Beelden uit Peru’s verre verleden
Door Ontwaakt!-correspondent in Peru
AAN de Peruaanse westkust heeft in oude tijden een opmerkelijk mensenras gewoond, dat niet alleen zijn omgeving veranderde, maar ook een beschaving opbouwde, die een vergelijking kan doorstaan met de oude Sumerische en Egyptische beschavingen. Archeologen hebben aan deze reeds lang geleden verdwenen beschaving de naam Mochica gegeven. De onwaarschijnlijke plaats waar de Mochica-cultuur tot ontwikkeling kwam, is de smalle strook land van 16 tot 80 kilometer breedte die overblijft tussen het hoog oprijzende Andesgebergte en het diepblauwe water van de Grote Oceaan: een droge, onherbergzame woestijn die zich uitstrekt over een lengte van ongeveer 3000 kilometer. Hier en daar worden de enorme oppervlakten van louter kale rotsen en zand doorkruist door smalle groene linten van uitbundige plantengroei. Kleine riviertjes die ontspringen in de met sneeuw bedekte bergen, voeden het leven in deze oases.
Wanneer wij de groene valleien wat nader bekijken, ontdekken wij dat de oude bewoners lange, knap uitgevoerde irrigatiekanalen hebben aangelegd zodat het water van rivieren hoog in de heuvels verdeeld kon worden over de steile hellingen van de vallei. Ieder stukje vruchtbare grond kon men zo benutten voor bebouwing. Wanneer de wanden van de vallei hiervoor te steil bleken te zijn, bouwden de oude bewoners trapvormige terrassen die na duizenden jaren nog in gebruik zijn. Ook ziet men in dit gebied honderden heuveltjes van verbrokkelende bouwsels in adobe (in de zon gedroogde leemblokken), waaronder dorpen, steden, forten en terrasvormige zigurrats of tempeltorens.
Wat was het voor een volk dat aan de westkust van Peru heeft gewoond? Waarom verdween hun beschaving, evenals die van zoveel andere volkeren? De beantwoording van deze vragen vormt geen gemakkelijke taak. De tand des tijds heeft de resten van hun lemen gebouwen doen verdwijnen. Met uitzondering van een paar losse woorden is hun taal vergeten. Een reeks veroveringen heeft hun gewoonten en maatschappelijke orde volkomen veranderd. Eerst onderwierpen de Inka’s de andere Indiaanse stammen en toen kregen in de zestiende eeuw G.T. de Spanjaarden het gebied in hun macht. Bovendien hebben de Indianen geen geschreven berichten nagelaten. Afgezien van wat korte verslagen die werden opgesteld ten tijde van de Spaanse verovering, is het bericht in hoofdzaak afkomstig uit een unieke bron die wel vergeleken is met een historisch prentenboek. Die bron zijn de figuurvazen die de Mochica-cultuur heeft nagelaten.
De reden waarom aardewerk zo rijkelijk voorhanden is
Evenals dat met de oude Egyptenaren het geval was, geloofde het volk dat de Mochica-cultuur voortbracht, dat de geesten van de doden onsterfelijk waren en bij de dood naar een andere wereld overgingen. Ten einde de overledenen te verzekeren van geluk en voorspoed in het volgende leven, werden zij begraven met de bezittingen waaraan zij waarde hechtten, zoals kleding, sieraden en wapens. De Spaanse kroniekschrijver Cieza de Léon vertelt ons dat oversten en andere edelen van hoge rang hun lievelingsvrouwen en hun dienaren levend met hen lieten begraven in groots opgezette graven van adobe, huacos genaamd. Het minste was toch wel dat men werd begraven met een overvloedige voorraad voedsel en drank. Aangezien bij iedere begrafenis potten en vazen nodig waren om het voedsel en de drank in te bewaren, werden er grote hoeveelheden aardewerk geproduceerd.
In het droge klimaat van de woestijn zijn de lemen graven heel goed bewaard gebleven. Toen ze bij opgravingen werden geopend, leverden ze mummies en vele figuurvazen op. Dit aardewerk was de beste benadering van een geschreven taal die er in de Mochica-beschaving bestond. Zo is het mogelijk met behulp van deze vazen te reconstrueren wat anders een verloren gegaan verleden zou zijn geweest.
Zo’n 300 jaar vóór onze gewone tijdrekening begon het volk van de Mochica-cultuur het pottenbakken geleidelijk tot een ware kunst te ontwikkelen. Zonder de hulp van een pottenbakkersschijf maakten zij van fijne pottenbakkersklei dunwandige, fraai gevormde vazen die bruikbaarheid paarden aan schoonheid. Misschien wel het meest markant is de hengseltuitvaas. Twee tuiten van klei buigen uit de vaas naar elkaar toe en vormen, samengekomen, één enkele tuit, waarbij het hengsel om de vaas te dragen tegelijkertijd ook de tuit is waarmee men schenkt. De vaas zelf is versierd met geschilderde motieven en kleine figuurtjes in bas-reliëf (een reliëf waarbij de figuurtjes slechts heel weinig uit het achtervlak naar voren springen). Dit aardewerk werd het medium waarin de pottenbakker zich artistiek kon uiten. Als ware meesters modelleerden de Indianen hun vazen van klei tot gelijkenissen van zichzelf en van wat zij om zich heen zagen. Zij waren scherpe waarnemers van de schepping en verstonden de kunst hun vazen te vormen tot nauwkeurige afbeeldingen van de vruchten en groentes die zij verbouwden, en van het overvloedige dierenleven in de kuststreek. Niet al hun aardewerk was echter een letterlijke weergave van hun omgeving. Zij modelleerden ook mythologische goden en demonen.
Afbeeldingen van de mensen
De portretvazen vormen met hun geboetseerde hoofden de hoogste prestatie op het gebied van de beeldende kunst uit de Mochica-beschaving. Zonder twijfel moeten de pottenbakkers — vrouwen, naar men denkt — hun levensechte afbeeldingen van hoofden hebben gemodelleerd met bepaalde personen in gedachten. De vazen, zoals ze nu in rijen op de planken van de hedendaagse musea staan, laten zien dat de gelaatstrekken van de Peruanen die in de oudheid langs de kust hebben gewoond, sterk lijken op die van hun hedendaagse afstammelingen. Zij hadden een rond gezicht, een forse, gebogen neus, die was doorboord om er een ring doorheen te dragen, een brede mond met dikke lippen, en ogen die iets amandelvormig waren. Deze gelaatstrekken duiden erop dat het een volk van Aziatische oorsprong was. Ook hadden alle mannen doorboorde oren met houten pinnen erin, gelijkvormig aan de gewoonte van sommige Afrikaanse stammen die houten pinnen in hun lippen hebben. Bij speciale feestelijke gelegenheden werden de houten pinnen vervangen door andere, van koper en goud. De meeste mannen beschilderden hun gezicht ter decoratie met bepaalde motieven. De mannen waren over het algemeen kort en gedrongen.
Het is verrassend te zien dat de vazen taferelen vertonen die net zo goed aan onze tijd ontleend zouden kunnen zijn. Eén laat zien hoe een stomdronken man wordt ondersteund door twee nuchtere metgezellen. Een vaas met een lachend gezicht onthult dat deze pottenbaksters scherpe waarneemsters moeten zijn geweest. Door twee heel kleine gaatjes die in de ooghoeken zijn geboord, kunnen zich daar kleine druppeltjes water vormen. Dit wijst erop dat degene die die vaas lang geleden heeft gemaakt, wist dat iemand kon huilen van het lachen. Een andere vaas beeldt een vrouw af die zich knielend over een grote bak water buigt en haar haar wast.
Een vaas die een bevalling toont, laat ons de moeder zien in zittende houding — in de meeste oude beschavingen de traditionele houding voor vrouwen die bevallen. Een vroedvrouw die achter haar staat, heeft haar armen om de vrouw heengeslagen en drukt op haar buik om haar te helpen bij de bevalling. Een andere vrouw knielt voor haar neer om de baby op te vangen, waarvan het hoofdje al te zien is. Zo heeft op één klein stukje aardewerk de kunstenaar een tafereel kunnen vastleggen dat zich al duizenden jaren steeds opnieuw heeft afgespeeld.
Andere vazen beelden ziekten en kwalen af. Doktoren uit onze tijd hebben in de geboetseerde afbeeldingen personen herkend die leden aan een tumor in de ogen, nek of hersenen. Andere vazen beelden gevallen af van syfilis, kwaadaardige zweren en verruga peruana (een gevreesde wratziekte uit de Andes). Op één vaas zien wij een blinde man die op zijn panfluit van riet zit te spelen, en op andere zijn kreupele en misvormde mensen te zien, met inbegrip van een gebochelde.
De vazen vertellen ons van de oude medicijnmannen, die oquetlupuc werden genoemd. Op één vaas plaatst een medicijnman zijn handen op de zieke die voor hem is neergelegd. Op een andere kan men zien hoe hij in de mond van de patiënt blaast, en op weer een andere vaas is hij afgebeeld terwijl hij zijn lippen op het lichaam van de patiënt drukt alsof hij de ziekte eruit zuigt.
De Spaanse kroniekschrijvers vertellen ons dat men veel gebruik maakte van kruiden, die een duidelijk bewezen geneeskracht hadden. (Veel van onze hedendaagse geneesmiddelen zijn afkomstig van Peruaanse kruiden.) Door hen weten wij ook dat de koning van Spanje, toen hij hierover was ingelicht, een speciale afgezant stuurde om een boek samen te stellen over de vele verschillende kruiden die de Indianen gebruikten. De medicijnman had er ook zelf heel sterk belang bij zijn patiënt te genezen, omdat als de zieke ten gevolge van zijn nalatigheid stierf, de zogenaamde genezer op het lijk van de patiënt werd gebonden en in het open veld werd achtergelaten waar de aasvogels hem zouden doden door zijn ogen en ingewanden uit te pikken.
De vazen laten zien dat men tijdens de Mochica-cultuurperiode praktische kleding droeg die goed was afgestemd op het kustklimaat. De vrouwen, die meesters in de weefkunst waren, vervaardigden kleurrijke, fijngeweven kledingstukken van katoen en lamawol, versierd met geometrische motieven in heldere tinten. Basis van de kleding was een lendendoek die tussen de benen door werd getrokken en om het middel werd vastgeknoopt. De mannen droegen hieroverheen een mouwloos hemd als bedekking van hun bovenlichaam, terwijl een korte rok hun onderlichaam bedekte. Deze rok werd op zijn plaats gehouden door een brede gordel die gewoonlijk versierd was met ratels. De mannen droegen ook ruime capes met grote ronde kragen, en op het hoofd kleine kappen waaromheen zij smalle stroken stof konden wikkelen om zo een tulband te vormen. De hoofdbedekking werd op zijn plaats gehouden door een brede band van stof die diagonaal over het hoofd liep en onder de kin werd vastgemaakt. De Spaanse kroniekschrijvers vermelden dat de Indianen er in deze zwierige dracht uitzagen als zigeuners. Overdag beschermde deze kledij hen tegen de brandende tropische zon en ’s nachts gaf ze de warmte die nodig was in de koele vochtige wind die vanaf de koude oceaanstroom voor de kust van Peru landinwaarts blies.
Landbouw en visserij
Een hele reeks vazen die men de vorm van de voornaamste voortbrengselen van het land heeft gegeven, onthullen dat men in de Mochica-beschaving een grotere verscheidenheid aan groentes en vruchten verbouwde dan in de overeenkomstige periode in Europa. Het aardewerk herinnert ons aan het feit dat veel gewassen die nu over de hele wereld worden verbouwd, uit Peru afkomstig zijn, zoals de aardappel, waarvan nog steeds ongeveer 30 variëteiten worden verbouwd, en de pallar of limaboon. Andere gewassen waren de zoete aardappel, cassave, maïs, de pompoen, rode peper, aardnoten, vele soorten bonen en maïs, waarvan men popcorn maakte in een speciaal door de pottenbakkers uitgevonden pot.
Rond hun huis, dat an werd genoemd, hadden de Indianen kalkoenen, eenden en een niet-blaffende hondensoort. In de donkere hoeken van hun woningen hielden zij cavia’s, die zij als voedsel gebruikten, iets dat ook nu nog door vele Peruanen wordt gedaan.
Deze Indianen trokken voordeel van nog een overvloedige voedselbron — vis. De vazen tonen Mochica-vissers die vanuit hun kleine, van riet gemaakte boten met netten en haken aan het vissen zijn. Zij vingen vis, inktvis, kreeft en allerlei soorten schaaldieren, die allemaal getrouw in hun aardewerk zijn weergegeven.
Oorlog en religie
De Mochica-beschaving was kennelijk verdeeld in vele plaatselijke koninkrijken die elkaar voortdurend bestreden. En degenen die bij deze oorlogen in handen van hun vijanden vielen, werden aan de goden geofferd.
Deze Indianen beoefenden een ontaarde vorm van aanbidding, zoals duidelijk blijkt uit aardewerk dat openlijk vele tegennatuurlijke seksuele daden afbeeldt. Het aardewerk toont ook afbeeldingen van vele goden en demonen, in wie menselijke trekken samengaan met die van dieren en planten.
Het aardewerk dat men in het kustgebied van Peru heeft gevonden, geeft inderdaad een beeld van het werkelijke leven tijdens de Mochica-beschaving. Hoewel het getuigenis niet in woorden is uitgedrukt, wijst het onmiskenbaar op het bestaan van een oude beschaving die in vele opzichten grote vorderingen had gemaakt, hoewel ze diep in valse religie was geworteld.