De bijna-doodervaring — Een bewijs van onsterfelijkheid?
„De ziel van de mens is onsterfelijk en onvergankelijk.” — Plato, Grieks filosoof, ca. 428-348 v.G.T.
„De ziel is onvernietigbaar . . . haar activiteit zal tot in eeuwigheid voortduren.” — Johann Wolfgang von Goethe, Duits dichter en toneelschrijver, 1749-1832.
„Onze persoonlijkheid . . . blijft leven in het volgende leven.” — Thomas Edison, Amerikaans uitvinder, 1847-1931.
AL DUIZENDEN jaren lang gelooft de mens dat hij van nature onsterfelijk is. De oude Egyptische heersers vulden hun grafkamers met comfort en luxe opdat het lichaam van al het goede voorzien zou zijn wanneer het zich met de ka, of ziel, herenigde.
Zo heeft de mens zichzelf ervan trachten te overtuigen dat de stellige zekerheid van de dood teniet wordt gedaan door het voortbestaan van een onsterfelijke ziel of geest. Anderen, zoals de Engelse dichter Keats, willen het graag geloven, maar hebben twijfels. Keats schreef: „Ik zou wel in de onsterfelijkheid willen geloven . . . Ik wil heel graag in de onsterfelijkheid geloven.” Hoe denkt u over de veronderstelde onsterfelijkheid van de mens?
In de woorden van Keats ligt misschien een eenvoudige sleutel tot de conclusies die er worden getrokken, zowel door sommige artsen en psychiaters als door mensen die een bijna-doodervaring hebben gehad. Bij onderzoekingen die de arts en hoogleraar in de geneeskunde Dr. Michael Sabom heeft verricht onder patiënten die zo’n ervaring in de nabijheid van de dood hadden gehad, „meldde de grote meerderheid . . . dat hun angst voor de dood sterk afgenomen en hun geloof in een hiernamaals sterk toegenomen was”. — Wij cursiveren.
Tot welke conclusie kwam de psychiater Dr. Elisabeth Kübler-Ross nadat zij meer dan duizend van dit soort ervaringen had onderzocht? In haar boek On Children and Death verklaarde zij: „En zo is het ook met de dood . . . het einde vóór een nieuw begin. De dood is de grote overgang.” Zij voegt eraan toe: „Naarmate er meer onderzoek wordt gedaan en er meer publikaties verschijnen, zullen steeds meer mensen niet louter geloven, maar zeker weten dat ons fysieke lichaam in feite alleen maar de cocon, het uiterlijke omhulsel van de mens is. Ons innerlijk, ons ware zelf, de ’vlinder’, is onsterfelijk en onvernietigbaar en wordt bevrijd op dat moment dat wij ’het sterven’ noemen.”
Dr. Kenneth Ring, hoogleraar in de psychologie en auteur van Life at Death, komt tot de volgende conclusie: „Ik geloof inderdaad . . . dat wij na onze fysieke dood een bewust bestaan blijven leiden.” Dan voegt hij eraan toe: „Wat ik van deze ervaringen in de nabijheid van de dood begrijp, brengt mij ertoe ze te beschouwen als ’lessen’. Ik heb de indruk dat ze het karakter hebben van openbarende ervaringen. . . . In dit opzicht lijken [bijna-dood]ervaringen op mystieke of religieuze ervaringen [Wij cursiveren.]. . . . Van dit standpunt uit bezien, zijn de stemmen die wij in dit boek [Life at Death] gehoord hebben, de stemmen van profeten die een religie van universele broederschap prediken.”
Een tegengestelde zienswijze
Maar wat zeggen andere onderzoekers? Hoe verklaren zij die bijna-doodervaringen en „uittredingen”? De psycholoog Ronald Siegel ziet ze in een ander licht. „Deze ervaringen doen zich voor bij de meest uiteenlopende hersenstimulansen, met inbegrip van LSD, sensore deprivatie [afwezigheid van zintuigprikkels] en buitengewone spanningen. De spanningen veroorzaken de projectie van de beelden in de hersenen. Die beelden zijn voor de meeste mensen gelijk, omdat bij ons allen de hersenen dezelfde circuits bevatten voor het opslaan van informatie, en in wezen zijn deze ervaringen de elektronisch uit deze circuits afgelezen informatie.”
Dr. Richard Blacher van de Tufts University School of Medicine in Boston (VS) schreef: „Ik wil de veronderstelling uiten dat mensen die deze ’doodservaringen’ ondergaan, aan hypoxie [te laag zuurstofgehalte] lijden, en in die toestand trachten de spanningen die door de medische handelingen en gesprekken zijn opgeroepen, psychisch te verwerken. . . . Wij hebben hier te maken met doodsfantasieën, niet met de dood zelf. Deze fantasie [in de psyche of geest van de patiënt] is buitengewoon aantrekkelijk, omdat er diverse zorgen tegelijk door worden opgelost. . . . Een arts moet zich er angstvallig voor hoeden religieuze opvattingen als wetenschappelijke gegevens te aanvaarden.”
Siegel wijst op nog een ander interessant punt in de „visioenen” van hen die bijna dood waren: „Net als bij hallucinaties lijken de visioenen van het hiernamaals verdacht sterk op deze wereld, volgens de verslagen van stervende patiënten zelf.” Een 63-jarige man bijvoorbeeld, die een groot deel van zijn leven in Texas had doorgebracht, vertelde als volgt over zijn „visioen”: „Ik hing boven een omheining. . . . Aan de ene kant van de omheining lag een buitengewoon schraal landschap, mesquitebosjes . . . De weidegronden aan de andere kant van de omheining waren denk ik de mooiste die ik ooit van mijn leven gezien heb. . . . [Het was] een prikkeldraadomheining met drie of vier draden.” Heeft deze patiënt werkelijk prikkeldraad gezien in „de hemel” of in het hiernamaals? Het is duidelijk dat deze beelden gebaseerd waren op zijn leven in Texas en opgeroepen werden uit het gegevensbestand in zijn eigen hersenen — tenzij wij zouden moeten geloven dat er „aan gene zijde” prikkeldraad is!
Er zijn trouwens zoveel bijna-doodervaringen die nauw verband houden met de levenservaring en achtergrond van de patiënt, dat het onredelijk is te geloven dat zij een glimp opvangen van een hiernamaals. Zien bijvoorbeeld patiënten die tijdens zo’n ervaring een „lichtend wezen” zien, allemaal dezelfde persoon, ongeacht of zij christen, jood, hindoe of moslem zijn? In zijn boek Life After Life zet Dr. Raymond Moody uiteen: „De identificatie van het wezen verschilt van persoon tot persoon en schijnt voornamelijk te worden bepaald door de religieuze achtergrond, opvoeding of geloofsopvattingen van de betrokken persoon. Zo identificeren de meeste christenen . . . het licht als Christus . . . Een joodse man en vrouw identificeren het licht als een ’engel’.”
Op zuiver wetenschappelijk niveau erkent Dr. Ring: „In mijn lezingen zeg ik altijd dat ik ervaringen in de nabijheid van de dood heb bestudeerd, en geen ervaringen na de dood. . . . Er is uiteraard geen garantie dat deze ervaringen zich op dezelfde manier zullen voortzetten als ze zijn begonnen of zelfs maar dat er een voortzetting zal zijn. Dat is, naar ik meen, de juiste wetenschappelijke benadering voor de betekenis van deze ervaringen.”
Gezond verstand en de bijbel
Wat de dood betreft, geeft de psycholoog Siegel als zijn mening te kennen: „De dood is, in termen van zijn fysieke verloop, geen mysterie. Na de dood gaat het lichaam tot ontbinding over en wordt weer geabsorbeerd in de dode materie van het milieu. De dode mens verliest zowel zijn leven als zijn bewustzijn. . . . Het is het meest logisch te vermoeden dat het bewustzijn hetzelfde lot ondergaat als het lichaam. Verbazingwekkend genoeg is deze door het gezonde verstand ingegeven zienswijze niet de meest verbreide, en het merendeel van de mensheid . . . gebruikt de oermotivatie om in leven te blijven nog steeds om duizenden geloofsopvattingen betreffende een voortbestaan van de mens na zijn dood te formuleren.”
Ongeveer 3000 jaar geleden werd deze zelfde „door het gezonde verstand ingegeven zienswijze” onder woorden gebracht door een koning, die schreef: „Want de levenden zijn zich ervan bewust dat zij zullen sterven; maar wat de doden betreft, zij zijn zich van helemaal niets bewust, ook hebben zij geen loon meer, want de gedachtenis aan hen is vergeten. Ook hun liefde en hun haat en hun jaloezie zijn reeds vergaan, en zij hebben tot onbepaalde tijd geen deel meer aan iets wat onder de zon moet worden gedaan. Alles wat uw hand te doen vindt, doe dat met uw krácht, want er is geen werk noch overleg noch kennis noch wijsheid in Sjeool [het gemeenschappelijke graf van de mensheid], de plaats waarheen gij gaat.” — Prediker 9:5, 6, 10.
De bijbel laat beslist geen ruimte voor de opvatting dat bijna-doodervaringen een voorproefje van het leven na de dood zijn. De beschrijving die koning Salomo van de dood en zijn gevolgen geeft, bevat niet de geringste zinspeling op een onsterfelijke ziel die in een of andere vorm bewust zou voortbestaan. De doden „zijn zich van helemaal niets bewust”.
Natuurlijk zijn degenen die spiritisme beoefenen en contact met de „doden” onderhouden, maar wat blij met de ogenschijnlijke steun van honderden bijna-doodervaringen. De psycholoog Siegel haalt de woorden aan van een spreker over het paranormale of bovennatuurlijke: „Als wij het bewijsmateriaal voor een hiernamaals eerlijk en nuchter willen onderzoeken, zullen wij ons moeten bevrijden van de tirannie van het gezonde verstand” (Psychology Today, januari 1981). Het is interessant dat volgens deze zelfde spreker „geesten en geestverschijningen inderdaad hallucinaties zijn, maar telepathisch door de geest van gestorvenen worden geprojecteerd in die van de levenden!” Dat stemt beslist niet overeen met de conclusie van Salomo, dat de doden dood zijn en niets weten.
Bijna-doodervaringen — Wat is de verklaring?
Hoe zijn al die bijna-doodervaringen en „uittredingen” dan wel te verklaren? In grote lijnen zijn er ten minste twee mogelijkheden — de ene wordt door verschillende psychologen geopperd en komt erop neer dat de nog actieve hersenen van personen die bijna dood zijn, onder de druk van die ervaring beelden oproepen en vormen. Deze worden vervolgens door sommige patiënten en onderzoekers geïnterpreteerd als een glimp van een leven na de dood. Zoals wij in de bijbel gezien hebben, kan dit in werkelijkheid niet het geval zijn, want de mens heeft geen onsterfelijke ziel en er bestaat niet zo iets als een leven na de dood zoals men dat in deze gevallen dacht waar te nemen.
Maar er dient nog een tweede mogelijkheid overwogen te worden die sommige van deze ervaringen zou kunnen verklaren. Het is een element waar de meeste onderzoekers niets van willen weten. Dr. Moody zette bijvoorbeeld in zijn boek Life After Life uiteen dat slechts „bij uitzondering iemand . . . demonische verklaringen voor bijna-doodervaringen heeft geopperd en heeft gesuggereerd dat de ervaringen ongetwijfeld door vijandige machten waren gemanipuleerd”. Hij verwerpt die gedachte echter aangezien hij van mening is dat „Satan naar men mag aannemen zijn dienaren zou opdragen de weg van haat en vernietiging te bewandelen”, terwijl de patiënten zich na hun ervaring juist godsdienstiger gestemd voelen. Hij voegt eraan toe: „Zijn opzet om overtuigende pleitbezorgers voor zijn programma te kweken is, voor zover ik het kan overzien, op een jammerlijke mislukking uitgelopen!”
Hier begaat Dr. Moody in twee opzichten een ernstige vergissing. Ten eerste hoeft Satan door middel van deze ervaringen niet per se haat en vernietiging te propageren. Waarom niet? Omdat de bijbel verklaart: „Satan zelf blijft zich veranderen in een engel des lichts. Het is daarom niets groots indien ook zijn dienaren zich blijven veranderen in dienaren van rechtvaardigheid” (2 Korinthiërs 11:14, 15). Als hij kans ziet de fundamentele leugen in stand te houden die hij altijd heeft gevoed — „Gij zult beslist niet sterven” — kan hij dat met schijnbaar zeer onschuldige en verlichtende middelen doen. — Genesis 3:4, 5.
Ten tweede is zijn opzet om overtuigende pleitbezorgers voor zijn programma van leugens omtrent de menselijke ziel te kweken niet jammerlijk mislukt! Integendeel, hij heeft nu artsen, psychologen en geleerden zover gekregen dat zij de leugen die hij door de eeuwen heen via priesters en filosofen heeft bevorderd, hun volle steun verlenen! Hoe raak is de samenvatting van de situatie die Paulus geeft in de woorden: „Als er nu in werkelijkheid een sluier ligt over het goede nieuws dat wij bekendmaken, dan is het gesluierd onder hen die vergaan, onder wie de god van dit samenstel van dingen de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat het verlichtende licht van het glorierijke goede nieuws over de Christus, die het beeld van God is, niet zou doorschijnen”! — 2 Korinthiërs 4:3, 4.
Toch zijn er, zoals wij hebben gezien, psychologen die geloven dat de mens na zijn dood een bewust bestaan heeft. Deze persoonlijke interpretatie van de betekenis van bijna-doodervaringen dwingt ons de volgende klemmende vragen te stellen namens hen die in de bijbel geloven: Is er enige bijbelse basis om te zeggen dat de mens een onsterfelijke ziel heeft die het lichaam verlaat zoals een vlinder zijn cocon? Hoe zit het met teksten in de bijbel waarin de woorden „ziel” en „onsterfelijkheid” worden gebruikt?
[Inzet op blz. 5]
Dr. Blacher: „Wij hebben hier te maken met doodsfantasieën, niet met de dood zelf”
[Illustratie op blz. 6]
Plato’s filosofie heeft de leer van veel religies besmet
[Illustratie op blz. 7]
De Engelse dichter Keats ’wilde graag in de onsterfelijkheid geloven’