Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g77 8/12 blz. 5-9
  • Vrijheid van aanbidding triomfeert

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vrijheid van aanbidding triomfeert
  • Ontwaakt! 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De toedracht van de zaak
  • Vrijheid van aanbidding triomfeert
  • Belangrijke vragen waartoe de kwestie aanleiding geeft
  • Niet fanatiek, maar vastberaden
  • Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie
    Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie
  • Studievragen voor de brochure Jehovah’s Getuigen en de bloedkwestie
    Onze Koninkrijksdienst 1988
  • Wanneer doktoren trachten bloedtransfusies op te dringen
    Ontwaakt! 1974
  • Gebruik uw leven in overeenstemming met Gods wil
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
Ontwaakt! 1977
g77 8/12 blz. 5-9

Vrijheid van aanbidding triomfeert

Door Ontwaakt!-correspondent in Brazilië

HOE zou u zich voelen als u met medeaanbidders van God in een zaal was bijeengekomen en plotseling de politie binnenstormde met het bevel die plaats van aanbidding te sluiten? Dat is precies wat Jehovah’s Getuigen op zondag, 13 juni 1976, in Cachoeiras de Macacu en Japuíba in de Braziliaanse staat Rio de Janeiro, overkwam.

Waarom had zich zoiets voorgedaan? Omdat bepaalde Getuigen gebruik hadden gemaakt van hun bijbelse en wettelijke recht om een bloedtransfusie voor hun gewonde zoon te weigeren.

De toedracht van de zaak

Op vrijdag 11 juni verwondde de zeventienjarige César de Souza Corrêa zichzelf per ongeluk met een jachtgeweer. Zijn ouders brachten hem naar het ziekenhuis van Cachoeiras de Macacu, waar hij om ongeveer 8 uur ’s morgens aankwam en medische verzorging kon ontvangen.

De dienstdoende arts en verpleegsters ontdekten dat de jonge César aan een inwendige bloeding met ernstig bloedverlies leed. Césars vader, Octávio Luiz Corrêa, smeekte een chirurg, die een persoonlijke vriend van hem was en wiens hulp hij had ingeroepen, om alles te doen wat hij kon om zijn zoon te redden. Op grond van zijn geweten maakte de vader echter bezwaar tegen het gebruik van bloedtransfusie als een middel om het leven van de jongen te verlengen. Nochtans deed Octávio niets waardoor hij de juiste medische verzorging belemmerde. Ook drong hij niet de operatiezaal binnen. Droevig genoeg stierf César echter tijdens de operatie ondanks het feit dat men hem in weerwil van zijn vaders bezwaren een bloedtransfusie toediende.

Zoals gewoonlijk bij dit soort zaken gebeurt, werd de publieke opinie opgezweept en kon men allerlei beschuldigingen van onwetendheid, fanatisme en dergelijke horen. Mogelijkerwijs beïnvloed door de publieke opinie en door zijn eigen hoge achting voor menselijk leven dat naar hij vond met geringschatting was behandeld, deed de rechter Celso F. Panza op 13 juni 1976 een uitspraak (Vonnis Nr. 5/76) waarbij hij de sluiting van twee Koninkrijkszalen van Jehovah’s Getuigen verordende en hun prediking van Gods koninkrijk in het stadsgebied verbood.

Al gauw werd er in de openbare pers op gewezen dat deze handeling van het gerechtshof ongrondwettelijk was. Dr. Benjamin de Moraes, hoogleraar in het strafrecht aan de staatsuniversiteit van Rio de Janeiro, zei bijvoorbeeld in een verklaring tot het dagblad O Globo dat de rechter „vanuit het standpunt van de Grondwet te ver was gegaan”. Na Artikel 153 van de Braziliaanse Grondwet te hebben aangehaald, dat vrijheid van geweten waarborgt, verzekerde hij: „Het is volkomen zeker dat deze rechterlijke actie in hogere instantie herroepen zal worden.”

Dr. José H. Dutra, criminoloog en hoogleraar in het strafrecht, verklaarde: „Door zijn bevoegdheden te overschrijden, heeft rechter [Celso] Felício Panza . . . naar het schijnt de twee andere staatsmachten, de wetgevende en de uitvoerende macht, verdrongen, hetgeen in strijd is met de wijze waarop zijn werkterrein lang geleden door Montesquieu is afgebakend. . . . Klaarblijkelijk is de nu te volgen gedragslijn het verkrijgen van een gerechtelijk bevel om de toestand te herstellen aangezien Jehovah’s Getuigen duidelijk en volkomen in hun recht staan.”

Met nog andere advocaten gaf Dr. Themístocles Cavalcanti uiting aan zijn overtuiging dat de zaak, wanneer ze eenmaal aan een hoger hof was voorgelegd, ten gunste van Jehovah’s Getuigen beslist zou worden (O Globo, 15 en 21 juni 1976). En dit gebeurde dan ook, tot vreugde van allen die vrijheid en gerechtigheid liefhebben.

Vrijheid van aanbidding triomfeert

Jehovah’s Getuigen maakten gebruik van hun recht ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’ (Fil. 1:7). Door bemiddeling van een plaatselijke opziener, L. Lehky, dienden zij een verzoek tot een gerechtelijk bevel in (Nr. 188/76), dat door vier advocaten ondertekend was.

In een voortreffelijke samenvatting zei de advocaat Dr. Antônio Augusto de Vasconcelos Neto het volgende: „Het bevel [tot sluiting van de Koninkrijkszalen] viel buiten de autoriteit die de rechter verleend was, namelijk het behandelen van specifieke zaken in het belang van jeugdige personen. Ik ken geen enkele wet die een rechter machtigt een bevelschrift uit te vaardigen waarin de politie geboden wordt alle zalen te sluiten waar een religieuze sekte samenkomt, waarvan de activiteiten op juiste wijze door de bevoegde gezagsorganen zijn geautoriseerd. . . . Het bevelschrift om alle plaatsen te sluiten waar Jehovah’s Getuigen vergaderen, gaat in tegen het grondwettelijke beginsel van vrijheid van godsdienst en is in strijd met de beperkte rechtsbevoegdheid van de rechter.”

Vanwege de duidelijke verdediging van de vrijheid van aanbidding was ook Document Nr. 274/76 opmerkelijk. Het was namens het gerechtelijke departement van het Ministerie van Justitie door Dr. José Antonio Marques opgesteld en luidde:

„Om te beginnen, zoals het doorluchtige hoofd van het bureau van de minister in zijn verklaring aangeeft, is de Kerk die onwettig verklaard zou moeten worden, over de hele wereld en in heel Brazilië vertegenwoordigd.

Vervolgens dient men op te merken dat het sluiten van de kerken niet de uitroeiing van de eredienst betekent, of het einde van de godsdienstige regels die de Jehovah’s Getuigen in acht nemen. De christelijke religie werd zelfs beoefend in de Romeinse catacomben en hoe meer haar aanhangers werden vervolgd des te meer ze zich over de hele wereld verspreidden.

Vanuit het standpunt van de Grondwet bezien, is Document Nr. 5/76, uitgevaardigd door Dr. Celso Felício Panza, niet te handhaven aangezien het in strijd is met Artikel 153 §5 van de Federale Grondwet.”

De beslissende uitspraak werd gedaan op de middag van 26 oktober 1976. In het Paleis van Justitie in Rio de Janeiro gaf de sombere sfeer in de rechtszaal van de Eerste Burgerlijke Kamer van het Gerechtshof aanleiding tot ernstig gestemde bespiegelingen. Om ongeveer vier uur begon de zitting. Verscheidene vertegenwoordigers van Jehovah’s Getuigen waren aanwezig, waaronder twee advocaten, H. S. Silva en O. do N. Paula.

Toen de opperrechter vroeg of er een advocaat voor Jehovah’s Getuigen aanwezig was, vroeg O. do N. Paula het woord en voerde mondeling in het kort enkele punten aan, gebaseerd op de samenvatting van de verdediging. Op hun beurt namen de rechters van de Eerste Burgerlijke Kamer unaniem een beslissing ten gunste van het verzoek dat was ingediend en verklaarden dat de uitspraak van Dr. Panza van nul en gener waarde was, waarmee ze tegelijkertijd toestemming gaven voor de heropening van de Koninkrijkszalen en de prediking van de Koninkrijksboodschap in het stadsgebied van Cachoeiras de Macacu. Weer had vrijheid van aanbidding gezegevierd. — Zie de Diário Oficial van de staat Rio de Janeiro, 11 november 1976, deel III.

Belangrijke vragen waartoe de kwestie aanleiding geeft

Ten behoeve van oprechte personen die dergelijke voorvallen willen beredeneren, zetten wij hier in verband met deze zaak een aantal essentiële vragen onder elkaar.

V. Wat is het gezichtspunt van Jehovah’s Getuigen met betrekking tot leven?

A. „Jehovah, als de bron van het leven, heeft bepaald dat het menselijk leven kostbaar, heilig, is (Gen. 9:5; Ps. 36:9). . . . Wij die het leven liefhebben en die elke dag dat wij leven als heilig beschouwen, trachten onze dagelijkse aangelegenheden en omgang dusdanig te leiden dat dit de goedkeuring wegdraagt van Degene die de mensheid leven gegeven heeft.” — De Wachttoren, 15 november 1975, blz. 703, 704.

Voor Jehovah’s Getuigen is de dood geen zegen. Het is een „vijand” die spoedig door God verwijderd zal worden. — 1 Kor. 15:26, 54; Openb. 21:4.

V. Welke overwegingen brachten Octávio er als Getuige toe om de bloedtransfusie voor zijn zoon af te wijzen, vooral omdat het hier niet om zijn eigen leven ging maar om dat van een ander mens?

A. Iedere Getuige houdt innig van zijn kinderen. In dit geval hadden Octávio en zijn vrouw altijd goed voor hun acht kinderen en hun ene aangenomen dochter gezorgd. Toen daarom Octávio zijn beslissing nam, betrok hij bij zijn overwegingen: (1) zijn verantwoordelijkheid als ouder tegenover God, zoals die duidelijk omschreven staat in de Heilige Schrift en in de wetten van dit land; (2) de verlangens van zijn zoon als persoon.

Volgens de woorden van Dr. Jean Chazal, erevoorzitter van de Internationale Associatie van Kinderrechters, „moet een kind, gezien het een persoon is, altijd als een individu en niet als een object behandeld worden” (Les droits de l’enfant, aangehaald in Rights of Juveniles door A. Cavallieri, blz. 20). En dat geldt stellig in het onderhavige geval van een minderjarige die een Getuige was. Een rechter die een dergelijke hoge achting voor de persoon van een minderjarige heeft, zou hem nooit tegen zijn eigen wil en geweten een bloedtransfusie opdringen.

V. Waarom weigerde Octávio Corrêa de bloedtransfusie?

A. In de grond der zaak vanwege het bijbelse verbod op het gebruik van bloed voor voeding of om het leven te verlengen. De Portugese uitgave van de Larousse-Encyclopedie schrijft: „Bloed is levend weefsel dat in de bloedbaan stroomt en waarvan de belangrijkste functies zijn: 1) noodzakelijke voedingsstoffen en zuurstof naar alle weefsels in het lichaam te transporteren; 2) afvalstoffen die nutteloos of gevaarlijk zijn voor de activiteit van de cellen, op te nemen en naar de afscheidingsorganen te voeren (nieren, longen, huid, enz.)” (blz. 6079). Bloed voedt en reinigt het lichaam dus.

Jehovah God, die meer weet over bloed dan wie maar ook, verbood het eten van bloed. Zijn Woord, de bijbel, zegt: „Maar eet niet vlees met zijn leven erin, namelijk het bloed.” — Gen. 9:4, Pauselijk Bijbelinstituut, Rome, Braziliaanse Paulinas-uitgave.

De apostelen van Jezus Christus en de vroege christelijke ouderlingen gehoorzaamden dit goddelijke gebod. Onder de leiding van Gods heilige geest werd geëist dat christenen zich zouden „onthouden van vlees dat aan de afgoden is aangeboden, van bloed, van verstikt vlees en van onwettige verhoudingen”. — Handelingen der apostelen 15:20; 21:25, de Jeruzalem-bijbel, Braziliaanse uitgave.

V. Beperkte Octávio Corrêa, door een bloedtransfusie af te wijzen, de chirurg niet in zijn beroepsvrijheid om de beste behandeling voor zijn patiënt te kiezen?

A. De Code voor Medische Ethiek geeft in Artikel 48 aan dat het het recht van de arts is om de behandeling voor zijn patiënt te kiezen. Maar Artikel 31 wijst er ook op dat de arts de plicht heeft de patiënt op de hoogte te brengen van zijn diagnose en prognose, alsook van de bedoeling van de behandeling. Het ligt voor de hand dat dergelijke inlichtingen verschaft worden ten einde de toestemming van de patiënt te verkrijgen. Wie gaat ten slotte voor de behandeling betalen? Wie beslist in werkelijkheid over de persoon en zijn welzijn?

Artikel 32 §f van de Code voor Medische Ethiek legt een beperking op door te zeggen: „Het is de arts niet toegestaan zijn autoriteit zo aan te wenden dat hij de rechten van de patiënt om over zijn persoon of welzijn te beslissen, beknot.” Dit ethische beginsel wordt bekrachtigd door voorschriften in de wetboeken van burgerlijk recht en strafrecht, en er wordt door aangetoond dat de dokter zich zal hebben te verantwoorden voor welke schade maar ook die zijn patiënten is toegebracht.

Beschouw eens een arts die door een collega behandeld wordt, wellicht een specialist. Zou hij geen gebruik willen maken van zijn „rechten als patiënt” en beslissen of hij de voorgestelde behandeling wil aanvaarden of verwerpen?

Jehovah’s Getuigen beteugelen de beroepsmatige vrijheid van de arts niet wanneer zij hem vragen zijn eigen ethische code te eerbiedigen en de ernst van een zaak niet te overdrijven en ook niet een bloedtransfusie tot het onfeilbare geneesmiddel uit te roepen, wat het niet is. — Zie Artikel 32, §d en Artikel 5, §e.

V. Negeerde Octávio Corrêa de wetenschappelijke vooruitgang niet, of handelde hij niet in blinde onwetendheid, toen hij de bloedtransfusie voor zijn zoon weigerde?

A. Dr. Arthur D. Kelly voormalig secretaris van het Canadese Medische Genootschap, verklaarde: „Geen arts kan er absoluut zeker van zijn dat iemand zal sterven als hij geen transfusie krijgt of in leven zal blijven wanneer dat wel gebeurt. . . . Ik betreur allerlei pogingen een transfusie of enige soort van behandeling op te dringen. Men stelt zich daarmee in de plaats van God.” — Religion, Medicine and Law.

Geen welingelichte arts ontkent dat goede medische leerboeken zwaarwegende bezwaren tegen bloedtransfusies bevatten. Sommige ziekenhuizen houden zelfs besprekingen over de gevaren van transfusies. — Zie HED, het tijdschrift van het Ernesto Dornelles-ziekenhuis, maart 1972, blz. 87-108, en het medische tijdschrift Iamspe, oktober-december 1975, blz. 28.

Zijn de volgende verklaringen onwetenschappelijk?

Dr. Almeida Machado, de minister van gezondheid in Brazilië, verklaarde: „De patiënt moet een minimum aan veiligheid genieten wanneer hij een bloedtransfusie toegediend krijgt. . . . Hij behoort niet te worden blootgesteld aan een inspuiting van malaria, geelzucht, syphilis, ziekte van Chagas” (Veja, 31 maart 1976, blz. 54). En toen hij in het Huis van Afgevaardigden getuigenis aflegde voor de parlementaire onderzoekcommissie voor de consument, zei Dr. Machado dat „besmet bloed een nadeliger uitwerking heeft dan alle verboden medicijnen bij elkaar”. — O Estado de São Paulo, 26 nov. 1976.

Dr. Baruch Blumberg, in 1976 winnaar van de Nobelprijs voor geneeskunde, merkte op: „Vooral in Brazilië zou het verkopen van bloed verboden moeten worden, want niet alleen geelzucht maar ook vele andere ziekten kunnen door transfusies overgebracht worden, zoals de ziekte van Chagas en malaria.” — Jornal do Brasil, 20 sept. 1976, blz. 4.

V. Welke reële alternatieven hebben Jehovah’s Getuigen uit medisch oogpunt te bieden in plaats van een bloedtransfusie?

A. Jehovah’s Getuigen zijn de geleerden dankbaar die de zogenaamde plasma-vervangingsmiddelen hebben ontdekt, en zij zijn de doktoren erkentelijk die deze willen gebruiken, vooral om het bloedvolume te vergroten. Octávio Corrêa vertelde de chirurg dat hij het gebruik van plasma-aanvullende vloeistoffen toestond, zoals een zoutoplossing, Ringers lactaat, Haemaccel, dextran, PVP en andere.

Niet fanatiek, maar vastberaden

Deze korte beschouwing onderstreept het volgende: Jehovah’s Getuigen zijn geen fanatici, maar hun geloofsovertuigingen ten aanzien van het gebruik van bloed zijn vast geworteld in Gods onfeilbare Woord. Zij beschouwen het absoluut van het grootste belang hun christelijke geweten te volgen, dat geoefend is door Gods Woord, zelfs wanneer hun eigen leven op het spel staat. Bovendien waarderen zij de pogingen van artsen en geleerden om het leven te verlengen wanneer deze pogingen maar niet in strijd zijn met de schriftuurlijke verplichting van een christen ’zich te onthouden van bloed’. — Hand. 15:20, 29.

Niettemin staan Jehovah’s Getuigen vast in hun besluit om de Almachtige God en zijn Woord te gehoorzamen. Daarom zullen zij ermee voortgaan zich te onthouden van bloed. Ook zullen zij volharden in pogingen om vrijheid van aanbidding hoog te houden. Hiertoe volgen Jehovah’s Getuigen als ware christenen de raad van de bijbel om te bidden „betreffende koningen en allen die een hoge positie bekleden, opdat wij een kalm en rustig leven mogen blijven leiden met volledige godvruchtige toewijding en ernst”. — 1 Tim. 2:1-5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen