Wat is de zienswijze van de bijbel?
Zal eeuwig leven saai zijn?
TOT het goede nieuws dat Jezus predikte toen hij op aarde was, behoorden ook de volgende woorden: „God heeft de wereld zozeer liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder die geloof oefent in hem, niet vernietigd zou worden, maar eeuwig leven zou heb ben.” — Joh. 3:16.
Waar zullen echter degenen die redding verwerven, eeuwig leven genieten? Uit de Schrift leren we dat een kleine groep eeuwig leven in de hemel zal ontvangen. Dit maakte Jezus duidelijk toen hij tot zijn volgelingen zei: „In het huis van mijn Vader zijn vele woningen. . . . Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En wanneer ik heen ga en een plaats voor u bereid, zo kom ik terug en zal u thuis bij mij ontvangen, opdat ook gij moogt zijn waar ik ben.” De eerste christenen hadden deze hoop; Paulus schreef dat hem „een niet met handen gemaakt, eeuwig huis in de hemelen” wachtte (Joh. 14:2, 3; 2 Kor. 5:1). Uit Openbaring 7:4-8 en 14:1, 3 blijkt dat het aantal dat deze bestemming heeft, beperkt is tot 144.000.
Dat er daarnaast voor velen van de mensheid een aardse bestemming openligt, blijkt duidelijk uit Jezus’ modelgebed, want daarin vertelt hij zijn volgelingen te bidden of Gods wil zowel op aarde als in de hemel mag geschieden (Matth. 6:10). Een aardse bestemming voor velen blijkt ook uit profetieën als Habakuk 2:14 en Openbaring 21:4: „Want de aarde zal vervuld worden van het kennen van Jehovah’s heerlijkheid, ja, zoals de wateren de zee bedekken.” „Hij [God] zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan.” Deze profetische belofte wordt vaak op het hemelse rijk toegepast, maar is dat juist? In het onmiddellijke verband waarin deze tekst staat, wordt verwezen naar een „nieuwe aarde” en verklaard dat ’de tent van God bij de mensen zal zijn en hij bij hen zal verblijven’, in vertegenwoordigende zin natuurlijk. — Openb. 21:1, 3.
Er zijn echter mensen die betuigen dat zij niet in eeuwig leven onder zulke omstandigheden geïnteresseerd zijn, noch in de hemel noch op aarde. Zij zeggen: „Ik zou niet voor eeuwig onder zulke omstandigheden willen leven. Het leven zou zonder oorlogen, geweld, catastrofes en dergelijke onhoudbaar saai en eentonig zijn. Ik hunker naar opwinding. Dat maakt het leven interessant.”
Zullen echter degenen die eeuwig leven in de hemel ontvangen, aan verveling gaan lijden? De hemel is geen plaats voor ledigheid. Jezus zei: „Mijn Vader is tot nu toe blijven werken, en ik blijf werken” (Joh. 5:17). Zowel hij als Jehovah God worden beschreven als gelukkig en kunnen dan ook niet aan verveling lijden; een van de redenen waarom zij gelukkig zijn, is omdat zij druk bezig zijn. En over de volgelingen van Jezus Christus die in de hemel zullen komen, lezen wij: „Gelukkig en heilig is een ieder die deel heeft aan de eerste opstanding; . . . zij zullen priesters van God en van de Christus zijn en zullen de duizend jaren met hem als koningen regeren.” Als het ’zaad van Abraham’ zullen zij er met Jezus Christus een aandeel aan hebben alle families der aarde te zegenen. — Openb. 20:6; Gen. 22:17, 18; Gal. 3:16, 29.
Maar zullen dan degenen die eeuwig leven op aarde beërven, het saai hebben? Zij die betuigen dat ze behoefte hebben aan de opwinding van oorlogen, ongelukken, geweld en catastrofes om hun leven interessant te maken, lijden stellig aan gebrek aan empathie. Zouden zij zelf de slachtoffers van zulke gebeurtenissen willen worden, opdat andere mensen zich niet zullen vervelen? Hoogstwaarschijnlijk niet! Zo’n geesteshouding verraadt dan ook een onnadenkende zelfzuchtigheid en een onvolwassen hart en geest.
De bijbel vertelt hoe Abraham 175 jaar leefde en toen stierf, „oud en voldaan”. Hij leed stellig niet aan verveling (Gen. 25:8). Weliswaar kan een hulpeloze oude dag saai en eentonig worden, maar dat is niet het vooruitzicht wat de bijbel ons voor ogen stelt wanneer er wordt gesproken over eeuwig leven. Een bekende christelijke bedienaar schilderde eens het volgende prachtige beeld van die tijd: „Zie voor uw geestesoog de glorie van de volmaakte aarde. Geen zondige vlek ontsiert meer de harmonie en vrede die heerst in een volmaakte maatschappij; geen bittere gedachte, geen onvriendelijke blik of onvriendelijk woord; liefde, opwellend uit ieders hart, ontmoet een vriendelijke reactie in het hart van ieder ander, en vriendelijke goedheid kenmerkt iedere daad. . . . Denk eens aan alle betrekkelijke gezondheid en schoonheid in mensengedaante die u tot nu toe ooit hebt gezien, en weet dan dat de volmaakte mensheid van een nog overtreffender bekoorlijkheid zal zijn. De innerlijke reinheid en geestelijke en morele volmaaktheid zal u van elk stralend gelaat tegemoetblikken. Zo zal de maatschappij op aarde zijn.”
Trouwens, zelfs onder de huidige onvolmaakte omstandigheden zijn er mensen die in de negentig worden en nog bij lange na geen last van verveling hebben. Zo stierf nog niet zo lang geleden een beroemde cellist in de ouderdom van zesennegentig jaar. Tot zijn dood leidde hij een vol en gelukkig bestaan en ongetwijfeld zou hij niets liever hebben gewild dan eeuwig te mogen leven en met zijn muzikale gave geluk onder de mensen te verspreiden.
Zo zal het ook in het nieuwe samenstel van dingen zijn, wanneer mensen de zegeningen zullen gaan genieten van het koninkrijk van God; zij zullen in vrede leven met hun Schepper en Weldoener, Jehovah God. Zij zullen Hem met geest en waarheid blijven aanbidden. Die aanbidding van hun God Jehovah zal een van de dingen zijn die hun leven rijk en gelukkig zullen maken. Bovendien zullen zij niet alleen in vrede met elkaar leven, maar ook zo vriendelijk ten opzichte van elkaar gezind zijn, dat ze elkaar voortdurend goed zullen doen.
Natuurlijk zal een gedeelte van hun tijd in beslag worden genomen met de zorg voor hun stoffelijke behoeften; zij zullen moeten werken om aan voldoende voedsel, kleding en onderdak voor zichzelf te komen. Zij zullen geregeld maaltijden moeten gebruiken; maar eten verveelt nooit, hoe vaak men het ook doet. Meer dan dat; er zal voldoende tijd zijn voor ontspanning en het bezoeken van vrienden, verwanten of bekende dienstknechten van Jehovah God als Noach en Abraham.
Ja, zoals we het nooit moe worden om te eten, zo zal de mensheid het dan ook nooit moe worden nieuwe dingen te leren en zich nieuwe vaardigheden eigen te maken. Er zal dagelijks tijd voor zulke dingen zijn. De mens zal ruimschoots in de gelegenheid zijn zowel zijn lichaam als geest te oefenen. Zonder nog commerciële en harde wedstrijdsporten zullen er ongetwijfeld gezondere manieren openstaan om overtollige energie kwijt te raken, met gemeenschapsspelen, trektochten en gezamenlijke zwempartijen. Liefhebbers van muziek zullen excellente vertolkingen weten te geven van grandioze muziek, die dan zal worden gecomponeerd voor de grote verscheidenheid van nieuwe muziekinstrumenten die volmaakte mensen ongetwijfeld nog zullen uitvinden.
Veel mensen zullen bovendien hun vrije tijd willen gebruiken om in de loop der eeuwen de rijk gevarieerde plantenwereld te leren kennen, waarvan op dit moment naar verluidt meer dan 350.000 soorten bekend zijn. Zij kunnen ook net zoveel jaren besteden als zij maar willen aan de bestudering van de vele, vele verschillende soorten zoogdieren, reptielen, vogels, vissen en insekten. Anderen zullen er wellicht de voorkeur aan geven hun talenten meer aan te wenden in de richting van bijvoorbeeld schilderen of beeldhouwen of bepaalde terreinen van de wetenschap. Ja, de mensheid zal voortdurend blijven leren, en steeds met nieuwe ideeën komen. Saai? Nooit! Tot in alle eeuwigheid niet.