Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g78 22/10 blz. 11-15
  • Het raadsel van de rotsen — ’Boesmanstekenings’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het raadsel van de rotsen — ’Boesmanstekenings’
  • Ontwaakt! 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Op zoek naar de antwoorden
  • ’s Mensen drang naar zelfexpressie
  • Wie waren de kunstenaars?
  • Wat hebben de afbeeldingen te vertellen?
  • Dateringsproblemen
  • Was er een vroegere verbindingsschakel?
  • Technieken en gebruikte materialen
  • De laatste Bosjesmanschilders
  • Het verdwijnende bericht van de rotsen
  • De Bosjesman — Afrika’s overlevingsspecialist
    Ontwaakt! 1985
  • De Drakensberge — prachtig maar gevaarlijk
    Ontwaakt! 1988
  • Zou u graag een schilderij kopen?
    Ontwaakt! 1975
  • Zuid-Afrika — Vele rassen, vele conflicten, maar sommigen vinden vrede
    Ontwaakt! 1986
Meer weergeven
Ontwaakt! 1978
g78 22/10 blz. 11-15

Het raadsel van de rotsen — ’Boesmanstekenings’

Door Ontwaakt!-correspondent in Zuid-Afrika

VOOR een kunstliefhebber is een bezoek aan een kunstgalerij gewoonlijk een interessant en opwindend genoegen. Zulke galerijen zijn echter niet dik gezaaid, zelfs niet in grote steden. Zuid-Afrika daarentegen kan zich beroemen op letterlijk honderden antieke kunstgalerijen, die de belangstelling en bewondering hebben geoogst van ontelbare kunstenaars, archeologen en toeristen.

Wij hebben het over de rotstekeningen van de Bosjesmannen, of ’Boesmanstekenings’ zoals men ze hier in Afrika wel noemt. Wanneer bezoekers gefascineerd de rotswanden bekijken die zijn bedekt met afbeeldingen van mensen en dieren, vragen zij zich af: Wat is dit? Heeft de kunstenaar gewoon zijn fantasie de vrije loop gelaten of trachtte hij een boodschap over te brengen? En waarom en hoe maakte een kunstenaar op honderden kilometers afstand van de zee, een bijna perfecte afbeelding van een dolfijn?

Op zoek naar de antwoorden

Om de antwoorden op zulke vragen te vinden en tevens „gemotiveerd door de wetenschap dat, deze tekeningen onvermijdelijk zullen verdwijnen”, zijn teams van archeologen en kunstenaars in een race tegen de tijd bezig geweest met het kopiëren en beschrijven van zoveel mogelijk tekeningen. Zo is hier bijvoorbeeld de Frobenius-expeditie geweest van kunstenaars uit Duitsland, en ook Harald Pager uit Oostenrijk. De Franse archeoloog Abbé Henri Breuil is een van de wereldvermaarde onderzoekers geweest die na de primitieve Europese kunst te hebben onderzocht — vooral in Spanje en Frankrijk — zijn aandacht richtte op het werk van de Bosjesmannen in Afrika. Het Afrikaanse veld leverde de onderzoekers evenveel onbeantwoorde vragen op als de voordien onderzochte gebieden. Bepaalde onderzoekers raakten zo bezeten van het vinden van een oplossing voor de vele problemen dat zij nooit meer naar huis terugkeerden. Het ontcijferen van het raadsel van de rotsen werd hun alles overheersende levenswerk.

Veel kamergeleerden bezochten met hetzelfde doel bibliotheken, ten einde daar de theorieën en ontdekkingen van de deskundigen te beschouwen zonder zelf bergen te hoeven beklauteren, holen in te duiken of zandwoestijnen en wildernissen door te trekken op zoek naar deze oude kunstwerken.

’s Mensen drang naar zelfexpressie

De rotskunst is wel beschreven als de lingua franca van het zogenaamde „stenen tijdperk” — het voermiddel om gedachten, ideeën en zelfs religieuze opvattingen over te brengen, omdat, naar men veronderstelt, het geschreven woord nog niet bekend was. Bijna elk land heeft wel archeologische vindplaatsen die getuigen van ’s mensen aangeboren drang om zichzelf artistiek te uiten — en dit al vanaf de vroegste tijden van zijn bestaan — of de drang om zijn leven en dagelijkse bezigheden op een bepaalde manier vast te leggen. Deze oude verslagen variëren van de ingewikkelde inscripties op de muren van Egyptische graftombes tot de primitievere rotstekeningen die in holen in Europa, Amerika en Afrika worden aangetroffen.

De grootste concentratie van oude rotstekeningen ter wereld treft men aan ten zuiden van de Afrikaanse rivier de Zambezi. Terwijl de rotskunst van Europa diep ligt weggescholen in holen, waar ze slechts bij kunstverlichting kan worden bekeken, vindt men de rotstekeningen van zuidelijk Afrika in zonovergoten holen op hellingen en op bijna elke rotswand die maar enigszins terugwijkt. Er zijn thans in Zuid-Afrika zo’n 2000 vindplaatsen bekend, nog afgezien van die in Rhodesië, Botswana, Swaziland en Zuid-West-Afrika. Eén streek, de Ndedema-kloof in de Zuidafrikaanse ’Drakensberge’ bevat 16 vindplaatsen met 3000 tekeningen. Alles wijst erop dat deze verborgen kloof lange tijd door Bosjesmannen is bewoond. In elk geval zo lang dat de kunstenaars hun drang naar „binnenhuis-decoratie” volledig konden botvieren, met het gevolg dat bepaalde muurschilderingen hele oppervlakken beslaan en met talloze dierlijke en menselijke figuren zijn overdekt.

Wie waren de kunstenaars?

Hoewel de precieze identiteit van de kunstenaars nog altijd een vraag blijft die niet definitief is opgelost, staan de kunstwerken in het algemeen bekend als ’Boesmanstekenings’. De inheemse Bosjesmannen waren aanvankelijk de enige menselijke bewoners van Zuid-Afrika en zij leefden hier waarschijnlijk al verscheidene eeuwen voordat zwarte stammen zuidelijk Afrika binnendrongen. De Bosjesmannen zijn kort van gestalte en bezitten een geelachtige huidskleur. Vanwege de overeenkomst in schedelvorm zijn ze wel in verband gebracht met de Pygmeeënschedels die vanaf Egypte tot Kaap de Goede Hoop zijn gevonden. Het meest opvallende lichaamskenmerk van de Bosjesmannen, zowel bij de vrouwen als de mannen, is een overvloedige vetafzetting rond het zitvlak.

Een oud Arabisch geschrift, dat uit ongeveer 1150 van de gewone tijdrekening dateert, bevat een beschrijving van deze primitieve bewoners van zuidelijk Afrika, waarin onder andere wordt vermeld dat „hun spraak op gefluit lijkt”. Dit kan een zinspeling zijn op de ’click’-klanken in hun taal; deze zijn ook nu nog bij vele hedendaagse zwarte stammen aanwezig, als een erfenis van de vermenging van de eerste neger-migranten met de kleine Bosjesmannen.

Uit de rotsschilderingen blijkt dat de Bosjesmannen over een scherp observatievermogen beschikten, gevoel voor humor ook, en een hoger georganiseerd bestaan kenden dan de onderzoekers aanvankelijk vermoedden. Niettemin leidden deze mensen een eenvoudig leven. Behalve wild, gejaagd met pijl en boog, bevatte hun voeding zaden, bessen, wortelen, insekten en reptielen. Als nomaden woonden ze in rotsholen en onder uitstekende rotsrichels. Daar ook, in hun primitieve woningen, vervaardigden ze de fijnzinnige tekeningen die ons nu een beeld geven van hun dagelijkse levenswijze. De Britse onderzoeker G. W. Stow was de eerste die zich realiseerde dat deze kunstwerken waardevolle bladzijden vormden uit het geschiedenisboek van Zuid-Afrika.

Wat hebben de afbeeldingen te vertellen?

In tegenstelling tot de rotskunst van Europa, waarbij vooral de nadruk ligt op aspecten van de jacht, blijkt dat de Afrikaanse kunstenaars ook grote belangstelling hadden voor de mens en zijn dagelijkse activiteiten — soms tragisch, soms humoristisch. De Bosjesmannen deden aan jagen, vissen en dansen en bespeelden ook primitieve muziekinstrumenten. Zij hielden religieuze ceremonies en werden, zo te zien, ook dronken. Hoewel de kunstenaars een bijzonder goed waarnemingsoog voor de dierenwereld hadden, het insektenleven incluis, muntten zij uit in het weergeven van menselijke bezigheden. De jachtscènes zijn talrijk, aangezien de speurtocht naar voedsel toch het grootste deel van de werkdag van een man in beslag nam. De vrouwen worden meestal afgebeeld met graafstokken, waarmee zij naar voedsel zochten. Maar af en toe namen ze ook deel aan de dansen.

Soms behandelde de kunstenaar zijn onderwerp wat luchthartiger; men ziet bijvoorbeeld een verrukte jager die als blijk van overwinning zijn armen wijd uitspreidt en zijn dikke vrouw het resultaat van een dag werken brengt — drie dode reebokken. Een ander tafereel toont een succesvolle jager die op het punt staat in de zachte onderbuik van een dode eland het mes te zetten. Zijn tenen zijn opgekruld van gespannen verwachting en het water loopt hem uit zijn hongerige mond!

Soms zorgden tragedies voor „grote koppen” in de rotsverslagen. Een afbeelding van de Matopo’s in Rhodesië toont de ongelukkige afloop van een leeuwenjacht, met op de grond nog één arm van de overwonnen jager voor de poten van een angstaanjagende leeuwin. Een andere tekening beeldt de uitvoering van een moord af. Het hoofd van het slachtoffer wordt met een steen door zijn aanvaller ingeslagen, terwijl een tweede vijand pijlen op hem afschiet. Wij vragen ons nu af: Was de tekenaar een van de moordenaars, of was hij slechts een ’rots-verslaggever’ die weergaf wat er die dag was gebeurd? Een voortdurende vraag is ook hoeveel jaar er zijn verstreken sinds een bepaalde schildering werd gemaakt.

Dateringsproblemen

Een van de problemen die nauwkeurig dateren verhindert, is dat geen van de rotstekeningen met dateerbaar materiaal bedekt is geraakt. Bovendien zijn sommige tekeningen weer over andere heen getekend, en wanneer primitieve werktuigen herkenbaar zijn, dan zijn dat werktuigen die duizenden jaren in gebruik zijn geweest. De oudste datum die Dr. E. Denninger heeft toegekend aan een tekening van de Ndedema-vindplaats is 200 jaar vóór of na 1150 van de gewone tijdrekening, of ongeveer 350 jaar voordat de Portugese zeevaarder Vasco da Gama rond de Kaap voer. Latere schilderingen, met afbeeldingen van schepen, paarden en wagens, kunnen historisch gedateerd worden met de aankomst van de blanke kolonisten in de 17e en 18e eeuw.

Maar tegen die tijd was er volgens de mening van velen een teruggang ingetreden in stijl en techniek. In zijn boek The Artists of the Rocks schrijft de Zuidafrikaanse schilder Walter Battiss over de techniek van verkorting en perspectief: „Uccello was tijdens de Renaissance in Italië alleen maar opnieuw aan het ontdekken en uitvinden wat zij [de Bosjesmannen] reeds lang bezaten.” Battiss uit het vermoeden dat de technische ontwikkeling van de vroegste Bosjesmantekenaars de bevroren stijl van de Egyptische dynastieën vele jaren vooruit was. „De rotsgraveerders en -schilders waren al in Afrika aan het werk voordat de piramides werden gebouwd”, aldus zijn woorden.

Was er een vroegere verbindingsschakel?

Of er vroeger een verbinding heeft bestaan tussen de primitieve kunst van Egypte, de rotskunst van Europa en de rotsschilderingen van zuidelijk Afrika blijft een andere onbeantwoorde vraag. Uit bepaalde Bosjesmantekeningen schijnt men echter te kunnen opmaken dat er contacten bestonden met Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Een tekening die men heeft gevonden in de ’Makgaberge’ in Noordwest-Transvaal biedt problemen met betrekking tot zowel de plaats als de tijd. Het lijkt een hofscène af te beelden met vijf figuurtjes, zo te zien van het blanke ras, in lange witte gewaden en met diademen en tulbanden op hun hoofd. Zij bieden geschenken als schatting aan, aan een personage van onduidelijke vorm, voor wie ze eerbiedig buigen. De hoogwaardigheidsbekleders lijken in alle opzichten op Perzen, en omdat het mohammedaanse geloof de afbeelding van de menselijke gedaante verbiedt, geeft deze tekening waarschijnlijk een tafereel weer uit vóór-mohammedaanse tijden. Aangezien de vindplaats zich 480 kilometer van de dichtstbijzijnde kust (van de Indische Oceaan) bevindt, rijst de vraag: Wanneer zagen inheemse Bosjesmannen deze gedistingeerde hofgebeurtenis met mensen van een andere cultuur uit een ver land?

Professor Raymond Dart, die in een voorwoord op Harald Pager’s boek Ndedema een soortgelijke tekening in de buurt bespreekt, meent in een ander diadeemdragend personage gelijkenis te ontdekken met Zeus, de mythische god van de donder. De legende wil dat Zeus in de vorm van een witte stier de jonge maagd Europa op zijn rug nodigde en toen met haar naar het eiland Kreta zwom. Verrassend is dan dat er ook in een Afrikaanse legende sprake is van een jonge vrouw die op de rug van de regenstier klom en door deze werd meegevoerd.

Een raadsel vormen ook de afbeeldingen van draken en regengoden, waarin een gelijkenis valt te bespeuren met de vroegste Babylonische voorstelling van de drakengodin Tiamat. Dezelfde voorstellingswijze treft men aan in China. Deze vertoont een opmerkelijke overeenkomst met de Afrikaanse rotstekeningen van een gehoornde, rookblazende, vliegende draak, die zij in verband brengen met de donder.

Technieken en gebruikte materialen

Behalve de tijd van vervaardiging, plaatst ook de duurzaamheid van de tekeningen de onderzoekers voor raadsels. De kunstenaars deden geen speciale moeite om hun tekeningen buiten het bereik van hun stamgenoten of de invloed van de elementen te houden. Toch zijn de tekeningen in de meeste gevallen nog bijzonder levendig van kleur en scherp en duidelijk van lijn.

De kleuren werden verkregen met niet-plantaardige pigmenten, houtskool (van verbrande beenderen), ijzeroxyde, krijt en kalk, alsook rode en gele oker. Deze werden vermengd met vet, dierenbloed of vogeleieren, en ook met planten die melksap of hars leverden. De schilders maakten kwasten van veren, beenderen, stokken of haar. De verf werd bewaard in holle beenderen of kleine hoorns, en bij bepaalde archeologische vindplaatsen zijn paletten van leisteen aan het licht gebracht.

De laatste Bosjesmanschilders

Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw kon de Engelse onderzoeker G. W. Stow nog melden dat hij twee Bosjesmanschilders had gezien, met kleine hoornen verfpotten aan hun gordel. Een zeer oude Zoeloe herinnerde zich nog dat in zijn jeugd, in ongeveer 1888, Bosjesmannen in rotsholen woonden, en dat zij in die tijd nog steeds hun schilderingen maakten.

Maar de kleine Bosjesmannen die vele eeuwen door Afrika gezworven hadden, zo vrij als de vogels die zij schilderden, wisten zich in de snel veranderende Afrikaanse omgeving niet zo succesvol te handhaven als hun schilderingen. Gedurende de afgelopen eeuwen werden zij met het opdringen van zwarte rassen in zuidelijk Afrika, zoals de Zoeloes, en de vestiging van Hollandse en Britse kolonisten, steeds verder de heuvels in gedreven. Helaas namen zij de koeien en schapen van de immigranten met zich mee. Maar ze streden een verloren strijd, want nadat zij de kudden binnen de bescherming van de bergen hadden gedreven, werden ze opgespoord en door de nieuwe bewoners — zowel zwart als blank — uitgemoord. Momenteel zijn er nog enkele duizenden Bosjesmannen, die hun eenvoudige nomadische levenswijze voortzetten in de woestijnen van Zuid-West-Afrika en Botswana; maar hun schildertijd is voorbij.

Het verdwijnende bericht van de rotsen

Wind, regen, rook van de vuren van kampeerders en herders, en regelrecht vandalisme doen het aantal tekeningen snel slinken. De eerste kolonisten zouden de geschilderde dieren hebben gebruikt als oefendoel voor het schieten met geweer en revolver. Honderden afbeeldingen zijn in de afgelopen eeuw ook uitgehakt en naar museums in Europa gezonden. Soms hebben welmenende enthousiastelingen tekeningen overgekalkt, omtrekken bijgetekend of schilderingen afgewassen om „betere” foto’s te kunnen maken.

Dit alles heeft tot actie geleid — broodnodige actie — van de zijde van kunstliefhebbers en archeologen, die, gesteund door beslissingen van het parlement en regeringsverklaringen, ertoe zijn overgegaan de laatste Bosjesmanschilderingen te beschermen. Deze meesterwerken van primitieve maar talentvolle kunstenaars vormen echter nog steeds een boeiend en waardevol bericht uit de Afrikaanse geschiedenis en tevens een uitdaging voor allen die een oplossing trachten te vinden voor Afrika’s intrigerende raadsel van de rotsen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen