Rouw bedrijven en begrafenissen — Voor wie?
ER IS naar waarheid gezegd: „Er is geen menselijke groep bekend . . . die zich zo maar, zonder enig ritueel of enige ceremonie van haar doden ontdoet. In volkomen tegenstelling daarmee begraaft geen enkel dier dode individuen van zijn eigen soort.” „De mens is het enige levende wezen dat een bewustzijn van zichzelf en van de dood heeft ontwikkeld.”a — Zie Genesis 23:3, 4.
Die woorden van de hedendaagse, in Rusland geboren geleerde Theodosius Dobzhansky werpen licht op de reden waarom koning Salomo zo’n drieduizend jaar geleden de raad gaf: „Het is beter te gaan naar het huis van rouw dan te gaan naar het huis van feestgelag, want dat is het einde van de gehele mensheid; en de levende dient het ter harte te nemen.” Ja, omdat wij ons bewust zijn van onszelf en van de dood, houden mensen doorgaans de een of andere soort van dienst voor een gestorven vriend, geloofsgenoot of familielid. — Pred. 7:2.
Betekent het feit dat Salomo zegt dat het beter is naar het huis van rouw te gaan, dat het goed en juist is als christenen naar elk huis van rouw gaan en met de achtergeblevenen rouwen? Is het juist om over de dood van iedere willekeurige persoon te treuren? Wat geeft de bijbel, Gods Woord, te kennen?
De bijbel geeft ons vele voorbeelden van rouwen om overleden personen. Het was juist dat Jakob en Esau rouwden toen hun vader Isaäk gestorven was. Jakob treurde omdat hij dacht dat zijn lievelingszoon Jozef door een wild beest gedood was. Toen de patriarch zelf stierf, werd er grote rouw bedreven, niet alleen door zijn eigen huisgezin, maar ook door de Egyptenaren. De Israëlieten treurden diep over de dood van hun leider Mozes. Hoewel koning Josía werd gedood in een strijd die hij op onverstandige wijze was aangegaan, werd er van de zijde van Jeremia en heel Juda grote rouw over de dood van die goede regeerder bedreven. In latere tijdsperioden werd er getreurd en geweeklaagd over de dood van Lazarus, Jezus Christus, Stéfanus en anderen. — Gen. 27:41; 37:34, 35; 50:1-14; Deut. 34:8; 2 Kron. 35:24, 25; Luk. 24:15-24; Joh. 11:17-44; Hand. 8:2; 9:36-42.
Eén ding moet evenwel over deze speciale gevallen van rouw bedrijven die in de Schrift staan opgetekend, opgemerkt worden: Allen die beweend werden, waren personen die Jehovah God hadden gevreesd en waren familieleden van of stonden in hoog aanzien bij hun nabestaanden. Er waren echter ook personen om wier dood niet werd getreurd. Er is bijvoorbeeld niet de geringste aanwijzing dat Noach en zijn gezin treurden over de dood van het goddeloze en gewelddadige geslacht dat in de Vloed omkwam. Er is ook geen verslag dat Lot treurde om de vernietiging van de uitermate goddeloze mensen van Sodom en Gomorra. Verre van te treuren toen Farao en zijn leger in de Rode Zee werden verdronken, zongen Mozes en zijn volk jubelend een overwinningslied. — Ex. 15:1-21; zie ook Jeremia 22:18, 19.
Waarom rouwklaagden Gods dienstknechten in al deze gevallen niet over degenen die omgekomen waren of waarom mochten zij geen rouw om hen bedrijven? Omdat deze personen door Jehovah God terechtgesteld waren. Als zij over hen getreurd hadden, zou dit gelijk gestaan hebben met kritiek op Jehovah’s rechtvaardige oordelen. Daarom kreeg Jeremia het gebod niet te treuren over de rampspoed die zijn afvallige volk Israël zou overkomen. En in het boek Openbaring lezen we dat, ofschoon enkele van de politieke en commerciële minnaars van Babylon de Grote rouw om haar bedreven, de hemelse legerscharen zich over haar vernietiging verheugden. — Jer. 15:4-7; Openb. 18:9-20.
Het was dus zeer terecht dat toen koning David zo diep om de dood van zijn eerzuchtige, verraderlijke, immorele zoon Absalom treurde, zijn generaal Joab hem berispte (2 Sam. 19:1-8). Toen David daarentegen rouw bedreef over de ontrouwe koning Saul, werd hij niet berispt (2 Sam. 1:17-27). Waarom niet? Koning Saul was Jehovah’s gezalfde. David bedreef dus rouw over hem uit loyaliteit jegens het gezalfde ambt dat Saul bekleedde. (Zie The Watchtower van 1 oktober 1938, blz. 297.) Bovendien wilde David niet dat hij er ook maar enigszins van verdacht kon worden dat hij zich over de dood van zijn vijand verheugde. — Spr. 24:17.
Al deze dingen werden geschreven tot ons onderricht en onze vertroosting in deze tijd van het einde van het goddeloze samenstel van dingen (Rom. 15:4; 1 Kor. 10:11). Dit geslacht zal in de nabije toekomst de voorzegde „grote verdrukking” beleven, waardoor een eind aan dit huidige goddeloze samenstel gemaakt zal worden (Matth. 24:21). Dan zal geen van Jehovah’s getrouwe dienstknechten, de enige overlevenden, rouw bedrijven over de vernietiging van de goddelozen. Integendeel, zij zullen zich verheugen, evenals Mozes en zijn volk zich over de vernietiging van Farao en zijn leger verheugden.
ROUW BEDRIJVEN IN ONZE TIJD
Maar wat valt er over de huidige tijd te zeggen? Wat is onze houding als wij van narigheden, het verlies van veel levens ten gevolge van verschrikkelijke ongevallen, aardbevingen, orkanen en vloedgolven, horen? Ongetwijfeld gaat ons menselijke medegevoel naar de slachtoffers en, in het bijzonder, naar de treurende achtergeblevenen uit, ook al hebben zij misschien geen liefde voor rechtvaardigheid gehad. Zij werden ten slotte niet door Jehovah God terechtgesteld omdat zij goddeloos waren. Zo geven christenen wanneer er familieleden, kennissen of zakenrelaties sterven, normaal ook blijk van vriendelijkheid door de achtergebleven familieleden hun oprechte deelneming te betuigen.
Wanneer een getrouwe gezalfde christen sterft, treuren wij om hem, ook al geloven wij stellig dat hij zijn hemelse beloning heeft ontvangen. Wij zullen hem ten slotte toch missen; maar wij zijn niet ontroostbaar, zoals degenen die geen hoop hebben (1 Thess. 4:13-15). Wij treuren ook om de dood van degenen die een aardse hoop hebben, ook al is het redelijk te verwachten dat zij een vroege opstanding zullen ontvangen. Jezus maakte duidelijk dat „allen die in de herinneringsgraven zijn”, in een opstanding te voorschijn zullen komen. — Joh. 5:28, 29; zie ook Handelingen 24:15; Openbaring 20:13.
WAAROM EEN BEGRAFENIS- OF ROUWDIENST?
Sommigen hebben gedacht dat een begrafenis ten doel heeft de overledene te loven, goed over zo iemand te spreken en hem, zoals wel wordt gezegd, een „goede dood” te geven. Maar is dit juist? Bedenk dat Jehovah God de natie Israël toestond te wenen over Nadab en Abihu, de beide zonen van Aäron die omkwamen omdat zij onwettig vuur hadden geofferd — hoewel het hun naaste familie verboden werd rouw over hen te bedrijven. — Lev. 10:1-7.
Er kan evenmin gezegd worden dat een begrafenisdienst zo iets is als een sacrament dat deugdzaamheid aan de overledene verleent. Het is waar dat de meeste kerklidmaten van de christenheid een begrafenis zonder kerkdienst met afschuw tegemoet zouden zien. Daarom heeft de Rooms-Katholieke Kerk juist voor dit doel verschillende soorten van missen. Deze kunnen zegeningen voor de overledene bevatten en helpen naar men beweert een ziel die zich in het vagevuur bevindt. Al zulke gebruiken worden echter niet door de Schrift ondersteund, want Gods Woord maakt duidelijk dat de doden geen bewustzijn hebben en tot de opstanding zonder bewustzijn blijven. — Pred. 9:5, 10.
Waarom zou er dan een begrafenis- of rouwdienst voor een overledene worden gehouden? Er zijn een aantal goede redenen voor. Om te beginnen, het vertroosten van de bedroefde achtergeblevenen. Christenen wordt geboden alle treurenden te troosten, tot wie ook degenen onder henzelf behoren die misschien treuren (Jes. 61:1, 2; 2 Kor. 1:3-5). De dood veroorzaakt in de regel droefheid. Het is vooral vertroostend een bespreking te horen over Jehovah’s wonderbare eigenschappen, in het bijzonder zijn grote liefde door zijn Zoon als losprijs te verschaffen zodat de mensheid de hoop op eeuwig leven kan hebben. Afgezien van de persoonlijke woorden die de aanwezigen zich wellicht gedrongen voelen te uiten, vertroosten zij de diepbedroefde achtergeblevenen alleen al door er te zijn.
Er is ook nog de kwestie van het getuigenisgeven omtrent bijbelse waarheden. Een begrafenis wordt doorgaans bijgewoond door buren, kennissen, zakenrelaties en familieleden, die wellicht geen gelovigen zijn. Al deze personen zullen voordeel trekken van een begrafenis- of rouwdienst waarop een toespraak wordt gehouden over de bijbelse zienswijze ten aanzien van de toestand van de doden, waarom mensen sterven en de hoop op een opstanding. Omdat er zulke voortreffelijke doeleinden mee worden gediend, zou een christelijke bedienaar wellicht de begrafenis van een ongelovig familielid van een Getuige — of zelfs van iemand die zich in een toestand van uiterste wanhoop of in een vlaag van waanzin het leven benomen heeft — met een onbezwaard hart kunnen leiden. En medechristenen zouden, door aanwezig te zijn, troost kunnen bieden aan de bedroefde achtergebleven Getuige.
Nog een doel waaraan een begrafenisdienst kan beantwoorden, is datgene wat door Salomo onder onze aandacht wordt gebracht. Bedenk dat hij zei: „Het is beter te gaan naar het huis van rouw dan te gaan naar het huis van feestgelag, want dat is het einde van de gehele mensheid; en de levende dient het ter harte te nemen” (Pred. 7:2). Het feit van de dood geeft ons reden om na te denken over de kortstondigheid van het leven. Wij dienen er ook door geholpen te worden te beseffen wat een zegen het leven is. In de dood is geen bewustzijn, geen gevoel, geen communicatie, geen vreugde en geen werkprestatie.
Onder sommige volken uit de oudheid was een begrafenis een uitermate droevige aangelegenheid en symboliseerde ze een nederlaag. Ze werd daarom ’s avonds gehouden. Hoewel het waar is dat christenen niet treuren zoals anderen die geen hoop hebben, geloven wij toch dat er op een begrafenis of tijdens een rouwdienst, of in tegenwoordigheid van de overledene thuis of in een rouwkamer, geen vrolijkheid of gescherts dient te zijn alsof men op een picknick of een feest was. Voor alles is er een tijd, en de tijd van de dood is geen tijd voor luidruchtig gelach. — Pred. 3:1, 4.
En als er een dienst wordt gehouden voor een overleden getrouwe dienstknecht van Jehovah God, zou deze gelegenheid bovendien heel goed gebruikt kunnen worden om gewag te maken van de loopbaan van rechtschapenheid die de desbetreffende persoon, ondanks alle mogelijke hinderpalen, heeft gevolgd (2 Sam. 1:26). Zoals Markus Antonius in zijn beroemde grafrede zei: „Ik kom om Caesar te begraven, niet om hem te prijzen.” Zo is ook ons doel niet om schepselen te loven of te verheerlijken, maar hun voorbeeld als navolgenswaard te beschouwen. De apostel Paulus stelde het zo: „[Wordt] niet traag . . ., maar navolgers . . . van hen die door geloof en geduld de beloften beërven.” — Hebr. 6:12.
BEGRAFENISSEN VAN UITGESLOTEN PERSONEN?
Veronderstel echter eens dat de overledene een uitgesloten persoon is, iemand die om de een of andere reden uit de christelijke gemeente is uitgesloten. In „Vragen van lezers” (De Wachttoren van 1962, blz. 127) werd het standpunt ingenomen dat het onjuist was om de begrafenis van een uitgeslotene te leiden. Er werd in gezegd: „Wij zullen nimmer bij buitenstaanders de indruk wekken dat een uitgeslotene voor de gemeente aanvaardbaar was, terwijl dit in werkelijkheid beslist niet het geval was, daar hij was uitgesloten.” Zijn er wat het regelen van een begrafenis voor een uitgeslotene betreft, geen uitzonderingen?
Alvorens die vraag te beantwoorden, zou het goed zijn in het kort de kwestie van uitsluiting na te gaan. Dat uitsluiting een schriftuurlijke basis heeft, blijkt uit Eén Korinthiërs hoofdstuk 5, waar de apostel Paulus gebiedt een immorele man uit te sluiten. Echter pas in 1952 handelde Jehovah’s hedendaagse volk in overeenstemming hiermee doordat de noodzaak daartoe steeds dringender werd. Met grote ijver voor rechtvaardigheid en haat voor wat goddeloos is, stelde men richtlijnen op voor degenen die de leiding in de gemeente nemen en haar in geestelijk, leerstellig en moreel opzicht rein houden.
In de loop der jaren is Jehovah’s volk de kwestie van uitsluiting steeds duidelijker gaan zien. Er werden niet alleen details uitgewerkt, maar steeds meer ging men inzien dat er wijsheid en liefde, alsook rechtvaardigheid bij betrokken is. Zij zagen de noodzaak om barmhartigheid te tonen jegens werkelijk berouwvolle dwalenden en rekening te houden met verzachtende omstandigheden en elk bewijs van oprechte droefheid. In zeer recente jaren werd er ook op gewezen dat er een verschil is tussen de wijze waarop christenen zich dienen te gedragen jegens een algemeen erkende zondaar of een agressieve afvallige en jegens iemand die als „een mens uit de natiën” wordt beschouwd — ten aanzien van wie de normale beleefdheid van een groet getoond kan worden. — Matth. 18:17; 2 Joh. 9, 10.
Dit onderscheid zou wellicht zelfs in verband met de begrafenis van een uitgesloten persoon gemaakt kunnen worden. Een christelijke gemeente zou haar goede naam niet willen laten besmeuren door omgang te hebben met personen op wie 2 Johannes 9, 10 van toepassing is, zelfs niet in hun dood. Maar veronderstel dat een uitgesloten persoon enig bewijs van oprecht berouw had getoond, naar de vergaderingen was gekomen en het verlangen had getoond om wederom in de gemeente opgenomen te worden. Dan zou er, als de ouderlingen van mening waren dat het de vrede en harmonie van de gemeente niet zou verstoren en ook geen smaad op Gods volk zou brengen, geen bezwaar tegen zijn dat een ouderling een toespraak houdt. Hoe kunnen zij weten of Jehovah hem niet reeds vergeven heeft, aangezien er enig bewijs van berouw is? De ouderlingen hebben misschien terecht gewacht omdat zij er zeker van wilden zijn dat zijn ogenschijnlijke berouw oprecht was. Iedere zaak ligt natuurlijk anders en moet op zichzelf beoordeeld worden. Als er een begrafenislezing wordt gehouden, zou er vanzelfsprekend voor opgepast moeten worden niet stil te blijven staan bij persoonlijke aangelegenheden en geen enkele positieve uitspraak te doen ten aanzien van het feit of hij zal worden opgewekt. Er zou echter beslist een goede schriftuurlijke toespraak gehouden kunnen worden, waarin een fijn getuigenis wordt gegeven.
Daarenboven dienen wij twee van de kardinale redenen voor uitsluiting van een kwaaddoener niet over het hoofd te zien. Eén reden is, hem met een schok tot bezinning te brengen. De andere is, de gemeente tegen zijn slechte invloed te beschermen. Geen van deze redenen zou nu van toepassing zijn, aangezien de uitgeslotene gestorven is. Zelfs als een uitgesloten persoon om zo te zeggen louter een „mens uit de natiën” is gebleven, kan een schriftuurlijke begrafenislezing, zoals reeds eerder opgemerkt, meer dan één goed doel dienen: De achtergeblevenen kunnen erdoor vertroost worden en het is een getuigenis voor buitenstaanders. Alleen al het feit dat er een goed getuigenis wordt gegeven, kan, ongeacht de omstandigheden, een troost voor de achtergeblevenen zijn.
Van alle aardse schepselen zijn alleen wij naar Gods beeld gemaakt. Hierdoor zijn wij in staat te beseffen wat de dood is. Daarom zijn wij ook in staat om over de dood van een ander te treuren en koesteren wij het verlangen achtergeblevenen te vertroosten. Is onze hemelse Vader niet werkelijk „de Vader der tedere barmhartigheden en de God van alle vertroosting”? Zeer beslist! Daarom laten wij in de kwestie van rouw bedrijven en begrafenissen, evenals dit in andere aangelegenheden van het leven het geval dient te zijn, onze gevoelens en daden door zijn beginselen van wijsheid, gerechtigheid en liefde leiden. — 2 Kor. 1:3, 4; 1 Kor. 16:14.
[Voetnoten]
a The Uniqueness of Man, onder redactie van J. D. Roslansky.