Wat gebeurt er wanneer de elektriciteit uitvalt
DIE 13e juli 1977 was het in New York een bijzonder warme en vochtige dag. Om ongeveer half tien ’s avonds werd in een Koninkrijkszaal, in het zuidoostelijke deel van het stadsdistrict Brooklyn, het slotlied gezongen. Plotseling gingen de lichten uit en deed de air-conditioning het niet meer. De noodverlichting sprong aan.
„Een elektriciteitsstoring” zei de ouderling die op dat ogenblik de vergadering leidde. „Het is een warme avond en er staan veel air-conditioningssystemen en ventilatoren aan. Er is niets om ons bezorgd over te maken. De noodverlichting zal voldoende licht verschaffen om jullie tas te kunnen pakken en de zaal te kunnen verlaten.”
Aangezien ze in een betrekkelijk rustig deel van Brooklyn woonden, waren de aanwezigen niet bepaald door het gebeurde van hun stuk gebracht. Nadat de vergadering met gebed was besloten, bleven ze nog een tijdje met elkaar praten. Daarna besloten enkelen om buiten een onderzoek in te stellen. Ze waren verbaasd te zien dat ook de omliggende wijken in duisternis waren gedompeld. De meesten dachten echter nog steeds dat het om een plaatselijke storing ging.
Er werd voor gezorgd dat alle aanwezigen vervoer naar huis hadden. Eén groep, bestaande uit twee echtparen en een jongeman, moest met de auto 11 kilometer door Brooklyn rijden. Na nog een ander lid van de gemeente te hebben meegenomen, een vrouw die vlakbij woonde, waren ze spoedig onderweg. Er waren niet al te veel auto’s op straat en de afwezigheid van verkeerslichten gaf dan ook weinig problemen. Na de vrouw bij haar huis te hebben afgezet, reden ze verder over een drukke toegangsweg tot een nabijgelegen snelweg. Op de kruispunten kwam het verkeer al lelijk klem te zitten en op verder rijden scheen weinig hoop meer te bestaan. Enkele jongemannen riskeerden het echter om uit hun auto te stappen en begonnen het verkeer met hun zaklantaarns te regelen. Dank zij hun prijzenswaardige inspanningen konden velen zonder verdere problemen de snelweg bereiken.
Het was voor de groep van vijf stellig een opluchting weer op weg naar huis te zijn. Omdat ze de grote stroomstoring in 1965 in New York niet hadden meegemaakt, begonnen de vrouwen erover te spreken hoe opwindend het wel was nu eens een echte storing mee te maken. De jongeman bracht hen echter weer tot de werkelijkheid door op te merken: „Een stroomstoring is bijzonder gevaarlijk. Denk maar eens aan al de mensen die in liften en in de ondergrondsen opgesloten zitten. Ik vraag me ook af hoe het met de anderen gaat die vanavond vergadering hadden. Ik hoop werkelijk dat ze geen moeilijkheden ondervinden”. Naarmate ze verder reden, werd het duidelijk dat de hele stad in duisternis was gehuld. Slechts hier en daar zag men de lichten van gebouwencomplexen met een eigen elektriciteitsvoorziening.
Plunderaars en de politie
Maar wat was er in de duisternis gaande? Te oordelen naar hetgeen er op 9 november 1965 had plaatsgevonden, toen New York met een uitgebreide stroomstoring te kampen had, zou iemand licht hebben kunnen denken dat men voor ongeregeldheden niet erg bang hoefde te zijn. Op die dag in 1965 waren er zelfs minder arrestaties dan normaal.
Woensdag 13 juli 1977 was het echter anders. Het was een warme nacht en veel mensen waren op straat, vooral in de vervallen gedeelten van de stad. Wat zouden dezen en anderen onder de dekmantel van de duisternis doen — de gelegenheid aangrijpen om anderen te helpen, of om zichzelf aan dingen te helpen die hun niet toebehoorden?
Het antwoord kwam bijna ineens. Een politieman was zijn gewone ronde aan het doen toen de politieradio plotseling waarschuwde dat er een stroomstoring verwacht werd. En nauwelijks was het zover — nog geen minuut later — of hij hoorde over de politieradio de eerste berichten over plundering binnenkomen.
Die nacht stonden de politiemensen machteloos tegenover de grote aantallen plunderaars en konden zij weinig meer doen dan de menigten verspreiden en een gedeelte van het gestolen goed weer terugbrengen. Zij liepen gevaar door flessen, stenen, straatkeien en verdwaalde kogels getroffen te worden. Gelukkig vond geen enkele politieman de dood, hoewel honderden wel gewond raakten.
De plunderwoede hield bij het aanbreken van de dag niet op. En terwijl de agenten winkels bewaakten waarin was ingebroken, verkochten de plunderaars doodgemoedereerd de voorwerpen die ze ’s nachts hadden gestolen.
Een ooggetuige van de plunderingen in Manhattan vertelt wat hij vanuit een raam op de elfde verdieping zag: „De straten waren vol mannen, vrouwen en kinderen. Het leek wel of er een autorace of een honkbalwedstrijd was geweest. Overal werd er in winkels ingebroken. Een man met een auto had een hele groep jongeren om hem heen die hem hielpen met het inladen van gestolen goederen. Anderen stapelden het gestolene op langs de rand van de stoep. Steeds wanneer er een politieauto kwam, verspreidde de menigte zich. En het enige wat de politie doen kon, was de gestolen voorwerpen op de stoep in beslag nemen.”
Vanuit andere wijken kwamen vrijwel dezelfde berichten. Met behulp van kettingen, breekijzers, bruut geweld en de trekkracht van auto’s en vrachtwagens, trokken de plunderaars beschermhekken voor winkelpuien weg. Vaak werden etalageruiten ingegooid met afvalbakken van de straat. Daarna stormde men de winkels binnen — in veel gevallen zonder zich daar, vreemd genoeg, erg voor te schamen. Een vrouw uit de Bronx gaf als commentaar: „We hebben ons niet als beesten gedragen. Om de beurt klom iedereen door de gebroken ruiten, en er was niemand die duwde of probeerde voor te dringen.” Soms werd er onder de plunderaars echter wel om gestolen goederen gevochten. Talrijke winkels gingen na de plundering in vlammen op.
Naar schatting 2000 winkels zijn die nacht geplunderd, met als eerste raming van de totale verliezen een bedrag van meer dan één miljard dollar. Uit een autoshowroom in de Bronx werden vijftig auto’s met een totaalwaarde van ongeveer 625.000 gulden gestolen. Minder dan een dag na het einde van de stroomstoring werden er dertig van teruggevonden — allemaal zo beschadigd dat ze niet meer te repareren waren. Wat de plunderaars niet mee hadden kunnen nemen, was in de regel volledig door hen vernield. Als gevolg van hun plunderingen, kwamen bepaalde gedeelten van de reeds vervallen wijken er als verwoest oorlogsterrein bij te liggen.
De politie arresteerde iets minder dan 3000 mensen wegens plunderen. Een steekproef uit 300 overtreders onthulde dat 70 percent van hen al eens eerder gearresteerd was. Maar duizenden plunderaars wisten te ontkomen en pochten zonder schaamte op hetgeen ze „gepresteerd” hadden. Onder hen bevonden zich mensen met een goed betaalde betrekking. Vrijdags op zijn werk liet een man trots aan zijn collega een lange lijst zien met voorwerpen die hij gestolen had. Hij had zoveel gestolen dat hij er al over sprak een gedeelte weg te geven aan mensen die er behoefte aan hadden. Een goede samenvatting van de gedachtengang die bij veel plunderaars leefde, waren de woorden van een jongere tegen een winkeleigenares die naar haar verwoeste pand keek: „Dat was nu ons kerstfeest.”
Een drukke nacht voor de brandweer
Brandstichting en noodsituaties door de storing bezorgden de brandweerlieden een overmaat aan werk. Een van hen gaf het volgende verslag:
„Om middernacht ging ik naar mijn werk. Een man met emfyseem had onze generator nodig om zijn aspirator van stroom te voorzien. Na het volbrengen van die taak, werden we opgeroepen naar een wijk van Brownsville in Brooklyn. De straten waren zo vol met mensen dat het wel nieuwjaar leek. Ik dacht dat we geroepen waren om de menigte te verspreiden. Maar dat was niet het geval. Een winkel stond in brand. Ik had drie flessen lucht nodig om het gebouw in en uit te gaan.
Tegen de tijd dat we dat vuur onder controle hadden, stonden twee nabijgelegen percelen van vijf verdiepingen hoog in vlam. Na die brand te hebben helpen blussen, gingen we weer op weg naar de kazerne. We hadden echter nog maar een kwart van de afstand afgelegd toen we werden opgeroepen om te assisteren bij het blussen van een aangewakkerde brand. Vijf brandspuiten waren reeds ter plaatse en wij waren de zesde. Ondertussen was het zes uur in de ochtend.
Twee uur later kregen we een oproep om opnieuw hulp te bieden aan de emfyseemlijder. We sloten zijn aspirator aan op onze generator. Daarna werd de man naar een ziekenhuis overgebracht.
Opnieuw gingen we op weg naar Brownsville. De brandweerwagens waren in teams georganiseerd en stonden allemaal buiten op straat opgesteld om onmiddellijk weg te kunnen rijden. Er was een enkel vals alarm.
Wij moesten nog een brand blussen in een geplunderde winkel aan Broadway, in Brooklyn. Het was nodig om een gat in de vloer te maken ten einde in de kelder te kunnen komen. Na anderhalf uur lang het vuur bestreden te hebben, gingen we terug naar de kazerne en wachtten op de volgende oproep. Die liet niet lang op zich wachten. Toen we aankwamen, lag de straat vol dozen uit een brandend warenhuis, die door mensen nat gehouden werden.
Om ongeveer 1 uur ’s middags stonden we voor een ander geplunderd warenhuis. Deze brand was zo hevig dat na vijftien minuten de muren instortten en het gebouw tot de grond toe afbrandde. Door de intense hitte van het vuur, vatten vier lege gebouwen aan de overkant van de straat ook vlam, net als de belendende percelen. Op die plek maakten we eenentwintig uur brandbestrijding vol.”
Gejaagde activiteit in de ziekenhuizen
De ziekenhuizen in de omgeving van zwaar geplunderde wijken waren constant bezig te zorgen voor mensen met steek- en kogelwonden en verwondingen door gebroken glas. Eén ziekenhuis in Brooklyn, waarvan de noodgenerator ophield met werken, verrichtte chirurgische noodhulp buiten op straat. Twee generators van de brandweer verzorgden de elektriciteit voor felle operatielampen, bij het licht waarvan de wonden behandeld werden van een ogenschijnlijk eindeloze rij slachtoffers, hoofdzakelijk tieners en twens. In een ander ziekenhuis waar de noodvoorziening uitviel, bedienden de doktoren, en verpleegsters met de hand blaasbalgen totdat de elektrische beademingsapparatuur weer functioneerde. Maar over het geheel genomen, konden de ziekenhuizen van de stad dank zij hun noodvoorzieningen goed blijven functioneren.
Hoe was het in de ondergrondsen en liften?
In vergelijking met de plundering en brandstichting, waren de problemen in verband met gestrande ondergrondsen gering. Hoewel er 175 à 200 treinen ten tijde van de stroomstoring in bedrijf waren, kwamen er slechts zeven stuks urenlang tussen twee stations stil te staan. De eer voor dit geringe aantal gestrande treinen gaat naar een ervaren man in het controlecentrum, die al voor de storing moeilijkheden met de elektriciteitsvoorziening waarnam en alle treinen bevel gaf zich naar het dichtstbijzijnde station te begeven.
Onder de gestrande passagiers bevond zich een zwangere vrouw, die in de stilstaande ondergrondse weeën kreeg. Zij werd het eerst door de politie uit de trein geholpen, en daarna alle andere passagiers. Er kwamen geen meldingen van ongevallen binnen en evenmin werd er in verband met het ontruimen van deze en andere ondergrondse treinen paniek gemeld.
Sommige passagiers die op hun ondergrondse trein wachtten, waren zich er zelfs niet eens van bewust dat er een stroomstoring was. Een jongeman vertelde hierover: „Op het moment van het uitvallen van de stroom, ging onmiddellijk de noodverlichting aan, zodat ik van dat dramatische moment nauwelijks iets merkte. Na dertig minuten op een trein gewacht te hebben, drong het ten slotte tot me door dat er iets mis was en ik ging naar de uitgang. Hoe dichter ik naar boven bij de straat kwam, hoe meer er kreten en ander geschreeuw tot me doordrong. Ik zag politiemensen, signaallichten en mensen die elkaar bijschenen met hun zaklantaarns. ’De bliksem heeft een centrale getroffen’, schreeuwde een zware man met heel kort haar en een T-shirt naar een van de vele nieuwsgierige voorbijgangers.”
Het aantal mensen dat in een lift bleef steken, was verbazend laag. Vaak was hun redding binnen een uur voltooid. Natuurlijk zaten er ook mensen op bepaalde verdiepingen ’in de val’. Toen het licht uitviel dineerden ongeveer 500 personen in het restaurant van het Wereldhandelscentrum, op de 106e verdieping. Zij zetten hun maaltijd voort bij kaarslicht en konden met een dienstlift, werkend op een noodgenerator, de begane grond bereiken. De vijfendertig mensen op de uitzichtverdieping van het Empire State Building verging het minder goed. Na — met de complimenten van de directie — een ontbijt te hebben ontvangen, nam de helft van hen de trap van de 85e verdieping en bereikte ten slotte de begane grond. De overblijvenden moesten tot donderdagmiddag wachten voor ze met de lift naar beneden konden.
Andere profiteurs grijpen hun kans
Plunderaars waren niet de enige profiteurs van dit falen der techniek. Toen de restaurants in duisternis werden gedompeld, waren er talrijke gasten die zich zonder te betalen haastig uit de voeten maakten. En vele personen in winkels ontpopten zich in het duister als winkeldieven, die alles bijeengraaiden wat ze maar te pakken konden krijgen. Er waren ook mensen die uitzinnige prijzen voor gewone produkten vroegen. In een deel van het district Queens werd voor blikjes koud bier en frisdrank de fabuleuze prijs van 8 gulden gevraagd.
Lichtpunten in de duisternis
Lang niet alle mensen gaven echter toe aan de druk om op zelfzuchtige wijze van de duisternis profijt te trekken. Een winkelierster in het gebied van Brooklyn Heights bleef haar kaarsen tegen dezelfde prijs verkopen als voor het moment dat de elektriciteit uitviel, ook al werd haar aangeraden van deze omstandigheid profijt te trekken en ze tegen een fikse prijs van de hand te doen. Ze waren ƒ 1,25 voor de storing en ze bleven ƒ 1,25.
Toen een vrouw vernam dat vijf jonge mannen vanuit de Bronx naar dezelfde wijk in Brooklyn moesten als zij, bood ze aan voor allen de taxi te betalen. Dit stelde hen in staat veilig thuis te komen.
Sommige personen gaven zelfs toe dat de storing hun „betere ik” naar boven had gebracht. Drie zwarte en vier Spaanse mannen werkten gezamenlijk aan het openen van de deur van een lift die tussen twee verdiepingen was blijven steken. Een van hen hoorde men zeggen: „Nu zijn we allemaal vrienden, maar als we deze mensen uit de lift hebben, beginnen we weer te vloeken en te vechten.”
Toen een 45 meter hoog reuzenrad op een kermis door de storing stil kwam te staan, boden zestien voorbijgangers hun hulp aan en trokken het reuzenrad met hun handen naar beneden, zodat de inzittenden van de gondels uit konden stappen.
Politiebureaus werden overstroomd door mannen en vrouwen die zich aanboden om te helpen het verkeer te regelen, aan veiligheidspatrouilles deel te nemen en voetgangers die de weg kwijt waren, bij te staan. Andere Newyorkers verschaften escorte-diensten.
In bepaalde gevallen bracht de stroomstoring die in enkele gedeelten van de stad wel vijfentwintig uur duurde, personen dichter tot elkaar. Mensen gingen de straat op en spraken daar met buren met wie ze al jaren geen woord hadden gewisseld. Een echtpaar dat over drie maanden zou scheiden, kwam naar New York voor een „echtscheidings-party” en strandde tijdens de storing op de 37e verdieping van een hotel. Uiteindelijk kwam het ervan dat ze weer tegen elkaar begonnen te praten. Het gevolg? Zij besloten hun huwelijk nog een kans te geven.
Wat zou u hebben gedaan?
Ja, noodsituaties kunnen aan het licht brengen wat in het hart van mensen leeft. Het tijdschrift Times van 25 juli 1977 meldde in dit verband: „Gedragsdeskundigen geloven in het algemeen dat, gegeven een zelfde combinatie van duisternis, zinderende hitte en sluimerende haatgevoelens bij een achtergestelde minderheidsgroep, vrijwel hetzelfde plundergeweld in nagenoeg elke andere stad in de V.S. zou kunnen losbarsten.” En op grond van de recente geschiedenis is dit ook met betrekking tot vele steden in andere landen te zeggen. Het is dan ook passend ons af te vragen: Wat zou ik hebben gedaan? Zou ik me bekommerd hebben om het belang van andere mensen en hen geholpen hebben? Of zou ik slechts gedacht hebben aan mijn eigen welzijn en dat van een paar goede kennissen, en daarna misschien weer naar huis zijn gesneld, zonder na te gaan wat ik in deze noodsituatie voor hulp aan anderen zou kunnen bieden? Of nog erger: Zou ik mezelf verrijkt hebben met de bezittingen van anderen, zonder te denken aan de schade die ik winkeleigenaars en mijn buren zou toebrengen, die dan beroofd zouden zijn van winkels in de buurt en voor hun dagelijkse benodigdheden veel verder weg met het openbaar vervoer de stad in zouden moeten?
Feitelijk is er echter geen crisis nodig om te onthullen wat u en uw buren in een soortgelijke situatie gedaan zouden hebben. Wat iemand van dag tot dag doet, geeft al te kennen of hij eerlijk en oprecht is of niet. „Wie getrouw is in het geringste”, zegt de bijbel, „is ook getrouw in veel” (Luk. 16:10). Streeft u ernaar getrouw te zijn in geringe aangelegenheden, zodat uw aanwezigheid in momenten van crisis een zegen en geen vloek voor anderen zal zijn?