Hebt u Gods wonderen in de diepte gezien?
DE MENS kan met behulp van zijn hersenen wonderbaarlijke dingen tot stand brengen. Gewoonlijk zal hij echter ontdekken dat als hij al niet rechtstreeks van de natuur heeft gekopieerd, zijn uitvindingen en ontwerpen reeds eeuwenlang werkzaam of aanwezig waren in de plante- en dierenwereld om hem heen Bovendien zal hij er ook heel wat verschijnselen aantreffen die niet door hem te kopiëren zijn. In de uitgestrekte oceaandiepten vinden we een eindeloze verscheidenheid van zulke wonderen.
Neem maar eens, om een voorbeeld te noemen, het wonder van de koude lichtuitstraling. Allerlei soorten vissen bezitten lichtorganen waarmee ze een bijna volmaakte, 100 percent omzetting van energie in licht tot stand weten te brengen — zodat er bij de produktie van dit licht inderdaad geen overtollige warmte vrijkomt en er in tegenstelling tot menselijke lichtbronnen terecht gesproken kan worden van koud licht. Ook bepaalde insekten op het land bezitten dit vermogen, maar in de oceaan vindt men de grootste verscheidenheid in vormen en gebruik — voor bescherming, voor de voedselvangst en voor de paring.
Uitzonderlijke bouwers
De mens is een grote bouwer. Met behulp van computers, gedetailleerde blauwdrukken, explosieven, gigantische graafmachines, torenhoge kranen en allerlei vaklieden weet hij prachtige en grote bouwsels te construeren. Toch leven er in de oceaan bouwers waarvan de verrichtingen die van de mens in bepaalde opzichten verre overtreffen. Het is alsof de Schepper de mens duidelijk heeft willen inprenten dat elk bouwvermogen uiteindelijk van Hem afkomstig is, en dat welke vermogens de mens wat dit betreft ook heeft, ze van God afkomstig zijn. De mens heeft geen reden om op zijn eigen wijsheid te pochen. — Jer. 9:23, 24; 1 Kor. 4:7.
De meest in het oog lopende onderwaterbouwwerken zijn de prachtige koraalformaties. Vooral in de Grote Oceaan bevinden zich honderden koraaleilanden en atollen (eilanden die een ring vormen rond een binnenzee), waarvan de bouw en ontstaanswijze de mens pas betrekkelijk recent een beetje duidelijker is geworden.
Koralen zijn kleine diertjes, poliepen, waarvan de meeste een fractie van een centimeter groot zijn, hoewel er ook bij zijn met een diameter van 30 centimeter. Alle poliepen, groot of klein hebben een cilindervormig lichaam met aan één zijde een mondopening, en aan de andere zijde een aanhechtingsoppervlak waarmee ze zich op de zeebodem hechten. Omdat ze kalk uit het zeewater opnemen, kunnen ze een kalkstenen skelet vormen, dat overblijft wanneer ze sterven en waar andere poliepen zich weer op vast kunnen hechten. Ontelbare miljarden poliepen hebben zo hun kleine skeletjes bijeengevoegd tot er hele eilanden en onderwaterriffen zijn ontstaan. Het Groot Barrièrerif, ten noordoosten van de kust van Australië gelegen, is de grootste koraalformatie ter wereld — ongeveer 2000 kilometer lang. Zulke riffen zijn soms een gevaar voor de scheepvaart, maar vaak ook een bescherming doordat ze tussen het rif en het vasteland rustig vaarwater verschaffen.
Een onderwater-„koraaltuin” is een van de prachtigste aanblikken die de oceaan biedt. In briljante kleurschakeringen — rood, oranje, geel, purper, groen — worden koralen van allerlei vorm aangetroffen. Sommige lijken op boomtakken met sterren aan de uiteinden, andere op bladeren, varens of waaiers, paddestoelen, koepels of kleine pijporgels. Een koraaltuin is het woongebied van vele, vele dieren — zeeanemonen, kwallen en allerlei felgekleurde vissen die in en rond de prachtige koraalkastelen wonen.
Deze onderwaterkoraalriffen vormen misschien wel, als gezegd, „de meest ingewikkelde levensgemeenschappen in de hele natuur”. Zo verklaarde professor J. D. Isaacs, directeur van de afdeling zeelevenonderzoek van het Scripps Instituut voor de Oceanografie: „Op hun langzaam zinkende funderingen van oude vulkaanbergen hebben deze koraaldiertjes de grootste organische bouwsels opgericht die er bestaan. Zelfs het kleinste atol steekt in hoogte nog ver boven het grootste menselijke bouwwerk uit, en een grote atol komt in massa vrijwel overeen met het totaal van alle menselijke bouwwerken die er nu bestaan.” Sta daar eens een moment bij stil.
Vreemde maar succesvolle compagnonschappen
Onderlinge afhankelijkheid en samenwerking is het leidende beginsel van het leven in de oceaan. En soms zien we het op de meest onverwachte manieren in de praktijk gebracht. Zo bestaan er honderden „compagnonschappen” of samenwerkingsvormen tussen uiteenlopende zeewezens. Neem bijvoorbeeld de zeedieren die de functie van „dokter” of „reiniger” vervullen.
Hiertoe behoren de helder gekleurde poetsergarnalen en jeugdige engelvissen die parasieten van andere vissen afhalen. Deze „doktersvissen” wachten in hun „spreekkamer” — meestal een nis in een koraalrif — op hun „patiënten” die zich om de beurt melden.
De gele geitenvissen bewegen zich met een hele school tegelijk naar de standplaats van hun „dokter”, een jonge engelvis waarna ze geduldig in het zand hun beurt afwachten. Elke geitenvis wordt rood wanneer het zijn beurt is, en krijgt na de behandeling weer zijn normale witgele uiterlijk terug, waarop de volgende „patiënt” rood wordt.
Sommige vissen verzoeken om een behandeling door op hun kop of staart te gaan staan. Bepaalde poetsers kan het niets schelen wie of wat ze onder handen hebben — sommige garnalen zullen zelfs een mensenhand schoonmaken als hun die wordt voorgehouden. Andere poetsers zijn selectiever, en hebben zich op bepaalde „klanten” gespecialiseerd.
Van deze samenwerking, die in de natuur symbiose wordt genoemd, ontvangen beide partijen voordelen. De behandelde raakt zijn parasieten, bacteriën en zieke vlees kwijt, zodat wonden die hij wellicht heeft, kunnen genezen; en de poetser, op zijn beurt, ontvangt voedsel.
In de meeste gevallen worden de poetservissen door hun klanten met rust gelaten. Die zijn veel te „blij” met de behandeling die ze krijgen. De moeraal en sommige andere vissen laten de poetser zelfs in hun bek kruipen om hun tanden schoon te maken. Ook de zeeanemoon houdt zich rustig wanneer een poetsergarnaal over zijn giftige tentakels kruipt en daar zijn werk verricht, tot nut van de anemoon en automatisch — vanwege de bescherming en de voedselresten die de poetser ontvangt — ook tot diens eigen nut. De kleine clownbarbeel en de rifbaars zijn andere vissen die met de anemoon samenleven. Enkele kardinaalvissen wonen tussen de scherpe stekels van de zeeëgel, en het zogenaamde oorlogsschipvisje leeft — zijn naam zegt het al — rustig in de beschermende omgeving van de dodelijke tentakels van het Portugese oorlogsschip, een blaasvormige kwal, die alle andere vissen eerst met het vergif van zijn tentakels verlamt en dan naar zijn mond brengt.
Een komisch, maar wederzijds toch erg nuttig compagnonschap wordt aangegaan door de heremietkrab en de anemoon. Zo af en toe laat een heremietkrab toe dat een anemoon zich vastzet op zijn rug of schelp. De bewuste anemoon beschikt zodoende over automatisch transport naar plekken waar voedsel beschikbaar is, terwijl de krab door de giftige tentakels van de anemoon bescherming tegen vijanden ontvangt.
Zelfs de verscheurende haai heeft een compagnon, de remora of zuigvis, die is uitgerust met een grote zuignap aan de voorkant van zijn kop en zich bij wijze van „fooi” voor het reinigen van de haai, aan diens onderzijde mag vastzuigen om zo met de haai mee te reizen en van de overschietende brokstukken van diens diner te genieten.
Doeltreffende energie-benutters van de zee
Hoewel dus veel van de kleinere zeedieren hun voedsel zonder veel beweging weten te bemachtigen en sommige, zoals de poetservissen, hun voedsel zelfs gebracht krijgen, ligt dit voor de grote vissen in de open zee niet zo gemakkelijk. Of zo’n vis daar genoeg voedsel ontvangt, hangt voornamelijk van zijn snelheid af. Maar geen probleem, want veel van deze vissen zijn erg goede zwemmers. Hoe snel de snelste kunnen zwemmen, is echter nauwelijks met grote nauwkeurigheid vast te stellen, want vaak bewegen ze zich maar heel kort op volle snelheid, omdat voor de bemachtiging van een prooi een korte spurt meestal voldoende is. Over lange afstanden heeft men echter wel vissnelheden weten vast te stellen, hoewel ook op dat terrein exacte nauwkeurigheid natuurlijk erg moeilijk te verkrijgen is. De actieve tonijn, de enige vis met een lichaamstemperatuur hoger dan het omringende zeewater, zwemt constant omdat zijn lichaam zwaarder is dan zeewater. Daarbij schijnt hij tot onbepaalde tijd een snelheid van rond de 14 kilometer per uur te kunnen handhaven. Zeilvissen zouden 80 kilometer per uur kunnen halen en ook barracuda’s zijn erg snel. Vliegende vissen schijnen een snelheid van 56 kilometer per uur te bereiken alvorens uit het water te springen en een bepaalde afstand door de lucht te schieten. De tonijn, de dolfijn en de blauwe marlijn worden voor nog sneller gehouden. En ook de grote manta kan wanneer hij met zijn „vleugels” flapt voldoende snelheid verwerven om een behoorlijke afstand uit het water te schieten.
Zulke vissen zijn natuurlijk „bundels” van energie en spieren. Maar daarmee is hun snelheidsvermogen niet volledig verklaard. Het probleem is namelijk dat water ongeveer 800-maal dichter is dan lucht, en ook 50-maal zo „taai”, zodat het veel meer weerstand oproept. Bij schepen is de remming die vanwege de waterweerstand en de wervelingen in het water ontstaat, een belangrijke factor, die grote voortstuwingsmachines vereist om deze vaartuigen door het water te „ploegen”. Scheepsbouwers hebben getracht tot ontwerpen te komen die dit probleem overwinnen. Zij hebben vraagstukken onderzocht als: Hoe komt het dat snelle vissen als tonijnen een grotere snelheid kunnen bereiken dan waartoe ze volgens de berekeningen in staat zijn? Hoe komt het dat de tonijn en de haai zo glad en zonder wervelingen te veroorzaken door het water schieten?
Bepaalde antwoorden op dat probleem zijn bekend. Ten eerste zijn vissen bijzonder gestroomlijnd. En dat hebben onderzeebootontwerpers al nagebootst. Snelzwemmende vissen kunnen ook hun vinnen tegen hun romp vouwen. En hun schubben passen zich waarschijnlijk aan de waterdruk aan, zodat wervelingen worden tegengegaan. Maar het voornaamste geheim van hun snelheid, dat lange tijd een mysterie is gebleven, blijkt te liggen in de bouw van hun huid die bijzonder elastisch en buigzaam is. De taaie, leerachtige huid van de dolfijn ligt bijvoorbeeld als het ware op een kussen van olie, dat volkomen meegeeft met elke werveling die bij het zwemmen optreedt, en deze werveling aldus opheft. Bovendien is de huid van de meeste snelzwemmende zeevissen poreus van aard en bedekt met een slijmachtige, draderige laag die het water bijna stil houdt wanneer de vis in beweging is. Onderzoekers die deze beginselen ook in de scheepsbouw willen gaan toepassen, hebben proeven genomen met zich tot draden vertakkende substanties en ontdekt dat die de waterweerstand met wel 70 percent verminderen! De kosten van deze methode zijn echter nog een belemmering.
Nooit saai om de zee te onderzoeken
De Schepper heeft de oppervlakte van de aarde met een eindeloze variatie van levensvormen bevolkt, wonderen waarmee de mens zich tot in lengte van dagen kan bezighouden. Maar de oceaan doet wat dat betreft voor het land niet onder. De vreemdste schepselen treft men er aan, allemaal met een nuttige functie binnen het systeem van onderling afhankelijke levensvormen, ook al is in sommige gevallen die functie voor de mens nog lang niet duidelijk.
Zo leeft in zee bijvoorbeeld de slijmprik, een aalvormig schepsel met drie harten, waarvan er één niet met zijn zenuwstelsel is verbonden. Zijn bek is eenvoudig een rond gat; hij bezit slechts één neusgat en op zijn tong staan tanden. De slijmprik vertoeft op de bodem van de oceaan, meestal half begraven in de modder, en kan enorme hoeveelheden slijm afscheiden. Wanneer men een slijmprik van 25 à 40 centimeter in een kleine emmer met water doet en het dier schudt, is na een paar seconden de hele inhoud van de emmer er als één grote massa slijm uit te lichten. De buigzame slijmprik kan zichzelf ook in de knoop leggen. Met welk doel? Om zich tegen het lichaam van een stervende vis schrap te kunnen zetten en stukken vlees los te rukken; daarbij trekt hij zijn kop door de lus terug. Het slijm maakt de slijmprik ook tot een glibberig en moeilijk te vangen schepsel. Maar zelf heeft hij geen enkele last van zijn slijmerige jas; wanneer hij ervan af wil, trekt hij zich eenvoudig door een van zijn eigen knopen. Deze verwijdering van overtollig slijm is erg belangrijk, omdat anders zijn kieuwopeningen dicht zouden gaan zitten.
Een bekend, maar verder eveneens een heel ongewoon schepsel, is de zeepok — de ergernis van zeelieden, omdat hij de gewoonte heeft zich bijna onwrikbaar op de huid van scheepsrompen te hechten en daarmee voor veel weerstand en een hoog brandstofverbruik zorgt. Dit kleine schepsel vervaardigt een lijm zo sterk dat een laagje van slechts 0,0762 mm dikte een kleefkracht van meer dan 493 kilogram per vierkante centimeter heeft! Ja, deze kleefstof is een cement die hitte en kou kan weerstaan, waarop sterke zuren en logen niets uitrichten en waar evenmin organische oplosmiddelen of water vat op hebben. Het kan blijvende verbindingen tot stand brengen tussen praktisch alle combinaties van stoffen. En aangezien het in zout water ontstaat en hard wordt, zou het in het zoute milieu van het menselijk lichaam heel goed voor medische doeleinden gebruikt kunnen worden. Tandartsen zouden het een ideaal cement vinden om vullingen in tanden en kiezen mee vast te hechten. En het zou waarschijnlijk ook bijzonder nuttig blijken in de plastische chirurgie en bij het helen van gebroken beenderen. Bovendien zou zo’n duurzaam en hechtsterk lijmprodukt bijzonder welkom zijn in de industrie. Geleerden zijn dan ook koortsachtig aan het proberen achter de samenstelling van deze voortreffelijke lijmstof te komen en hem zelf te maken, maar tot dusver zonder succes.
De zeepok hecht zichzelf na het ei- en larvenstadium doorlopen te hebben, met behulp van zijn permanent klevende cement op een bepaald voorwerp vast. Zijn vulkaanvormige schelp bestaat uit vier schuifplaten, die zich bij de punt kunnen openen om de pluimachtige voetjes gelegenheid te geven naar buiten te waaieren en plankton naar binnen te vegen. Zeepokken hechten zich op rotsen, schelpen, walvissen, schepen en zelfs hard geworden klompen olie, en bepaalde zeepokken weer op andere zeepokken.
Veel zeepokken bezitten zowel mannelijke als vrouwelijke organen, maar de meeste soorten bevruchten zichzelf niet. En hoewel ze permanent verankerd zitten, biedt dit geen enkel probleem. Zij leven in een dichtbevolkte gemeenschap en hoeven om te paren alleen maar een geschikte buur uit te zoeken, waarna zij de afstand met behulp van een lange, intrekbare buis overbruggen.
Er is één zeepokkensoort die zich niet op scheepswanden vasthecht, maar rotsen onderwater uitzoekt. Deze zeepok is bij velen meer geliefd omdat hij tot ongeveer 1,4 kilo kan uitgroeien en een eetbare delicatesse vormt, die erg veel naar kreeft en krab smaakt.
Ja, wanneer wij dit alles overdenken, kunnen we slechts instemmen met de ware woorden van de psalmist, die zong:
„Zij die met schepen de zee opgaan,
Die handel drijven op uitgestrekte wateren,
Zíj hebben de werken van Jehovah gezien.
En zijn wonderwerken in de diepten.” — Ps. 107:23, 24.
En zij die de oceaanbodem onderzoeken, en in de diepten van de zee zelf afdalen, zien nog verbazingwekkender wonderen. Zij hebben vele dingen ontdekt die voor de mens op het droge land bijzonder nuttig zijn gebleken, en toch geven ze zelf toe dat ze nog maar net ’de oppervlakte hebben beroerd’ van alles wat er te weten valt. Er is nog veel meer te ontdekken, daar beneden in de diepten van de zee, waar een onuitputtelijke voorraadbron van informatie, voedsel, rijkdom, en oneindige schoonheid ligt te wachten voor degenen die er een genoegen in scheppen onder de oppervlakte van de oceaan af te dalen en de wonderen ervan te onderzoeken.
[Illustratie op blz. 17]
Vissen die verblijven tussen de dodelijke tentakels van het ’Portugese oorlogsschip’
[Illustratie op blz. 19]
De vis die zichzelf in de knoop kan leggen