Is het einde van ziekte in zicht?
„ER ZIJN mij geen medische problemen bekend die wij niet in de nabije toekomst zullen kunnen oplossen.”
De spreker was een van de meest vooraanstaande wetenschapsmensen ter wereld, een onderzoeker aan het Sloan-Kettering Institute in New York. Hij had kort daarvoor de eerste beenmergtransplantatie ter wereld verricht. Die operatie had de weg gebaand voor onderzoekingen naar dikwijls fatale bloedziekten zoals leukemie, hemofilie, sikkelcel-anemie en de ziekte van Hodgkin.
Was het nog wat voorbarig om zich al voorstellingen te maken van een land waar geen inwoner zou zeggen: „Ik ben ziek”? (Jesaja 33:24) Deze geleerde, Dr. Robert Good, geloofde dat men aan het begin stond van een revolutie in de medische wetenschap. Dat was in 1975. Dr. Good was niet de enige die het einde van ziekte voorspelde.
Twee jaar daarvoor waren de epidemiologen aan het CDC (het Amerikaanse nationale centrum voor infectieziekten) opgetogen geweest. De medische wetenschap was erin geslaagd een verwachte rodehondepidemie te verijdelen. De dreiging, zo vertelde Dr. John Witte van het CDC, werd afgewend door kinderen in de leeftijd van vijf tot negen jaar te immuniseren met een uiterst doeltreffend nieuw vaccin. Er werd een immuniteitsgraad van 75 tot 80 procent bereikt.
In de Verenigde Staten hadden zich iedere zes tot negen jaar massale uitbarstingen van rodehond voorgedaan. Afgaande op de laatste rodehondepidemie in 1964 waren nu honderdduizenden mensen voor deze gesel gespaard gebleven. In 1964-’65 had de epidemie maar liefst 50.000 tragedies veroorzaakt — aangeboren afwijkingen, doodgeboren baby’s of therapeutische abortussen. In 1970 echter werden er slechts 77 gevallen gemeld van kinderen met afwijkingen ten gevolge van prenatale blootstelling aan rodehond. In 1971 waren er slechts 68 gevallen en in 1972 33 gevallen.
„De epidemie die nooit kwam”, zo begroette een krantekop deze triomf. Toen raakte het land plotseling in de greep van de angst voor een andere epidemie. Dat was de zich in 1976 aandienende dreiging van de New Jersey-griep, in Amerika ook de „varkensgriep” genoemd. De kranten vergeleken het nieuwe griepvirus met dat van de Spaanse griep, die in 1918-’19 21,6 miljoen mensenlevens had geëist. Haastig stelden de president en het Congres van de Verenigde Staten een bedrag van $135 miljoen beschikbaar voor het vervaardigen van gratis serum voor iedereen. Er kwam geen epidemie.
In datzelfde jaar stond de pokken — die verminkende, blindheid veroorzakende, dodelijke gesel der mensheid — op het punt van de aarde te worden weggevaagd. De WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) berichtte dat voor zover bekend in september slechts zeven personen in afgelegen woestijndorpen in Ethiopië de pokken hadden. Volgens de WHO waren slechts negen jaar daarvoor nog tien tot vijftien miljoen personen door de pokken getroffen en waren er twee miljoen mensen in 43 landen aan gestorven. In 1980 kon de organisatie vol zelfvertrouwen bekendmaken: „Pokken bestaat niet meer!”
Kunnen ook andere belangrijke dodelijke ziekten worden overwonnen?
In 1977 maakten de VS zeven besmettelijke kinderziekten tot doelwit van een uitroeiingscampagne. De aanval werd ingezet door een landelijk Kinderimmunisatie Initiatief. Gedurende de volgende vijf jaar berichtte het CDC dat ten minste 90 procent van de kinderen in het hele land werden geïmmuniseerd. Op 7 mei 1982 meldde het CDC een aanzienlijke mate van succes: Het optreden van mazelen was gedaald met 77 procent, de bof met 45 procent, polio met 25 procent, rodehond met 47 procent, tetanus met 37 procent; ook difterie en kinkhoest waren tot bijna absolute dieptepunten gedaald.
Op vele terreinen bracht de medische wetenschap nieuwe hoop voor de lijdende mensheid. Nieuwe antibiotica, vaccins en medicamenten ter bestrijding van geestesziekten; nieuwe procédés — prothese-chirurgie (vervangen van lichaamsdelen), micro-chirurgie, orgaantransplantaties — de vooruitgang van de medische wetenschap hield een belofte in voor verlenging van het leven en verbetering van de kwaliteit van het leven in een mate waarvan men een jaar of wat voordien niet had durven dromen.
„Twintig jaar geleden”, vertelde Dr. T. Albert Farmer jr. van de University of Maryland in 1981, „bleef minder dan één procent van de kinderen onder de vijftien jaar die leukemie hadden, daarmee nog vijf jaar in leven; thans kan meer dan de helft worden genezen. Vijftien jaar geleden betekende choriocarcinoom van de eierstok een sterftecijfer van 100 procent; thans is het genezingscijfer nagenoeg 100 procent.”
Hij voegde eraan toe: „Tegen het midden van de jaren zestig hadden wij polio vrijwel uitgeroeid; wij introduceerden geneesmiddelen die invloed uitoefenen op de geest en ze stelden ons in staat enorme aantallen mensen buiten de psychiatrische inrichtingen te houden.”
De voorspelling van de geleerde van Sloan-Kettering bleek op tal van manieren in vervulling te gaan. Maar hoe stond het met de andere belangrijke dodelijke ziekten? Bestond er geen reden om vertrouwen te stellen in de gloedvolle verzekering van Dr. Good, dat „diezelfde wetenschappelijke revolutie . . . ziekten als beroerten, hartkwalen, kanker en ziekten die worden veroorzaakt door bacteriën, virussen en aangeboren gebreken zal uitbannen”?
De triomf van de mens over de ziekte — is die eindelijk in zicht?
[Inzet op blz. 4]
„Er zijn mij geen medische problemen bekend die wij niet in de nabije toekomst zullen kunnen oplossen.”