De uitdaging drie Franse jongens groot te brengen
Zoals verteld door Paul Petit
MET mijn vrouw Andrée woonde ik in de welvarende industriestad Tourcoing in Noord-Frankrijk, dicht bij de Belgische grens. Ik was accountant en zat gewoonlijk tot diep in de nacht te studeren met het doel vooruit te komen in de wereld.
Wij waren de trotse ouder van drie zoons, Jacques die in 1946 was geboren, Paul in 1948 en Pierre in 1950. Met onze opvoeding wilden we hen klaarmaken voor een succesvol leven, wat dan volgens de algemene opvatting zou inhouden dat ze een heleboel geld zouden moeten kunnen verdienen. Maar toen gingen wij iets leren dat onze kijk volledig wijzigde.
Het leven krijgt werkelijk betekenis
Ik had altijd geloofd dat er een God is en was een praktizerend katholiek. Toch was God niet zo bijzonder reëel voor mij; ik voelde geen persoonlijke verhouding tot hem, noch was ik van mening dat hij een voornemen had waarin wij hier op aarde waren opgenomen. Maar toen begonnen mijn vrouw en ik de bijbel te bestuderen, en wat wij leerden, veranderde onze levensopvatting volkomen.
Wij waren vooral onder de indruk van de bijbelse leer dat God niet de heerser van dit samenstel is (2 Kor. 4:4; Joh. 12:31). Jezus en zijn discipelen hadden zelfs gesproken over het „einde van de wereld”, en dat betekende, zoals ons duidelijk begon te worden, niet het einde van onze planeet de Aarde en van de sterrenhemel, maar het einde van dit corrupte, wereldomvattende politieke, commerciële en religieuze samenstel (Matth. 13:40, 49; 24:3, 14; 1 Joh. 2:15-17). Wij vernamen ook over Gods voornemen een rechtvaardig nieuw samenstel te vormen en wij gingen volledig vertrouwen in wat de bijbel hierover onderwijst: „Er zijn nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die wij overeenkomstig zijn belofte verwachten, en daarin zal rechtvaardigheid wonen.” — 2 Petr. 3:13.
Wat moeten wij nu doen? Deze kennis vormde een uitdaging. Als wij werkelijk geloofden wat wij over „het einde van de wereld” en de invoering van een nieuw samenstel onder Gods koninkrijk leerden, zouden wij daar iets me moeten doen, nietwaar?
In september 1950 droeg ik mijn leven op aan het dienen van Jehovah, de God van de bijbel, en symboliseerde ik dit door de waterdoop. Twee jaar later deed Andrée hetzelfde. Ik hield op met de cursussen die zoveel van mijn tijd opslokten, en wij legden ons erop toe anderen te helpen waardering te ontwikkelen voor de wonderbaarlijke dingen die wij hadden geleerd. In de loop van de jaren maakte onze instelling om bij al onze beslissingen en handelingen Gods wil in aanmerking te nemen, een blijvende indruk op onze jongens.
Vroege opleiding
Drie kleine jongens opvoeden is nooit gemakkelijk. Maar wat het vooral tot een uitdaging maakte, is dat ik in 1953 werd aangesteld tot „gemeentedienaar”, zoals de presiderende opziener van een christelijke gemeente toen door Jehovah’s Getuigen werd genoemd. Het opzicht over gemeentelijke activiteiten vergde veel van mijn tijd en energie, zodat Andrée een belangrijk deel van de vroege opleiding van de jongens op zich moest nemen. Het was moeilijk ze onder de duim te houden. Soms was het nodig ze onder de vergadering naar buiten te nemen voor het toedienen van enig streng onderricht. — Spr. 23:13, 14.
Vanaf de tijd dat ze nog klein waren, hield Andrée ook een persoonlijke bijbelstudie met de jongens. Die dag van de week betekende een feestdag voor hen. Na de studie was er iets lekkers en genoten ze van een wandeling door het park. Tot slot liepen ze dan met z’n vieren naar mijn kantoor en stonden op mij te wachten wanneer ik naar buiten kwam. Toen de jongens ouder werden, leidde ik een studie met het hele gezin.
Mijn vrouw en ik namen de jongens ook al heel vroeg met ons mee in het getuigeniswerk van huis tot huis. ’s Zondagsochtends gingen zij vaak met een vijfenzeventig jaar oude Getuige mee. Wat waren die bejaarde man en mijn jongens gelukkig als zij samen in het getuigeniswerk konden uittrekken! Zij werden trouwe vrienden en weerlegden daarmee de theorie dat alleen personen van dezelfde leeftijdsgroep bij elkaar passen.
Wij prentten de jongens een gevoel voor regelmaat in zodat het gewoon niet in hen zou opkomen een vergadering over te slaan of een keer geen aandeel aan de predikingsactiviteit te hebben, behalve wanneer omstandigheden dat onvermijdelijk zouden maken. Ik ben ervan overtuigd dat die vroege jaren van opleiding het resultaat hebben teweeggebracht dat de bijbel in Spreuken 22:6 vermeldt: „Leid een knaap op overeenkomstig de weg voor hem; ook als hij oud wordt, zal hij er niet van afwijken.”
Een belangrijke beslissing in ons leven
In 1958 werden christelijke gezinnen van Jehovah’s Getuigen warm aangemoedigd om naar gebieden te verhuizen waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groter was. In Noord-Frankrijk waar wij woonden, waren de gemeenten geestelijk sterk en hadden ze de steun van vele bekwame Getuigen. Maar andere delen van het land riepen om hulp, wat deed denken aan de situatie in het oude Macedonië. — Hand. 16:9.
Ons geweten begon ons te kwellen. Wat hield ons ervan terug aan deze oproep gehoor te geven? Het feit dat onze zoons alle drie nog jong waren? hun school? onze gezellige flat? de familie? werelds werk? de gemeente? Elk van deze punten leverde genoeg uitvluchten op, maar ze konden geen van alle de toets van een grondig onderzoek doorstaan. Na te hebben gebeden om goddelijke hulp en leiding, besloten wij dus ten slotte in te gaan op de uitnodiging Jehovah elders te dienen.
Verhuizen was een hele onderneming. Dat werd ons wel duidelijk toen wij, om de mogelijkheden te onderzoeken, een reis maakten naar een gebied in het zuiden van Frankrijk waar de behoefte aan christelijke predikers groter was. Wij ontdekten dat huisvesting duur was en moeilijk te vinden, en dat werelds werk schaars was en slecht betaalde. Gelukkig lieten wij ons niet door deze moeilijkheden ontmoedigen. Binnen een paar maanden vond een plaatselijke familie een kleine woning voor ons waar wij tijdelijk konden verblijven. Wij vertrouwden erop dat Jehovah onze andere problemen zou oplossen.
Ten slotte verhuisden wij in 1959 uit Tourcoing naar Mornas, een plaats niet ver van Orange in het zuidoosten van Frankrijk. Ons aan de nieuwe situatie aanpassen was in het begin moeilijk maar geleidelijk aan ging alles steeds beter. De plaatselijke reizende opziener van Jehovah’s Getuigen vroeg ons spoedig een kleine gemeente te helpen in Avignon, ongeveer 40 kilometer verder. Wij namen de uitnodiging graag aan.
Welke invloed had dit alles op onze drie jongens? Ze waren jong en ze waren zich niet bewust van de moeilijkheden. Zij verheugden zich over de veranderingen, het reizen en de tijdelijke onderbreking van hun school. Voor hen was het één groot avontuur!
Verdere opleiding
Wij beseften dat de dagelijkse aanwezigheid van hun vader voor onze jongens belangrijk was om hen te helpen tot evenwichtige volwassenen op te groeien. Daarom maakten wij er een gewoonte van iedere dag onze drie maaltijden gezamenlijk te nuttigen. Hoewel ik meer dan 25 kilometer van huis werkte, kwam ik tussen de middag thuis om te eten. Ik was van mening dat de kosten meer dan voldoende werden gecompenseerd door de voordelen van een gezamenlijke maaltijd.
Wat hebben we een problemen aan tafel kunnen oplossen! Iedereen voelde zich vrij om zich te uiten. Moeder vertelde mij alles over de kinderen, de positieve en de negatieve dingen. Etenstijd was de aangewezen periode om zaken recht te zetten (2 Tim. 3:16, 17). Is het niet waar dat een mens onder het genot van een goed maal minder strijdlustig is en meer begrip kan opbrengen? Die regelmatige contacten, driemaal per dag, waren erg heilzaam en droegen heel veel bij tot het succes van de opleiding van de kinderen.
Een ander nuttig facet van de opvoeding van onze zoons was de tijd die Andrée eraan besteedde om met hen over hun gebreken en teleurstellingen te redeneren. Natuurlijk had elk zijn goede eigenschappen en tekortkomingen. Eén van onze zoons was bijvoorbeeld erg lichtgeraakt en kon plotseling in woede ontsteken. Op een dag werd hij helemaal rood in zijn gezicht toen hij weer zo boos werd. Toen haalde hij uit en sloeg zijn elleboog dwars door een ruit heen!
Die dag was een mondelinge berisping niet genoeg. De „roede van streng onderricht” werd letterlijk toegepast, in overeenstemming met de geïnspireerde raad: „Dwaasheid is aan het hart van een knaap gebonden; de roede van streng onderricht is wat ze ver van hem zal verwijderen” (Spr. 22:15). Hij heeft daarna geen ruiten meer ingeslagen!
Ja, drie zoons, drie verschillende persoonlijkheden, elk vragend om speciale, individuele aandacht. Wij geven toe dat wij ons wel eens ontmoedigd hebben gevoeld omdat wij dezelfde dingen steeds weer opnieuw tegen hen moesten zeggen. Maar wij dachten aan de woorden van Paulus tot de christenen in Filippi: „U dezelfde dingen te schrijven, valt mij niet zwaar, maar het dient u tot veiligheid.” — Fil. 3:1.
Andrée en ik geloven dat nog iets anders heeft bijgedragen tot het succes van de opvoeding van onze zoons. Wij moedigden hen aan de andere kinderen in de gemeente te leren kennen. Wij lieten hen gezonde ontspanning hebben, maar terzelfder tijd probeerden wij wel toezicht uit te oefenen zodat die ontspanning niet ten koste ging van hun geestelijke gezindheid.
Schoolopleiding
Wat moesten wij doen in verband met hun schoolopleiding? Scholen hebben een sterke en niet altijd gunstige invloed op de kinderen, vooral als het op zedelijk gedrag aankomt. Dus zochten wij een oplossing en vonden die ook.
Aangezien destijds de leerplicht in Frankrijk slechts tot de leeftijd van veertien jaar gold, besloten Andrée en ik de jongens met die leeftijd van school te nemen. Toen troffen wij er regelingen voor dat zij verdere scholing ontvingen door middel van erkende schriftelijke cursussen.
Welk vak moesten zij door middel van een schriftelijke cursus gaan studeren? Wij kozen boekhouden uit. Omdat ik zelf accountant van beroep was, kon ik hen met hun huiswerk helpen. Zij verwierven uiteindelijk diploma’s die hen in staat stelden later werelds werk te vinden. Zo brachten onze drie jongens hun tienerjaren onder onze leiding thuis door. Omdat wij hen op allerlei momenten om ons heen hadden, leerden wij hun persoonlijkheden beter kennen, en dit heeft ons goede diensten bewezen bij hun opvoeding.
Aangezien de lessen die onze zoons thuisgestuurd kregen, hun ook nog vrije tijd lieten, konden zij soms op tijdelijke basis volle-tijdpredikingswerk verrichten. In 1964 begon Jacques, onze oudste, te „pionieren”, door iedere maand honderd uur aan het openbare getuigeniswerk te besteden. In 1966 maakte ook Paul een begin met het volle-tijdpredikingswerk.
Verkering en huwelijk
Zo slaagden wij erin onze zoons succesvol door de levensperiode van hun kinderjaren en puberteit naar volwassenheid te loodsen. Eén laatste fase moest nog komen en intuïtief konden wij de ontwikkelingen scherp waarnemen. Wij zagen dat zij belangstelling voor de andere sekse begonnen te krijgen.
Ik weet niet of in alle gezinnen met volwassen, huwbare zoons hetzelfde gebeurt, maar in mijn gezin was het zo dat toen eenmaal één het „virus” te pakken had, het zich op de een of andere manier ook tot de anderen uitbreidde. Snel na elkaar begonnen onze zoons omgang te zoeken met personen van het andere geslacht. Er werden hun beperkingen opgelegd en er werd ook verklaard waarom. Hoe gelukkig waren wij met de tijdige raad die in De Wachttoren en Ontwaakt! werd verschaft over afspraakjes en verkering.
Uiteindelijk huwden de drie jongens christelijke meisjes „in de Heer” (1 Kor. 7:39). Twee van hen hebben nu zelf kinderen. Alle drie zijn ouderlingen in de christelijke gemeente en één van hen is een reizende opziener die gemeenten van Jehovah’s Getuigen in het zuiden van Frankrijk bezoekt.
Nog maar met ons beiden — Wat nu?
In 1974 was ons huishouden weer teruggebracht tot twee personen, Andrée en mij, met negenentwintig gelukkige huwelijksjaren achter ons. Nadat onze jongste zoon was getrouwd en het huis had verlaten, vond ik op een dag een grammofoonplaat onder onze voordeur geschoven. Het was een geschenk van een vriend. Hij had dat speciale Franse liedje gekozen omdat de woorden luiden: „Onze jongste zoon is pas getrouwd. Onze kinderen zijn nu zonder ons gelukkig. Als wij nu eens wat aan onszelf dachten?”
In feite hadden wij reeds lang voordat wij die plaat kregen, zitten nadenken over onze toekomst wanneer de jongens het huis uit zouden zijn. Onze geheime wens was, wanneer de omstandigheden het toelieten, al onze tijd aan het predikingswerk te wijden. Maar wij waren nu beiden dik over de vijftig. En we hadden geen pensioenuitkering of eigen financiële middelen. Vele vragen bestormden onze geest en aan verontschuldigingen geen gebrek.
Maar na beschouwing onder gebed werd in oktober 1974, één maand na het huwelijk van onze jongste zoon, onze aanvraag voor de „pioniersdienst” aanvaard. Wij werden aangesteld als speciale pioniers. Later had ik het voorrecht, vergezeld van mijn vrouw, als vervangend kringopziener te dienen. Tegenwoordig worden mijn activiteiten beperkt door een zeer pijnlijke ziekte, polyarthritis genaamd. Maar met de toegewijde hulp van Andrée doe ik nog steeds mijn uiterste best om Jehovah te dienen.
Terugkijkend op de jaren zijn mijn vrouw en ik ons ervan bewust hoeveel werk, en soms droefheid, zorgen en problemen het met zich heeft gebracht om drie jongens groot te brengen (Ef. 6:4). Maar Jehovah heeft ons, getrouw aan zijn belofte, nooit in de steek gelaten, noch materieel, noch geestelijk (Hebr. 13:5). Alle moeite is ruimschoots gecompenseerd door de vreugde onze zoons te zien wandelen op de weg die naar het leven voert. Nu, met Gods beloofde nieuwe samenstel zo dichtbij, zien wij met vertrouwen ernaar uit eeuwig leven te beërven samen met onze kinderen en christelijke broeders en zusters over de gehele wereld. — Jes. 66:22.