De zienswijze van de bijbel
Wanneer het geweten van een ander erbij betrokken is
DE BIJBEL bevat weergaloze raad voor succesvolle menselijke betrekkingen. Een zeer voortreffelijke richtlijn is deze, geschreven door de apostel Paulus:
„Maakt . . . mijn vreugde volkomen doordat gij gelijkgezind zijt en dezelfde liefde hebt, in ziel samengevoegd, het ene in gedachten houdend, niets doende uit twistgierigheid of uit egotisme, maar met ootmoedigheid des geestes de anderen superieur aan uzelf achtend, terwijl gij niet alleen uit persoonlijk belang het oog houdt op uw eigen zaken, maar ook uit persoonlijk belang op die van de anderen.” — Fil. 2:2-4.
Het is beslist een uitdaging die raad in deze tijd toe te passen. De jaren ’70 zijn wel „Het ’Ik’-tijdperk” genoemd. Wij bevinden ons in een periode waarin eigenliefde en eigenbelang in de geest van veel mensen overheersen.
Hoe kunnen personen die God wensen te behagen tonen dat zij de persoonlijke belangen van anderen „superieur” achten aan die van zichzelf? Dit kan vooral worden getoond door op te letten hoe ons gedrag van invloed is op het geweten van anderen.
Schenk aandacht aan de volgende schriftuurlijke raad die wordt gegeven voor het geval dat een christen wordt uitgenodigd een maaltijd te gebruiken in het huis van een ongelovige:
„Indien iemand van de ongelovigen u uitnodigt en gij wenst te gaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder vanwege uw geweten navraag te doen. Maar zou iemand tot u zeggen: ’Dit is iets wat [aan afgoden] ten slachtoffer is gebracht’, eet dan niet ter wille van degene die het heeft onthuld en vanwege het geweten. Ik zeg ’geweten’, niet het uwe, maar dat van de ander.” — 1 Kor. 10:27-29.
De bijbel verschaft soortgelijke raad voor het gedrag van christenen tegenover medegelovigen: „Houd ermee op het werk Gods af te breken ter wille van voedsel. Alle dingen zijn weliswaar rein, maar het is schadelijk voor de mens die met een aanleiding tot struikelen eet. Het is goed geen vlees te eten noch wijn te drinken noch iets te doen waarover uw broeder struikelt” (Rom. 14:20, 21). Wanneer het geweten van iemand anders gekwetst kan worden, is het alleen maar juist om zelfs iets waar normaal niets op tegen is, zoals het eten van bepaalde soorten van voedsel, te vermijden.
Misschien veroorzaakt dat waaraan u bij voedsel en drank de voorkeur geeft geen problemen voor personen met wie u in contact komt. Doch de schriftuurlijke beginselen die hierboven zijn uiteengezet dienen ook op andere terreinen van het leven te worden toegepast. Beschouw bijvoorbeeld eens de kwestie van haardracht en kleding. Het Woord van God vermeldt niet bij welke maximumlengte het haar van een man nog aanvaardbaar is. Maar dit geeft christelijke mannen niet de vrijheid hun haar net zo lang te laten worden als zij zelf willen. De bijbel bevat deze vraag: „Leert de natuur zelf u niet dat indien een man lang haar heeft, dit hem tot oneer strekt?” — 1 Kor. 11:14.
Natuurlijk zullen mensen verschillend denken over de precieze lengte van „lang haar”. Het zal echter veel meer helpen als wij bij zo’n kwestie ons niet door een specifieke regel laten leiden, doch door het toepassen van het beginsel achter bovenaangehaalde schriftuurplaats: „Ik zeg ’geweten’, niet het uwe, maar dat van de ander.”
Dezelfde raad is van toepassing wanneer het gaat om het dragen van een baard of bepaalde kledingstukken. Op sommige plaatsen beschouwen mensen een baard nog steeds als het kenmerk van opstandige elementen in de maatschappij. Insgelijks kunnen bepaalde wijzen van kleden door de bevolking in het algemeen als onaanvaardbaar worden beschouwd voor mannen en vrouwen die beweren God te vertegenwoordigen. In dit opzicht zal het nuttig zijn wat verdere raad van de apostel Paulus te beschouwen. Hoewel hij weer over het eten van bepaalde soorten voedsel spreekt, kan Paulus’ raad op elk terrein van het leven, waarbij het geweten van anderen kan worden gekwetst, worden toegepast. De apostel schrijft:
„Voedsel zal ons niet bij God aanbevelen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om, en eten wij wel, wij hebben geen verdienste voor onszelf. Maar blijft erop toezien dat deze autoriteit van u [om te eten wat u wilt] niet op de een of andere wijze een struikelblok wordt voor hen die zwak zijn. . . . Ja, door uw kennis [dat een christen zich niet hoeft te beperken tot slechts bepaalde soorten van voedsel] wordt degene die zwak is, te gronde gericht, uw broeder ter wille van wie Christus is gestorven. Maar wanneer gijlieden aldus tegen uw broeders zondigt en hun geweten, dat zwak is, kwetst, zondigt gij tegen Christus. Indien daarom voedsel mijn broeder doet struikelen, zal ik nooit en te nimmer meer vlees eten, om mijn broeder niet te doen struikelen.” — 1 Kor. 8:8-13.
Wanneer een christen bij wie het verlangen leeft die bijbelse waarheden met zijn naaste te delen, nadenkt over zijn uiterlijke verschijning of de kleren die hij zal dragen, doet hij er goed aan zich af te vragen: Welke haardracht en kleding vinden de mensen in deze gemeenschap aanvaardbaar voor iemand die het Woord van God onderwijst? Als u er niet zeker van bent, waarom vraagt u het dan niet aan een van de ouderlingen of een ander gerespecteerd lid van de gemeente waarmee u verbonden bent? Aangezien zulke personen vertrouwd zijn met de leefwijze die door de plaatselijke bevolking wordt geaccepteerd, zullen zij in staat zijn nuttige suggesties te geven, terwijl zij toch de persoonlijke voorkeur zullen respecteren.
Interessant genoeg voorziet de bijbel ook in raad over het andere uiterste, namelijk overgevoeligheid. Wij lezen:
„Laat degene die eet, niet neerzien op degene die niet eet, en laat degene die niet eet, geen oordeel vellen over degene die eet, want God heeft hem aanvaard. Wie zijt gij, dat gij de huisknecht van een ander oordeelt? Hij staat of valt voor zijn eigen meester. Hij zal trouwens staande worden gehouden, want Jehovah kan hem staande houden. De een oordeelt de ene dag boven de andere; een ander oordeelt de ene dag gelijk aan alle andere; een ieder zij volledig overtuigd in zijn eigen geest. . . . waarom oordeelt gij uw broeder? Of waarom ziet gij ook neer op uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van God staan.” — Rom. 14:3-5, 10.
Allen die hun leven in harmonie wensen te brengen met schriftuurlijke beginselen, moeten het vermijden kleingeestig en gauw beledigd te zijn. Wanneer het om zulke dingen als het kiezen van voedsel, haardracht en kleding gaat, heeft geen enkele christen het recht het leven van anderen te besturen door zijn persoonlijke zienswijzen die al dan niet extreem kunnen zijn. „Laten wij elkaar . . . niet langer oordelen”, voegt het schriftuurlijke verslag eraan toe, „maar neemt liever deze beslissing, een broeder geen struikelblok in de weg te leggen noch iets waarover hij kan vallen.” — Rom. 14:13.
In overeenstemming met de schriftuurlijke vermaning die aan het begin van dit artikel is aangehaald, doen personen die God wensen te behagen „niets . . . uit twistgierigheid of uit egotisme”. In plaats dat zij een egotistische „Ik eerst”-houding aan de dag leggen, tonen zij „ootmoedigheid des geestes” door de belangen van anderen als belangrijker te beschouwen dan hun eigen belangen. — Fil. 2:2-4.
Wanneer het gaat om het nemen van beslissingen inzake persoonlijke verschijning of dergelijke kwesties, dienen christenen altijd het geweten van anderen in aanmerking te nemen. Wanneer er enige twijfel bestaat over een bepaalde stijl in kapsel, haardracht of kleding, dienen zij die stijl te vermijden, zelfs hoewel zij er persoonlijk misschien de voorkeur aan geven. En zij zullen het eveneens vermijden kritisch te zijn en te proberen hun persoonlijke maatstaven aan anderen op te dringen. Dit is in overeenstemming met de geïnspireerde raad: „Laten wij . . . de dingen nastreven die de vrede bevorderen en de dingen die tot opbouw van elkaar dienen.” — Rom. 14:19.