De troost bieden van een toekomstig paradijs
„BOVENDIEN, broeders, willen wij niet dat gij onwetend zijt betreffende hen die in de dood slapen, opdat gij niet treurt gelijk de overigen, die geen hoop hebben.” Aldus schreef de apostel Paulus. Na hun vertrouwen te hebben gegeven in de opstandingshoop besloot hij: „Blijft elkaar derhalve met deze woorden vertroosten” (1 Thess. 4:13, 18). Vertroosten — dat is in feite wat een spreker bij een begrafenisdienst wenst te doen. Maar dit is eveneens iets wat wij allemaal kunnen doen voor anderen die treuren omdat een geliefd persoon gestorven is. Wat hebben wij dan als troost aan te bieden?
Droefheid is een zeer menselijke reactie. In de bijbel staan vele voorbeelden van dienstknechten van God die droefheid tot uiting brachten bij het verlies van geliefde personen. Zo vertelt de Schrift ons betreffende Jozef: „Toen viel Jozef op het aangezicht van zijn vader en barstte over hem heen gebogen in tranen uit en kuste hem” (Gen. 50:1). Zo wordt er ook van de zonen van Israël gezegd dat zij ’Mozes dertig dagen in de woestijnvlakten van Moab beweenden’ (Deut. 34:8). Johannes 11:35 helpt ons in te zien dat droefheid geen teken van onvolmaaktheid is, door te vermelden dat de volmaakte mens Jezus „begon te wenen” in verband met de dood van zijn vriend Lazarus.
Ware christenen treuren terecht wanneer familieleden, vrienden of buren sterven. Zij zullen deze overledenen, voor wie zij genegenheid koesterden, missen (Joh. 11:36). Maar dank zij hun op de bijbel gebaseerde hoop treuren christenen niet „gelijk de overigen, die geen hoop hebben”. Dat wil zeggen, zij gaan zich niet te buiten aan onbeteugelde smart en extreem vertoon van emoties, zoals soms het geval is bij personen die geen nauwkeurige kennis bezitten omtrent de dood en de opstanding. Niettemin dienen christenen er oprechte belangstelling voor te hebben dat de doden op waardige wijze worden verzorgd en dat de nabestaanden troost wordt geboden.
Een van de manieren om daarin te voorzien hangt samen met de begrafenis zelf. Als daartoe een verzoek wordt gedaan, kan het lichaam van opzieners in een gemeente van Jehovah’s Getuigen ervoor zorgen dat een bekwame spreker een begrafenislezing uitspreekt, bijvoorbeeld in de rouwkamer of aan de groeve vóór de teraardebestelling. Aan de zo gegeven vertroosting zijn geen kosten verbonden. En het is werkelijk vertroostend, want de spreker die via de gemeente is aangewezen, kent Gods Woord. Hij is iemand die zich volledig bewust is van de ernst van de gelegenheid, een man die niet alleen troost kan bieden aan hen die een verlies hebben geleden, maar ook alle aanwezigen geestelijk op kan bouwen. Dit geschiedt door de schitterende hoop uiteen te zetten die de bijbel geeft; kort gezegd de hoop op een toekomstig aards paradijs, waarin zowel de dan nog levenden als de opgestane doden een aandeel kunnen hebben.
Een begrafenisdienst die door Jehovah’s Getuigen wordt geleid, kan desgewenst met een lied beginnen. Dit is vooral het geval bij begrafenisdiensten die in de Koninkrijkszaal worden gehouden. Uit hun liederenbundel worden dikwijls de volgende liederen gezongen: „De vreugde over de opstanding” (nr. 53, gebaseerd op Johannes 11; 20:18; Openbaring 20:13), „Werp uw last op Jehovah” (nr. 87, ontleend aan Psalm 55), „Balsem in Gilead” (nr. 97, met als grondgedachte Jeremia 8:22), en „De opstanding — Gods liefdevolle voorziening” (nr. 98, gebaseerd op Jezus’ woorden in Johannes 5:28, 29).
Dikwijls zal de spreker iets vertellen over de overledene. Wellicht was hij in zijn leven een voorbeeld van christelijke toewijding, of heeft hij met succes aan verschillende beproevingen het hoofd geboden door bijbelse beginselen toe te passen, of op andere wijzen getoond dat hij ernaar verlangde een goede naam voor God te verwerven (Pred. 7:1). De aanwezigen op een dergelijke begrafenis vinden wellicht troost in dergelijke welgemeende woorden en worden er misschien door geholpen bij hun ernstige krachtsinspanningen een christelijk leven te leiden.
Als de overledene een ware christen was, zal de spreker waarschijnlijk ook wijzen op de bijbelse hoop die de overledene kende. Ook zouden er enkele van goede smaak getuigende opmerkingen gemaakt kunnen worden over het feit dat wij allen, met inbegrip van de overledene, zondaars zijn en dat derhalve de dood in het huidige samenstel van dingen onvermijdelijk is. Dat is onze gemeenschappelijke erfenis. — Rom. 5:12; 6:23.
De spreker wekt bij de nabestaanden niet de valse hoop dat zij op een of andere manier hun dierbare kunnen helpen door te betalen voor missen of iets dergelijks. Geen enkel ceremonieel, hoe uitgebreid ook, zal de dode terugbrengen of diens reputatie bij God veranderen. (Zie 2 Samuël 12:19-23.) Maar wat een troost te weten dat de doden zich van niets bewust zijn, en geen pijniging of lijden ondergaan! En te weten dat de toekomst van een geliefde dode bij een rechtvaardige en liefderijke God berust, die voorzien heeft in een opstanding, is op zichzelf al een troost. — Pred. 9:5, 10; Deut. 32:4.
Een van de schriftplaatsen die werd aangehaald tijdens de begrafenislezing in Ohlsdorf, was Psalm 90:10, waar staat: „De dagen van onze jaren zijn op zichzelf genomen zeventig jaren, en indien wegens bijzondere kracht, tachtig jaren; toch is dat waarop ze aandringen moeite en schadelijke dingen.” De statistieken stellen de bijbel in het gelijk. Volgens The World Almanac (1979) ligt de gemiddelde levensduur van de mens in landen als Bangladesh, Benin, Tsjaad en Mali bij de 30 à 40 jaar. Zijn hoogste waarde — even over de 70, maar altijd nog ruimschoots onder de 80 — vertoont dit cijfer in IJsland, Japan, Nederland en enkele andere landen.
Dienovereenkomstig zouden sommigen hun „levensrekening” kunnen vergelijken met een bankrekening, die bij de geboorte wordt geopend met een credit van ongeveer 25.600 dagen. Voor een jong persoon kan dat klinken als een zee van tijd. Toch is, wanneer zo iemand 25 jaar oud is, in het gunstigste geval ongeveer een derde deel van zijn dagen al verbruikt, als geld dat uitgegeven is. Als een slinkende bankrekening neemt de resterende levenstijd af met elke dag die verstrijkt. Met 35 jaar is zijn leven op zijn best ongeveer op de helft. Maar zelfs in deze omstandigheden kunnen, net zoals een plotselinge economische teruggang of een onverwachte gebeurtenis iemands bankrekening drastisch of zelfs tot nul kunnen reduceren, ook onvoorziene omstandigheden het saldo op iemands „levensrekening” drastisch reduceren of tot nul terugbrengen. Is dit de bedoeling of het oogmerk van het leven, dat de dagen op deze wijze worden verbruikt en dan nog voortdurend vervuld zijn van „moeite en schadelijke dingen”? De dood van een geliefd persoon zet de nabestaanden dikwijls aan het denken over deze ernstige zaak. — Pred. 7:2.
Toch is het mogelijk rouwende personen troost te bieden. U kunt erop wijzen dat de Schepper van de mens een zinvol en eeuwig leven leidt. Als, zoals de bijbel zegt, de mens werd geschapen naar Zijn gelijkenis, waarom moet het leven van de mens dan zo kort zijn? (Gen. 1:27) Dit lijkt moeilijk te rijmen met de God van liefde over wie wij in de bijbel leren, een God die zo duidelijk bezorgd is voor het geluk en de tevredenheid van zijn schepselen. Maar wat een troostrijke verlichting kan het betekenen wanneer men uit de bijbel leert en aanvaardt dat God de dood ongedaan kan maken!
De Schrift geeft ware christenen de verzekering dat zij de God dienen „die de doden levend maakt” (Rom. 4:17). Jehovah God belooft dat hij de dood zal wegnemen door het gemeenschappelijke graf van de mensheid te ledigen, en de doden terug te brengen tot leven in een aards paradijs. Geen wonder dat Gods dienstknechten vanwege deze hoop niet treuren „gelijk de overigen, die geen hoop hebben”. — 1 Thess. 4:13.
Uitzien naar het paradijs
In een begrafenistoespraak, of zelfs wanneer u persoonlijk troost biedt aan een nabestaande, kan dikwijls de aandacht worden gevestigd op Gods oorspronkelijke voornemen met de aarde. Dat voornemen hield in dat de paradijstuin in Eden over de gehele aarde zou worden uitgebreid (Gen. 1:28). Wij kunnen erop vertrouwen dat Gods voornemen niet kan, neen, niet zal worden verijdeld. Zeker, in zijn wijsheid heeft hij onvolmaaktheid onder de mensen toegelaten, maar vanwege het loskoopoffer van zijn Zoon en de oprichting van het hemelse koninkrijk kunnen wij er volledig op vertrouwen dat het paradijs op de gehele aarde hersteld zal worden. Derhalve staat de doden die bij de komende aardse opstanding te voorschijn zullen komen, in feite een veel beter leven — vrediger en bevredigender — te wachten dan het leven vóór hun dood. Wat een troost biedt die door Gods Woord ondersteunde verzekering!
Met deze gedachten nog steeds in mijn hoofd nam ik afscheid van de achtergebleven familieleden en kennissen van de overleden moeder van mijn vriend. Toen ik het schitterende, parkachtige paradijs van Ohlsdorf verliet, kon ik niet anders dan mij verheugen in de hoop op dat andere paradijs, dat vlak voor ons ligt — een aards paradijs voor de levenden, maar een paradijs waaraan zelfs de doden deel zullen kunnen hebben.
[Paginagrote illustratie op blz. 9]