Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 8/12 blz. 10-13
  • De piano — Een veelzijdig en klankrijk instrument

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De piano — Een veelzijdig en klankrijk instrument
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De piano komt op zichzelf te staan
  • Hoe de piano muziek voortbrengt
  • Een wereld van muziek onder handbereik
    Ontwaakt! 2004
  • De verzorging van dat prachtige instrument — uw piano
    Ontwaakt! 1979
  • Ziet u het verschil?
    Ontwaakt! 2002
  • Muziekles voor uw tweejarige peuter?
    Ontwaakt! 1980
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 8/12 blz. 10-13

De piano — Een veelzijdig en klankrijk instrument

WAT is uw favoriete muziekinstrument? Het zou niet vreemd zijn wanneer u zou antwoorden: de piano. Het is een instrument dat over de gehele wereld door vele miljoenen mensen bespeeld wordt. En geen wonder want de piano bezit tal van eigenschappen die haar zowel voor de amateur als voor de geoefende beroepsmusicus tot een ideaal middel van muzikale expressie maken.

De piano heeft een ongeëvenaarde toonomvang, 88 tonen, meer dan alle standaardinstrumenten; haar tonen reiken hoger dan een piccolo en lager dan een contrabas. En dank zij de wijze waarop dit muziekinstrument is geconstrueerd, kan een pianist tegelijkertijd melodie en begeleiding ten gehore brengen; vierentwintig tonen tegelijk weerklinken er soms bij het spelen van een pianoduet. De piano leent zich ook voor een grote verscheidenheid van muzikale stijlen, voelt zich in bijna elk gezelschap van muziekinstrumenten thuis en stelt de beginner reeds snel in staat eenvoudige stukjes te spelen die aangenaam in het gehoor liggen. Ongetwijfeld behoort u dan ook tot de miljoenen die graag naar pianomuziek luisteren of misschien zelf, meer of minder vaak, de toetsen beroeren.

Hebt u zich tijdens het genieten echter ooit afgevraagd wat zich allemaal binnen in die grote houten kast afspeelt — wat die sprankelende klanken voortbrengt? Of, mocht u dat al eens onderzocht hebben, hoe dit instrument tot bestaan is gekomen?

Muziekhistorisch gesproken is de piano een nog erg jong instrument. Want hoewel berichten over toetsenbordinstrumenten teruggaan tot het midden van de veertiende eeuw, moeten we tot 1700 wachten voor we kunnen spreken over het ontstaan van een echte piano. Het instrument is een uitvinding van Bartolomeo Cristofori, een Florentijnse maker van klavecimbels. Het klavecimbel was in die tijd uitgegroeid tot het populairste toetsenbordinstrument, maar had het nadeel dat men er slechts muziek met vrijwel één toonsterkte op kon spelen, aangezien het mechanisme de snaren alleen aantokkelde. Men poogde wel een grotere variatie aan te brengen door het toevoegen van extra reeksen snaren, maar de speler kon toch nog steeds weinig schakering in klankvolume aanbrengen, of hij de toetsen nu hard of zacht aansloeg. Cristofori’s uitvinding bestond echter uit een instrument met kleine hamertjes, die de snaren aansloegen in plaats van ze aan te tokkelen. Deze vinding stelde de speler in staat de sterkte van elke toon te variëren naar gelang de kracht waarmee hij op de desbetreffende toets sloeg. Hij kon bepaalde tonen accentueren en had de beschikking over een geluidsvolume dat varieerde van piano (zacht) tot forte (luid). Het nieuwe instrument kreeg dan ook de naam gravicembalo col piano e forte („klavecimbel met zachte en luide klank”), hetgeen later werd vereenvoudigd tot „pianoforte” en nog later tot „piano”.

Hoewel de piano in de loop van de daaropvolgende jaren vele veranderingen onderging, bezat het instrument van Cristofori reeds alle essentiële onderdelen van de moderne piano: snaren, hamers, toetsen, dempers (kleine blokjes bekleed met vilt, die de trilling van de snaren dempen zodra de toets wordt losgelaten) en een echappement, een inrichting waardoor de hamer weer onmiddellijk van de snaar wegvalt ook al is de toets nog ingedrukt. In Italië vond de piano van Cristofori echter niet zo’n enthousiast onthaal, zodat hij maar weer overging op de bouw van klavecimbels en de ontwikkeling van zijn nieuwe instrument aan anderen overliet.

Die anderen waren vooral Duitse bouwers — in Duitsland zelf, maar ook in Oostenrijk, Engeland en Amerika — die in de jaren nadien de belangrijkste bijdragen tot de ontwikkeling van de piano hebben geleverd. In het begin van de 18e eeuw raakte Gottfried Silbermann in Freiberg, in Oost-Duitsland, op de hoogte met Cristofori’s ontwerp en begon piano’s te bouwen, later gevolgd door zijn leerling Johann A. Stein, die in Augsburg, in Zuid-Duitsland, werkte.

Maar wilde de ontwikkeling van de piano zich kunnen voortzetten, dan was het nodig dat de musici van het instrument gingen houden en er muziek voor gingen schrijven. Johann Sebastian Bach, de grote Duitse componist, zou reeds op Silbermann-piano’s hebben gespeeld, maar het instrument schijnt hem niet veel gedaan te hebben. Anders was dat echter met twee van zijn zonen, Carl Phillipp Emanuel en Johann Christian, die beiden belangrijke bijdragen leverden tot de ontwikkeling van de piano, en er mede toe bijdroegen dat het instrument algemene erkenning verwierf. C. P. E. Bach schreef de eerste handleiding over vingerzetting voor piano — Versuch über die wahre Art das Klavier zu spielen — alsook 210 composities voor klavier. Aan zijn jongste broer, Johann Christian, wordt de uitvoering van het eerste pianoconcert, dat in 1777 te Londen plaatsvond, toegeschreven. De eerste componist die uitsluitend muziek voor piano schreef, was Muzio Clementi, die in 1773 drie sonates publiceerde.

De beroemdste pianocomponist echter van zijn tijd en ook degene die meer heeft gedaan voor de ontwikkeling van de pianomuziek dan enige andere componist in de achttiende eeuw, was de Oostenrijker Wolfgang Amadeus Mozart, die zijn eerste pianoconcert schreef toen hij elf jaar was en daar in zijn latere leven nog vele aan heeft toegevoegd. Hij gaf de voorkeur aan de piano’s van de Duitse en Weense bouwers, in het bijzonder aan die van J. A. Stein, welke tegen het eind van de achttiende eeuw hun hoogtepunt in ontwikkeling bereikten. Deze instrumenten bezaten een evenwichtige toonsterkte — noch de bassen noch de hoge tonen klonken ten opzichte van elkaar te luid — en ze produceerden een prachtige zangerige klank, zonder echter nog het volume te bezitten van de huidige piano’s. Velen menen dat de composities van Mozart nog altijd het beste klinken wanneer ze op dit type piano ten gehore worden gebracht.

De piano komt op zichzelf te staan

Ondertussen was in Engeland een andere school van pianobouwers ontstaan, met als belangrijkste vertegenwoordigster de Broadwood Company. Hun piano’s waren groter, bezaten strakker gespannen snaren en konden zodoende een groter volume voortbrengen. Dit soort piano’s wees de richting aan waarin de verdere pianobouw zich in de negentiende eeuw zou ontwikkelen. Naarmate de techniek van het spelen en de composities voor piano ingewikkelder werden, werden er steeds hogere eisen aan het instrument gesteld.

Ludwig van Beethoven, die voor het eerst in 1792 in Wenen op de leeftijd van tweeëntwintig jaar een pianoconcert gaf, bezat een geweldige technische vaardigheid en stond bovendien bekend om de expressieve kracht van zijn spel. Zijn muziek was echte pianomuziek. Veel van de muziek die vóór zijn tijd was verschenen, kon op de meeste klavierinstrumenten worden gespeeld en werd dan ook vaak aangeduid als muziek „voor klavecimbel en piano”. Maar over Beethovens muziek kon geen twijfel bestaan. Het was pianomuziek en eiste het beste van zowel speler als instrument — vaak meer dan de piano’s in die tijd konden opbrengen. Beethoven stond erom bekend dat hij de piano’s met zo’n kracht te lijf ging, dat tijdens de uitvoering vaak toetsen, hamertjes en snaren door de lucht vlogen.

Om aan de steeds veeleisender wensen van de spelers tegemoet te komen, fabriceerden de pianobouwers voortdurend grotere en zwaardere frames die de vereiste snarenspanning moesten opbrengen. De werkelijke oplossing voor dit probleem bleek echter te bestaan in een uit één stuk gegoten ijzeren raam. In 1825 paste de Amerikaanse bouwer, Alpheus Babcock, dit idee voor het eerst toe in de zogenaamde „tafelpiano’s” (piano’s die grote gelijkenis vertoonden met een klavecimbel), terwijl dit raam ook verscheen in de grote piano’s van Jonas Chickering van Boston. Later ontwierp de Newyorkse firma Steinway & Sons in 1855 een verbeterde versie van het ijzeren raam, dat nadien model heeft gestaan voor alle snaarramen welke tot in onze tijd in piano’s zijn ingebouwd. Aldus had de piano zich tegen het midden van de negentiende eeuw ontwikkeld tot het instrument dat we nu nog kennen, afgezien dan van de kleine verbeteringen die nog steeds worden aangebracht.

Hoe de piano muziek voortbrengt

Wanneer u nu het inwendige van een vleugel bekijkt, wat ziet u dan? Uw aandacht wordt eerst getrokken door het grote gegoten ijzeren raam dat goudbrons is geschilderd. Over dit raam zijn ongeveer 240 stalen snaren gespannen van uiteenlopende lengte en dikte; de kortste en dunste aan de rechterkant — de kant van de hoge tonen — en de langste en zwaarste — de bassnaren — aan de linkerkant. De bassnaren zijn met een extra draad omwonden om ze nog zwaarder te maken, zodat ze extra langzaam trillen. Aan de gebogen zijde van het raam ziet men de snaren bevestigd aan de „aanhangstiften”, en aan de speelzijde aan de stemschroeven, die door openingen in het raam steken en doorlopen tot in het gelaagde, hardhouten „stemblok”. Het stemblok bestaat uit hard esdoornhout of enige andere soort hardhout, waarin de stemschroeven stevig zitten vastgedraaid om te voorkomen dat ze losschieten. De snaren oefenen op het raam een trekkracht uit van bijna twintig ton.

Wil het instrument muziek kunnen voortbrengen, dan moeten de snaren tot trilling zijn te brengen. Dit geschiedt door middel van een uitgebalanceerd mechaniek dat bij het aanslaan van een toets een klein, met vilt bekleed hamertje tegen de snaren werpt. Dit hamertje maakt slechts gedurende een honderdste seconde contact met de snaren, waarna het terugvalt, klaar om opnieuw „toe te slaan”. Het mechaniek bestaat in totaal uit meer dan 8000 afzonderlijke onderdelen, waarbij elke toets in verbinding staat met een „demper”, die in normale stand tegen de snaar ligt maar omhoog gaat zodra de toets wordt ingedrukt. De snaar kan dan vrij blijven trillen, net zolang tot de toets en ook de demper weer terugvallen op hun plaats.

Alle dempers van een piano zijn ook tegelijkertijd op te heffen door middel van het forte-pedaal aan de rechterzijde. Bij het voortbrengen van de meeste tonen slaat het hamertje tegen drie gelijkgestemde snaren aan, uitgezonderd bij de lagere tonen, waar slechts twee snaren of één snaar voor de klank zorgen. Het linker- of una corda-pedaal zorgt er bij de vleugel voor dat het gehele mechaniek naar één kant verschuift, zodat de hamers minder snaren treffen en het geluid overeenkomstig zachter is.

Voor het produceren van hoorbaar geluid is de trilling van de snaren echter niet voldoende, want die veroorzaakt zulke geringe luchttrillingen dat ze nauwelijks waarneembaar zijn. Daarom bevat de piano nog een onderdeel, een vast bestanddeel trouwens van alle snaarinstrumenten, een „klank”- of „zangbodem”, welke bestaat uit een dunne laag dennehout die de gehele onderzijde van de vleugel (of de achterzijde van een rechtopstaande piano) beslaat. Om de trillingen van de snaren op de klankbodem over te brengen, lopen ze over een houten kam, die aan de bovenzijde van de klankbodem is gelijmd. De trillingen worden via deze kam overgebracht op de klankbodem, die daarna op zijn beurt in trilling geraakt. De prachtige klanknuances die u hoort, zijn dus te danken aan de versterkte trillingen die de klankbodem aan de lucht meedeelt.

De pianobouwers schenken echter niet alleen aandacht aan de bekoring van het gehoor, maar zorgen ook dat het oog niets tekort komt. Zij plaatsen het instrument in een sierlijke kast, welke nog als een tweede klankbodem dienst doet. Veel pianokasten zijn prachtig gefineerd met mahonie, walnoot of andere houtsoorten, hoewel de voorkeur van veel pianisten nog altijd uitgaat naar de eenvoudige elegantie van het traditionele zwarte ebbehouten fineer. Na voltooiing bevat een moderne piano meer dan 12.000 onderdelen — een wonder van techniek en ontwerp en het eindprodukt van meer dan 250 jaar ervaring — een instrument met een schat aan geluid. Geen wonder dat componisten gefascineerd zijn geraakt door de bijna eindeloze muzikale mogelijkheden die in dit instrument liggen besloten, en de pianisten nooit moe worden erop te spelen.

Wij kunnen dankbaar zijn dat de Schepper de mens begiftigd heeft met het kunstzinnige en technische vermogen muzikale klanken voort te brengen en te waarderen, en zeker ook dat hij de mens het vermogen en verstand gaf om instrumenten als de piano te ontwerpen en te bouwen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen