Verbazingwekkende schepselen die hun Schepper loven
WAT IS HET?
WAT HET OOK IS, het lijkt uit een grabbelton afkomstig. De snavel van een eend, een staart van een bever, een aarsopening van een reptiel, zwempoten en vacht van een otter. Het legt eieren als een vogel, zoogt zijn jongen als een zoogdier. Heeft sporen als van een haan aan zijn poten, waarmee het gif kan inspuiten als met de tanden van een groefkopadder. Het is zo groot als een konijn, en kan eten als een paard: 1200 aardwormen, 50 rivierkreeften, en bovendien kikkervisjes, larven en kevers — dit alles elke 24 uur opnieuw! Het is zo’n bizar schepsel dat toen men in Londen twee eeuwen geleden voor het eerst een huid ervan te zien kreeg, sommigen die voor vervalsing hielden. Maar het bestaat werkelijk. Het leeft in Australië. Het is een vogelbekdier.
Als u gelooft in een Schepper-Ontwerper, stelt het vogelbekdier u niet voor problemen. Maar als u in evolutie gelooft, is dat wel het geval. Evolutionisten kunnen u niet helpen. Eén werk zegt: „Wij hebben geen harde bewijzen die ons vertellen van welke fossiele reptielen ze afstamden. Onze kennis van de vele kandidaten is in aanzienlijke mate gebaseerd op tanden.” Maar tanden vormen geen hulp — het vogelbekdier heeft geen tanden. „Evenmin beschikken wij over fossiel bewijsmateriaal van enig belang, dat ons over hun voorouders zou inlichten. Wij hebben dus vrijwel niets dat ons helpt om deze schepselen in verband te brengen met enige groep van fossiele reptielen.”
Aangezien er niets is waardoor het vogelbekdier met de reptielen in verband gebracht kan worden, hoe kan er dan gezegd worden dat het eens een reptiel was maar nu bezig is in een zoogdier te veranderen? Zou het misschien een zoogdier zijn dat bezig is een vogel te worden? Of een in een reptiel veranderende vogel? Aangezien niemand weet waar het van afstamt of waarin het zich ontwikkelt, is het misschien gewoon wat het altijd al is geweest — een vogelbekdier, in de vorm waarin het door zijn Schepper, Jehovah, was ontworpen.
Waarom de voeten van pinguïns niet bevriezen
ZE BEVINDEN ZICH VOORTDUREND op sneeuw of ijs of in ijzig water. Hun voeten komen wel dicht bij het punt van bevriezen, maar raken toch niet bevroren. Als er warm bloed doorheen werd gepompt, zou dat sterk afgekoeld in het lichaam terugkeren. Spoedig zou het warmteverlies via de voeten zo groot worden dat niet alleen de voeten zouden bevriezen, maar het hele dier. Er is daarom een ingenieus warmtewisselingsmechanisme dat het probleem voor de pinguïn oplost. De slagaders die naar de voeten leiden, zijn omringd door aders die de voeten verlaten. Zo wordt het koude bloed dat de voeten via deze aders verlaat, verwarmd door het warme bloed dat via de slagaders omlaagstroomt. Het bloed in de slagaders dat aldus wordt afgekoeld, is nog warm genoeg voor de voeten die veel pezen maar weinig spieren bevatten — koude pezen kunnen hun werk nog doen terwijl koude spieren dat niet kunnen. Door middel van deze ingenieuze warmte-uitwisseling wordt het lichaam van de pinguïn warm gehouden en bevriezen zijn voeten niet.
Twee soorten winterslaap, beide verbazingwekkend
DE WINTERSLAAP IS een verbazingwekkend kunststukje. Het aantal dieren dat een echte winterslaap houdt is verhoudingsgewijs klein — slaapmuizen, grondeekhoorns, marmotten (met inbegrip van de bosmarmot of ’woodchuck’). De temperatuur van de kleine dertienstreepgrondeekhoorn daalt tot slechts een paar graden boven de buiten heersende koude. Zijn ademhaling neemt af van enkele honderden malen per minuut tot één keer in de vijf minuten. Zijn hartslag valt van enkele honderden slagen per minuut terug naar één of twee per minuut. Hij beweegt zich om de paar uur heel licht, doch de spieren behouden hun normale spierspanning. Het spijsverteringsstelsel en het uitscheiden van afvalstoffen blijft gewoon doorgaan.
Beren houden geen echte winterslaap (de wangzakeekhoorn of ’chipmunk’ evenmin). De lichaamstemperatuur van beren blijft vrijwel normaal. Ze verbruiken per dag naar schatting 4000 calorieën. Regelmatig worden ze wakker en scharrelen wat rond. Maar ze stellen het drie maanden of langer zonder voedsel of water. Gedurende al die tijd hebben ze geen ontlasting en urineren ze ook niet. Dit betekent dat de stikstofhoudende afvalstoffen die normaal gesproken via de urine worden uitgescheiden, zich ophopen en tot bloedvergiftiging zouden moeten leiden. Maar dat gebeurt niet.
De beer lost zijn probleem met het lozen van stikstofhoudende afvalstoffen op door een vorm van recycling. Het tijdschrift New Scientist van 21 februari 1985 legt uit: „De verklaring van geleerden luidt dat de beer tijdens zijn winterrust de stikstof niet tot ureum verwerkt, maar er via een ander proces aminozuren en nieuwe eiwitten van maakt. En dat doet hij met gebruikmaking van glycerol [dat ontstaat door verbruik van vetten in de stofwisseling] en opnieuw gebruikte stikstof als bouwstenen.”
Communicatie al voor de geboorte
TERWIJL ZE NOG IN DE SCHAAL ZITTEN, kondigen sommige vogeltjes hun op handen zijnde geboorte aan. Ze maken kleine piepgeluidjes. Kwartelkuikens doen dat. Huiskippen doen het ook. Nadat een gans piepgeluidjes heeft gehoord, begint ze „met haar kroost te communiceren . . . Ze uit zachte contactgeluidjes tegen de gansjes in hun eieren, en de laatste zijn in staat een aantal verschillende roepen voort te brengen die de moeder laten weten of ze zich normaal ontwikkelen. Wanneer het kroost een klagende roep laat horen, wat bekendstaat als het ’fluiten van het verlaten zijn’, antwoordt de moedergans met contactgeluidjes als wilde zij ze troosten, waarop de ongeboren ganzekuikens soms antwoorden met begroetingsgeluidjes”. Vlak voordat de gansjes uit het ei komen, zal de gent zich in de buurt van het nest opstellen, mogelijkerwijs gewaarschuwd door deze „gesprekken”.
[Illustratie op blz. 21]
Piep Piep