Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g80 22/10 blz. 25-29
  • Boren naar olie in onstuimige wateren

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Boren naar olie in onstuimige wateren
  • Ontwaakt! 1980
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Voorbereidingen voor de winning
  • Op een booreiland
  • De problemen van duikers
  • Onderzeeboten
  • Export van technologie
  • Toekomstverwachtingen
  • Olie — Hoe komen we eraan?
    Ontwaakt! 2003
  • De toenemende oliecrisis
    Ontwaakt! 1974
  • Olievondsten in de Noordzee — zegen of nachtmerrie voor Noorwegen?
    Ontwaakt! 1978
  • Olie — sleutel tot wereldheerschappij
    Ontwaakt! 1974
Meer weergeven
Ontwaakt! 1980
g80 22/10 blz. 25-29

Boren naar olie in onstuimige wateren

Door Ontwaakt!-correspondent op de Britse Eilanden

IN EEN gebied waar het woeden van de elementen op zijn hevigst is, heeft men onder de zee olie gevonden. Gemiddeld genomen is de wind hier ’s winters slechts één percent van de tijd kalm te noemen. ’s Zomers is het slechts voor vijf percent rustig weer. Stormen beuken met orkaankracht tegen de booreilanden terwijl 27 meter hoge golven over de boordekken slaan. Bevoorradingsschepen zijn vergaan. Het ergst van alles is echter het voortdurend toenemende verlies van mensenlevens. Gevoegd bij de normale bedrijfskosten van een dergelijk project, maken deze factoren het tot een ongelooflijk kostbare aangelegenheid om olie te winnen uit de opgezweepte wateren van het noordelijke deel van de Noordzee.

Voorbereidingen voor de winning

Toen de mogelijkheid om uit de zeebodem olie te winnen, een economisch verantwoorde realiteit werd, moest er heel wat geïnstalleerd worden. Eerst moesten onderzeese pijpleidingen met een diameter van 81 centimeter en een wand van 19 millimeter dik staal vanaf het vasteland tot midden in zee uitgelegd worden. Deze waren speciaal beschermd met een in asfaltbitumen gedrenkte bekleding om corrosie tegen te gaan, en vervolgens ter verzwaring bekleed met een vijf tot dertien centimeter dikke laag cement om ze niet te laten meesleuren door stromingen op het moment dat ze in de ervoor gegraven sleuf zakten.

De zeebodem moest kilometer voor kilometer worden geïnspecteerd om er zeker van te zijn dat de leidingen diep genoeg ingegraven zouden liggen. Op sommige plaatsen betekende dit dat men tot bijna 140 meter diep moest gaan, een diepte waarop voordien nog nooit pijpleidingen waren gelegd.

De olieproduktieplatforms brachten hun eigen problemen mee. Vanwege hun grootte en gewicht moesten ze allemaal op het land worden gemonteerd en vervolgens naar hun bestemming worden gesleept. Het grootste karwei was het in zijn geheel verslepen van de stalen onderbouw van elk platform, soms over een afstand van 250 kilometer of meer, en hem dan precies op de juiste plaats, rechtop, in de zee te laten zakken. Ten slotte werden de ondersteunende palen ongeveer 120 meter in de zeebodem geheid om elke installatie te verankeren.

Niet alle produktieplatforms werden echter van staal gemaakt en door ondersteunende palen op hun plaats gehouden. Men maakte ook gebruik van betonnen platforms die hun stabiliteit aan hun eigen gewicht ontleenden. In mei 1978 werd een van deze betonnen platforms met een gewicht van 600.000 ton van Loch Kishorn aan de westkust van Schotland naar het Ninian olieveld in de Noordzee gesleept. Dit bijna 237 meter hoge gevaarte was, naar men beweerde, het grootste voorwerp dat ooit op aarde verplaatst was. Thans is het grootste deel ervan niet eens boven de zeespiegel zichtbaar.

Er moesten wel vragen rijzen met betrekking tot de veiligheid van deze ’offshore’ gewichtsplatforms.a Er moet rekening gehouden worden met gevaren als ijsafzetting, stormwinden van 160 km per uur, reusachtige golven en zelfs zeebevingen. Onophoudelijk, vaak in gevaarlijke combinaties, doen deze natuurkrachten zich gelden. En, zoals één topontwerper heeft toegegeven, de dynamische krachten van de Noordzee worden nog steeds niet volledig begrepen.

Op een booreiland

De olievelden worden hoofdzakelijk per helikopter bereikt. Nadat u in Aberdeen (Schotland) bent opgestegen, vliegt u waarschijnlijk eerst over een van de ver buiten de kust liggende verplaatsbare booreilanden. De „Ocean Victory” is een karakteristiek voorbeeld. Dit is een over eigen aandrijving beschikkend, diepdrijvend boorplatform, wat wil zeggen dat het drijft en verplaatst kan worden. Wanneer er geboord wordt, bevindt het grootste deel van het eiland zich ongeveer 20 meter onder het zeeoppervlak, daar het in grote mate tot de stabiliteit van het boorplatform bijdraagt als zo veel van de structuur zich onder water bevindt. Het eiland wordt op zijn plaats gehouden door een kring van acht ankers van elk dertien ton aan kabels van 1000 meter lengte. In de boortoren bevindt zich een hydropneumatisch systeem dat tijdens het boren een constante druk op de boor handhaaft, ongeacht hoe zwaar het eiland ook slingert. Praktisch alle diepdrijvers kunnen werken in waterdiepten van 300 meter, hoewel ze aangepast kunnen worden om, indien nodig, zelfs in water met een diepte van wel 900 meter te boren.

Iets meer naar het oosten ligt een van de produktieplatforms van het standaardtype met daarop zijn spits toelopende stalen boortoren en drie dekken. Het bovenste dek is nauwelijks meer dan een helikopterdek, terwijl het middelste volledig in beslag genomen wordt door de belangrijkste werkruimte, waar het eigenlijke boren plaatsvindt. Het laagste dek bevat een opslagruimte waar de stalen buizen liggen opgestapeld die voor het boren worden gebruikt. Bovendien zijn op dit dek de bemanningsverblijven waar ongeveer 150 man kunnen worden ondergebracht, alsook twee eetzalen, een recreatiezaal waarin een televisie staat, faciliteiten voor het vertonen van films en een bibliotheek. Onder dit alles ligt de belangrijkste draagconstructie van het platform.

Sommige platforms kunnen uit wel 27 putten olie winnen. Op land worden putten, op enkele uitzonderingen na, vertikaal geboord, maar op de Noordzee zou de verhouding van één put op één installatie veel te duur worden, en daarom wordt gericht geboord. Dit vereist dat de putten eerst vanaf de zeebodem over een korte afstand vertikaal geboord worden, waarna men het boren onder een geplande hoek voortzet naar punten die op een specifieke afstand, diepte en richting ten opzichte van het platform zijn gelegen.

De problemen van duikers

In de onderwaterwereld van de offshore-oliewinning in de Noordzee zijn altijd duikers nodig, die vaak meer dan ƒ 120.000 per jaar verdienen. Dit ondanks het feit dat zij slechts 25 minuten achtereen op een diepte van 90 meter kunnen werken. De gevaren zijn angstaanjagend en met het huidige ongevallencijfer heeft een duiker een kans van slechts één op vijf om twintig jaar in leven te blijven. Volgens het Brits Medisch Genootschap is dit beroep zelfs „vijftig maal zo gevaarlijk als het delven van kolen”.

Dit is geen wonder, want de lage temperaturen gekoppeld aan het hoge warmtegeleidingsvermogen van water kunnen een onbeschermde duiker in slechts enkele minuten het bewustzijn doen verliezen. Terzelfder tijd moet hij, om te voorkomen dat hij platgedrukt wordt, een gasmengsel inademen dat dezelfde druk heeft als het zeewater waarin hij werkt, en als de diepte meer dan 50 meter bedraagt, luistert de samenstelling van dit gasmengsel zo nauw dat het zorgvuldig en ononderbroken gecontroleerd moet worden. Als de duiker aan te snelle drukverhoging wordt blootgesteld, kan hij bevingen krijgen; daarentegen kan langzame drukverhoging dagen duren. De enige oplossing is het saturisatieduiken, waarbij een duiker misschien wel drie weken voortdurend onder dezelfde druk in een stalen kamer van beperkte afmetingen moet blijven met als enige gezelschap enkele andere duikers. Het is nodeloos te zeggen dat zo’n omgeving wel tot ernstige mentale en fysieke spanningen moet leiden.

Nog een groot probleem is het bieden van medische hulp aan een gewonde duiker. Na een erg diepe duik van zeg 200 tot 225 meter, zal hij erop moeten rekenen ten minste zeven dagen in een decompressieruimte te moeten doorbrengen. Wat wordt er nu gedaan om dit probleem op te lossen? De gewonde duiker wordt eerst naar de compressietank op het platform overgebracht. Vervolgens moet een speciale mobiele compressietank, vervaardigd van titanium om het gewicht beperkt te houden tot slechts ongeveer 900 kilogram, naar de tank van het platform worden gebracht en daarop worden aangesloten. Nadat de duiker is overgestapt, moet de titanium compressietank per helikopter worden overgevlogen naar een speciale, onder druk staande afdeling van een kliniek in Dundee (Schotland).

Bij dit alles gaat kostbare tijd verloren en als de verwondingen van de man heel ernstig zijn, is hij waarschijnlijk al gestorven voordat passende medische hulp kan worden geboden. Zelfs wanneer de overbrenging is geslaagd en hij in de afdeling is geopereerd, dan nog is de uitwerking van decompressie op gehechte wonden onzeker. Daar komt nog bij dat de normale anesthesie waarbij gas wordt ingeademd, in een compressiekamer onpraktisch is en dat er geen elektrische apparaten kunnen worden gebruikt vanwege het hoge brand- en explosiegevaar. De Noren hebben nu een operatiezaal ingericht in een van aluminium vervaardigde drukkamer van hun nieuwe Onderwaterinstituut dat over de haven van Bergen (Noorwegen) uitziet. De Londense Observer bericht echter: „Er is slechts één probleem. Het instituut heeft nog geen enkele dokter kunnen aantrekken die bereid is zijn tijd eraan op te offeren om voor en na operaties in de op een ruimtevaartstation lijkende decompressiekamer te verblijven.”

Onderzeeboten

Daar onderzeeërs tot veel grotere diepten kunnen gaan dan enige duiker, zijn ze onmisbaar in het onderzoek naar offshore-oliereserves. De hiervoor gebruikte miniduikboten zijn minder dan 6 meter lang. Elk wordt bemand door twee personen die de duikboot onder water niet kunnen verlaten, maar wel speciale camera’s kunnen bedienen waarmee video-opnamen worden gemaakt die later aan de oppervlakte of op de basis aan land door experts worden onderzocht. Hoewel deze onderzeeërs zijn toegerust met levensvoorzieningen voor 320 manuren, werken ze in de regel in paren, zodat als één duikboot in moeilijkheden raakt, de ander, geholpen door een hijsinrichting, ingezet kan worden voor een reddingsactie.

De ontwikkeling van de in Engeland vervaardigde „Seabug”, een op afstand bedienbaar voertuig voor werkzaamheden op de zeebodem, en van de Canadese „Sub-Sea Chamber” hebben het werk aanzienlijk vergemakkelijkt. De laatste maakt het mogelijk dat de bemanning op de bodem van de zee in een normale atmosfeer kan werken. Er wordt zelfs met duikcapsules een pendeldienst onderhouden naar de oppervlakte. Zelfs al wordt de grootste voorzichtigheid betracht, duiken blijft toch een gevaarlijke bezigheid. Eind 1978 stierven twee duikers in dienst van Mobil-Oil in hun duikerklok nadat de verbinding met hun bevoorradingsschip door zware zee was verbroken.

Export van technologie

De krachtsinspanningen om uit de Noordzee olie te winnen, hebben geresulteerd in veel technologische vooruitgang. Enige tijd geleden merkte The Guardian op: „Vanuit het oogpunt van de natie [Groot-Brittannië] ziet het ernaar uit dat wij veel meer gaan verdienen aan de verkoop van onze uitmuntende technologie dan dat wij ooit aan de olie uit de Noordzee zullen kunnen verdienen.” Dit blijkt inderdaad waar te zijn.

Een van de interessantste markten is thans Zuid-Amerika, in het bijzonder Brazilië. De offshore-reserves van Brazilië liggen in wateren die ongeveer even diep zijn als die van de Noordzee. Men verricht nu exploratieboringen in het Camposbekken, dat minder dan 160 kilometer uit de kust van Rio de Janeiro ligt en ongeveer 200 meter diep is. Men schat dat Brazilië de komende tien jaar 30 tot 40 produktieplatforms nodig zal hebben. Dit zal op zijn beurt weer markten openen voor inspectieduikboten, bevoorradingsschepen en andere technische uitrusting. Ook de offshore-velden van Venezuela, Argentinië en Mexico en in de Russische Kaspische Zee bieden goede exportvooruitzichten.

Toekomstverwachtingen

Hoe staat het met het zoeken naar olie in de toekomst? Het Ministerie van Energie van het Verenigd Koninkrijk [Groot-Brittannië] heeft bij monde van zijn Offshore Technology Board [Commissie voor Offshore Technologie] gezegd: „Om gedurende de jaren ’90 in onze eigen behoeften te kunnen blijven voorzien, zullen wij er van 1985 tot 1990 in moeten slagen in de diepere wateren van het Verenigd Koninkrijk nieuwe velden te ontdekken en in exploitatie te nemen.” De diepe wateren waarnaar verwezen werd, zouden 300 tot 2000 meter diep zijn. Olie-explorateurs hebben echter gewaarschuwd dat de grootste vondsten in de Noordzee misschien al gedaan zijn — misschien wel driekwart van de totaal te verwachten vondsten. In feite richt de aandacht zich steeds meer op mogelijke ontdekkingen van olie op Britse bodem. Een optimistische topfunctionaris in de oliewereld zei: „We verkeren daar [in het zuiden van Engeland] in dezelfde positie als 20 jaar geleden ten aanzien van de Noordzee. We weten dat de olie er is. . . . Het is slechts een kwestie van tijd.”

Terwijl wij de booreilanden en de produktieplatforms verlaten, doen wij er goed aan de werkelijke kosten van petroleum te overdenken — de tol aan mensenlevens, alsook de ongeëvenaarde problemen van deze nieuwe technologie. Is het dat werkelijk waard? De meeste mensen schijnen er wel zo over te denken. Misschien zal de tijd het ons leren. De moeizame worsteling om steeds meer olie uit de onstuimige wateren van de Noordzee te halen, gaat ondertussen voort.

[Voetnoten]

a ’Offshore’ betekent letterlijk „voor de kust” en is een aanduiding geworden voor de op zee plaatsvindende winningen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen