, ongeveer net genoeg voor een ontbijt en een dun soepje als middagmaal. En mijn situatie was niet uitzonderlijk. Het was nauwelijks verbazingwekkend dat Duitsland ziedde van onrust. De toekomst zag er werkelijk somber uit.
En toen kwam „hij”! Eindelijk een man die wist wat hij deed! Natuurlijk was niet iedereen het met hem eens, maar niemand kon ontkennen dat hij met gezag de leiding nam en dat hij dingen gedaan kreeg. De economie was verbeterd; de werkloosheid was gedaald. Niemand leed honger. Het begon er allemaal wat bemoedigender uit te zien. Dit was succes, en het maakte zijn woorden geloofwaardig.
IJverige steun verlenen
Ik ben geboren en getogen in Holzgerlingen, een dorpje vlak buiten Stuttgart. Ik was lid van onze plaatselijke sportvereniging en toen de meeste leden hun steun aan Hitler gaven, sloot ik mij bij hen aan. Tenslotte was ik werkelijk onder de indruk van hem, en de gelegenheid een aandeel te kunnen hebben aan het verbeteren van de levensomstandigheden trok mij aan.
Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam — ik was toen 24 — was ik al lid van de nazi-partij. Mijn vrienden, die mijn ijver zagen, zeiden al gauw: „Willi, jij zou best deze of gene functie over kunnen nemen.” Zo kwam het dat ik binnen betrekkelijk korte tijd zes verschillende verantwoordelijke posities binnen de partij bekleedde. Ik beschouwde het als een eer.
Ik werd bijvoorbeeld aangesteld als leider over de bruinhemden in onze omgeving — zoals de stormtroepen van de partij genoemd werden. Dit leidde er later toe dat ik de leiding kreeg over meer dan 2000 leden van de Hitlerjugend. Geweldig was het om zo met hart en ziel te dienen in een dynamische partij met een programma waarvan iedereen profijt zou hebben! Mijn ijver grensde aan fanatisme. Wee degene die het waagde mijn zienswijzen tegen te spreken!
Stel u dus voor, als u kunt, hoe verrukt ik was toen ik aangewezen werd om een manifestatie in Stuttgart bij te wonen waar de Führer zelf aanwezig zou zijn. Wat een prachtig gezicht! Ongeveer 70.000 man SA en Hitlerjugend, rij na rij van mannen in bruine uniformen, die als één machine bewogen. En toen de climax, toen mij ten overstaan van deze enorme menigte de eer te beurt viel „hem” persoonlijk de hand te schudden!
Een spaak in het wiel
Martha en ik trouwden in 1932. Wat was ik blij een partner te hebben die mijn idealen deelde! Alles ging goed, tot zij het oneens begon te worden met de dingen die ik deed. Iemand had een spaak in het wiel gestoken, en het was niet moeilijk erachter te komen wie dat was — Mina, mijn schoonzuster. Zij was een van Jehovah’s Getuigen geworden en had zich er niet van weerhouden haar zuster alles te vertellen over haar „nieuw-ontdekte waarheden”. Dit beviel mij als nazi natuurlijk helemaal niet.
Ons huwelijk kwam onder behoorlijke spanning te staan. Ik herinner mij bijvoorbeeld dat ik thuiskwam van die partijdag in Stuttgart, opgetogen omdat ik de hand van de Führer geschud had. Martha glimlachte alleen maar en zei: „Dat betekent zeker dat je nu je hand niet meer wast?” Ik ontplofte. Hoe kon zij de draak steken met zo’n grote eer, zo’n voorrecht? Begreep zij het dan niet?
Dikwijls kon ik het niet laten tegen haar te schreeuwen, maar zij reageerde dan altijd bedaard, waardoor ik nog veel woedender werd. Waar haalde zij tegenover mijn razen en schelden de innerlijke kracht vandaan om zo te reageren? Eén keer joeg ik haar letterlijk het huis uit. Maar daar werd de zaak natuurlijk niet beter van en ik kon de hele nacht niet slapen. De volgende dag haalde ik haar ondanks mijn gekwetste trots weer naar huis. Haar gedrag bleef zoals voorheen — onberispelijk.
Zou het kunnen zijn dat ik, en niet zij, het bij het verkeerde eind had? Alleen al de gedachte was afschuwelijk. Dat zou immers niets minder betekenen dan het einde van mijn persoonlijke idealen, het einde van mijn wereld.
Drie uur die mijn leven veranderden
Op een dag kwam ik na exercities met de jeugdtroepen met koorts thuis. Ik ging naar bed en vond de bijbel van mijn vrouw op het nachtkastje liggen. Dat was ongewoon, want zij wist dat zij de kans liep dat ik hem in mijn fanatieke ijver zou verbranden. Hoewel ik het beneden mijn waardigheid achtte, pakte ik om een of andere reden de bijbel op en begon erin te lezen. In Openbaring 17 en 18 trof ik verwijzingen naar een grote hoer die Babylon de Grote werd genoemd. De uitdrukking was bekend, want ik had Martha die wel eens horen gebruiken, maar ik was te trots geweest om te vragen wat ermee bedoeld werd. Nu wist ik tenminste waar die uitdrukking vandaan kwam. Maar wat ze betekende, wist ik nog steeds niet.
Vastbesloten erachter te komen, riep ik haar uit een andere kamer. Zij was zichtbaar ontdaan toen zij mij met haar bijbel in de hand zag, bang dat er iets mee zou gebeuren. Nog steeds te trots om naar mijn eigen vrouw te luisteren, vroeg ik: „Kun je Mina te pakken krijgen zodat zij mij kan uitleggen wie deze Babylon is?”
Haar zuster kan op dat moment heel goed gedacht hebben dat het een valstrik was die kon eindigen met opsluiting in een concentratiekamp. Niettemin overwon zij alle angst die zij misschien voelde, en kwam. En wij praatten. Drie uur lang praatten wij, drie uur die letterlijk mijn leven veranderden.
Ik was protestant opgevoed en was nu en dan naar de kerk gegaan. Maar ik was niet echt godsdienstig. Nu begon ik echter op te merken dat wat de bijbel over Babylon de Grote zei, werkelijk een goede beschrijving van de kerken was. Geleidelijk aan begon ik in te zien hoe volken en natiën het slachtoffer waren geworden van de „wijn van haar hoererij” en hoe de „koningen der aarde . . . hoererij met haar [hadden] bedreven” (Openbaring 18:3). En daar hoorde ook nazi-Duitsland bij!
Hoe meer Mina uitlegde, des te beter begreep ik de woorden van de bijbel en de hedendaagse toepassing ervan. Hoe kon dit alles zoveel eeuwen van tevoren geprofeteerd zijn? Ik werd erdoor getroffen als door de bliksem. Ik wist nu hoe de apostel Paulus zich gevoeld moest hebben — dit was werkelijk de waarheid! (Handelingen 9:1-19) Ik had er niet lang voor nodig om tot een besluit te komen.
De volgende dag, nog steeds met hoge koorts, stond ik op en ging ik mijn lidmaatschap zowel van de partij als van de kerk opzeggen. Dit hield natuurlijk ook in dat ik alle zes verantwoordelijke functies in de nazi-partij neerlegde. Dat was een gewaagde stap, want de nazi’s zaten vast in het zadel en alles wat niet paste in hun ideologie werd genadeloos uitgeroeid. Dat wist ik maar al te goed, want had ik niet zelf dat beleid tot nu toe krachtig ondersteund? Wat zou er nu met mijn zaak gebeuren? Wat zou er met mij gebeuren?
Beproevingen op mijn rechtschapenheid
Precies drie weken nadat ik mijzelf tot het gesprek van de dag in ons dorp had gemaakt, verheugden Martha en ik ons over de geboorte van ons eerste kind. Maar onze vreugde was van korte duur; er traden complicaties op en het kind stierf twee weken later. Martha’s leven hing nog wekenlang aan een zijden draadje. Was dit een straf van God? Misschien hebben anderen dat gedacht, maar wij niet. Het bracht ons dichter bij Jehovah, de God van liefde, die Martha beter liet worden en ons geloof in de opstanding sterkte en ons de krachtige hoop gaf onze kleine Esther weer te zien.
Intussen begonnen de dorpelingen, zelfs mijn meest loyale oude klanten, mijn kleermakerij te boycotten. Maar zij wisten dat ik hen altijd goed bediend had, eerlijk was geweest en goed werk had geleverd. Daarom begon die boycot na enkele weken ineen te storten. Er kwamen klanten terug, al kwamen sommigen alleen ’s avonds als het donker was, om niet door anderen gezien te worden. Het duurde niet lang of mijn zaak deed het nog beter dan voorheen!
Van tijd tot tijd ontvingen wij lectuur van de Getuigen, die wij onmiddellijk lazen en dan snel aan anderen doorgaven. Maar aangezien deze lectuur verboden was, kregen wij ook veelvuldig bezoek van de Gestapo, die erop gebrand was er iets van in ons huis te vinden. Op een middag omstreeks twee uur stonden er onverwachts twee Gestapoagenten voor onze neus. Uitgerekend op dat moment! Juist de vorige dag hadden wij een brochure ontvangen die ik die avond door moest geven. Zij begonnen met hun huiszoeking, maar keerden zich toen plotseling om en vertrokken, zonder te zien wat bijna pal onder hun ogen boven op de radio lag — de brochure!
Wij liepen altijd gevaar gearresteerd te worden. „Willi, weet je wel wat je doet? Je lijkt wel gek”, zei de hoogste plaatselijke nazi-functionaris tegen mij toen ik als lid van de partij bedankte. Maar aangezien zijn broer met een van de zusters van mijn vrouw getrouwd was, weerhielden familiebanden hem er klaarblijkelijk van mij aan te geven. Het leek wel of anderen in de stad die mij goed kenden, die mijn oprechtheid onderkenden en mij respecteerden, samenspanden om de hele situatie dood te zwijgen.
Nooit zal ik de zogenaamde vrije verkiezingen van 1935 vergeten. Uit trouw aan Jehovah’s koninkrijk bleven wij neutraal en weigerden ons in de politiek te laten betrekken. Die avond tegen acht uur marcheerde er een groep van ongeveer tachtig SA-mannen tot voor ons huis en riep voor iedereen verstaanbaar in de avondstilte: „Zij die hier wonen zijn verraders van de Duitse natie. Duitsland heeft geen plaats voor jullie soort. Jullie moesten opgehangen worden. Loop naar de Duivel zoals Judas deed!”
Als voormalige nazi vond ik het niet leuk een verrader genoemd te worden. Maar ik dacht aan wat Jezus had gezegd: „Indien de wereld u haat, gij weet dat ze mij eerder dan u heeft gehaat” (Johannes 15:18). Deze haat bewees dus eenvoudig dat wij het bij het rechte eind hadden. Velen van deze SA-mannen hebben later hun leven geofferd voor een verloren zaak. Twee van hen die na de oorlog nog leefden, zijn echter persoonlijk hun verontschuldigingen komen aanbieden voor hun handelwijze.
Tot daden aangezet
Zodra de belemmeringen van het nazi-regime uit de weg waren geruimd, begonnen Jehovah’s Getuigen in heel Duitsland zich te reorganiseren. Ik heb mogen meemaken hoe onze kleine groep in Holzgerlingen uitgroeide van slechts zes in die tijd tot meer dan 100 nu. En wat een vreugde om uit onze naaste familie 28 personen de prediking op zich te hebben zien nemen.
Nu al bijna veertig jaar verheug ik mij in het vervullen van de taken van gemeentelijke opziener. Beslist niet op de gebiedende en starre toon van de nazi-leider die ik eens was, maar in de dienende geest van liefde en nederigheid die van christelijke onderherders wordt verlangd. — Matthéüs 23:10, 11; 1 Petrus 5:2, 3.
Oktober 1934, het tijdstip waarop ik volledig brak met het nazisme en Babylon de Grote, ligt meer dan een halve eeuw achter mij. Jaren later hoorde ik dat in diezelfde maand gemeenten van Jehovah’s Getuigen over de gehele aarde Hitler telegrammen hadden gestuurd die luidden: „Uw mishandeling van Jehovah’s Getuigen schokt alle goede mensen op aarde en onteert Gods naam. Onthoud u van verdere vervolging van Jehovah’s Getuigen, want anders zal God u en uw nationale partij vernietigen.” Ik heb die woorden in vervulling zien gaan.
Wat ben ik blij dat ik de verraderlijke propaganda en leuzen van het nazisme nog net op tijd doorzien heb! Zo heb ik mijzelf de schande bespaard in de zonden ervan te delen en later de pijn te moeten ondergaan van het ontvangen van een deel van zijn plagen, zoals velen van mijn voormalige kameraden. — Zoals verteld door Willi Wanner.
[Inzet op blz. 14]
Dikwijls kon ik het niet laten tegen mijn vrouw te schreeuwen, maar zij reageerde altijd bedaard
[Illustratie op blz. 13]
Sportclubvrienden in 1928, toen al nazi’s. De jonge man linksboven en ik (vooraan midden) zijn Jehovah’s Getuigen geworden
[Illustratie op blz. 16]
Willi Wanner, zijn vrouw Martha, en haar zuster Wilhelmine