Een oud patroon van onverdraagzaamheid vlamt weer op
DRIE jaar lang, van 1972 tot 1975, is Moçambique een toevluchtsoord voor meer dan 30.000 gevluchte getuigen van Jehovah uit Malawi geweest. Toen zij wegens gewelddadige vervolging uit hun moederland moesten vluchten, vonden deze Malawiaanse mannen, vrouwen en kinderen een beperkte rust en vrede in tien vluchtelingenkampen in Moçambique. Twee maanden geleden bleek uit recente berichten dat nog een aanzienlijk aantal van hen daar veilig vertoefde. Voor dit alles zijn Jehovah’s getuigen over de gehele wereld het Moçambicaanse volk zeer erkentelijk.
De hevigheid echter waarmee nu bepaalde elementen in Moçambique bezig zijn een aanval op Moçambicaanse getuigen van Jehovah te ondernemen, dreigt de veilige toevluchtshaven tot een smeltkroes van wrede vervolging te maken.
De Moçambicaanse radio’s en kranten hebben een stroom van propaganda tegen Jehovah’s getuigen uitgebraakt, door hen bijvoorbeeld af te schilderen als „agenten die door de Portugese kolonialisten zijn achtergelaten”, als „voormalige ’Pides’” [de Portugese geheime politie], die zich ten doel hebben gesteld „de Sociale Orde omver te werpen” (Noticias, 9 oktober 1975). Zij zijn ervan beschuldigd „vurig aan een religieus fanatisme vast te houden . . . ten einde geen belasting te hoeven betalen, geen respect voor de Sociale Orde te hoeven tonen en de mobilisatie en organisatie van het Volk tegen te gaan” en zodoende „anarchie” te scheppen, aldus A Tribuna van 22 oktober 1975.
Vergelijk deze beschuldiging eens met een ander bericht uit een geheel andere informatiebron, waarin wordt vermeld hoe op een bepaald moment in het verleden een hele stad in beroering werd gebracht door een groep mensen die zich voor de stadsfunctionarissen had verzameld, en schreeuwde: ’De mensen die de hele wereld in opschudding hebben gebracht, zijn nu ook hier gekomen en zij handelen allen in strijd met de wet.’
Bovenstaande woorden, die negentienhonderd jaar geleden werden geuit, betroffen de christelijke apostel Paulus en zijn metgezel Silas (Hand. 17:6, 7, New English Bible). Maar het waren klinkklare leugens.
Zulke uitspraken zijn ook thans volkomen onwaar wanneer ze ten aanzien van Jehovah’s getuigen worden geuit, mensen die in zo’n 200 landen op aarde bekendstaan als ordelievende christenen. De beschuldigingen die momenteel in Moçambique tegen hen worden ingebracht, zijn in principe gelijk aan de beschuldigingen tegen de vroege christenen in de eerste eeuw. En het is ook dezelfde soort van onverdraagzaamheid die thans lijden over deze ware christenen brengt.
Dit patroon van onverdraagzaamheid ontwikkelde zich in Moçambique niet onmiddellijk na de machtsovername in 1975. En dat toont wel overduidelijk aan hoe onjuist de beweringen zijn dat Jehovah’s getuigen op de een of andere manier de belangen van het Portugese kolonialisme zouden dienen. Niets ligt verder bezijden de waarheid dan dat. De feiten spreken voor zich.
De afgelopen veertig jaar zijn de Moçambicaanse getuigen van Jehovah gebukt gegaan onder de gesel van dictatoriale onverdraagzaamheid. Van de PIDE (de Portugese geheime politie) hebben zij veel wreedheid ondervonden. Zie wat de historische feiten onthullen:
Waar de geschiedenis van getuigt
Het was in 1925 dat enkele Moçambicaanse mannen die in de Zuidafrikaanse goudmijnen werkten, een paar publikaties van Jehovah’s getuigen ontvingen waarin bijbelse onderwijzingen stonden uiteengezet. Enkele van deze mannen begonnen na terugkeer in hun woonplaats Vila Luisa (ten noorden van Lourenço Marques, de hoofdstad van Moçambique) met hun buren te spreken over de dingen die zij hadden geleerd.
Het waren dus geboren en getogen Moçambicanen en geen buitenlandse zendelingen of Portugese agenten die in het land de boodschap van Gods koninkrijk brachten, zoals Jehovah’s getuigen dit over de gehele aarde doen.
Tijdens het regime van de Portugese dictator Antonio Salazar, kwamen in 1935 twee Getuigen uit Zuid-Afrika, Fred Ludick en David Norman, het land binnen om met de Moçambicaanse getuigen samen te werken. Wat gebeurde er? Al heel snel werden zij door de Portugese politie gearresteerd en het land uitgezet. Soortgelijke pogingen in 1938 en 1939 hadden hetzelfde resultaat: onmiddellijke verbanning.
Maar daarna gingen de Portugese autoriteiten verder. Zij begonnen Moçambicaanse lezers van het tijdschrift De Wachttoren te arresteren. Sommigen zaten wel twee jaar in hechtenis voordat hun zaak voorkwam. Anderen werden voor twaalf jaar naar de strafkolonie Sao Tomé verbannen! En weer anderen werden gevonnist tot tien jaar dwangarbeid in een van de werkkampen in het noordelijk deel van Moçambique.
Deze hevige tegenstand onder het dictatoriale regime van Salazar was een beproeving op de moed en volharding van Jehovah’s getuigen in Moçambique. Wanneer zij voor het bespreken van de bijbel bij elkaar kwamen, liepen zij altijd het risico gearresteerd te worden. Velen zijn er in de loop der jaren aangehouden, mishandeld, in gevangenissen opgesloten of naar strafeilanden gedeporteerd.
Pogingen om enige verlichting in hun lot te brengen, liepen op niets uit. In 1955 werd John Cooke, een van Jehovah’s getuigen uit Engeland, naar Moçambique gezonden om een verzoek tot officiële erkenning van het werk van Jehovah’s getuigen in te dienen. Uiteindelijk werd hij voor een inspecteur van de geheime politie (de PIDE) geleid en aan een langdurige ondervraging onderworpen. Hij werd ervan beschuldigd een communist te zijn en geheime vergaderingen te organiseren. En hoewel de functionaris er door het vraaggesprek met Cooke van overtuigd kon worden dat Jehovah’s getuigen geen communisten zijn, zei hij toch tegen Cooke: „Jullie zijn gekant tegen de katholieke Kerk en de katholieke Kerk is onze kerk. Zij heeft ons geholpen het Portugese imperium op te bouwen!” Cooke kreeg achtenveertig uur om het land te verlaten.
In het Moçambicaanse dagblad Noticias van 9 oktober 1975 stond de vraag vermeld die de Frelimo-leider en president van Moçambique, Samora Machel, te Massingir gesteld had: „Waar waren de Getuigen van Jehovah toen wij door de Portugese kolonialisten geslagen en gebonden werden?” Waar zij waren? Heel veel getuigen van Jehovah kunnen daarop antwoorden: In de gevangenis, opgesloten door die zelfde Portugese autoriteiten!
Neem Francisco Zunguza bijvoorbeeld. Hij werd in 1956 voor zes maanden in een gevangenis in Lourenço Marques opgesloten; in 1964 voor drie maanden; in 1965 voor één jaar; terwijl hij in 1969 voor meer dan twee jaar in de Machava-gevangenis kwam te zitten. Zijn vrouw en tien andere getuigen van Jehovah werden indertijd eveneens gearresteerd. En dat alles enkel en alleen omdat zij Jehovah’s getuigen waren, maar niet wegens openlijke of verborgen vijandelijke activiteiten tegen de Portugese regering.
Vanaf 1969 ging de Portugese geheime politie (PIDE) tot een intensievere actie tegen Jehovah’s getuigen over. Telkens en telkens opnieuw werden zij voorgeleid en ondervraagd, met als voornaamste beschuldiging . . . dat zij weigerden mee te strijden tegen het Frelimo, de revolutionaire partij die toen actief was geworden en die nu de regering van Moçambique vormt.
Jehovah’s getuigen maakten duidelijk dat zij neutraal stonden tegenover alle politiek en oorlogvoering van de natiën. En dit standpunt was volledig in harmonie met de woorden van Jezus Christus tot de Romeinse bestuurder Pontius Pilatus: „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld. Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaars hebben gestreden, opdat ik niet . . . overgeleverd zou worden.” — Joh. 18:36.
In datzelfde jaar (1969) werden de ouderlingen van de gemeenten van Jehovah’s getuigen in zuidelijk Moçambique op de diverse politiebureaus ontboden, alwaar ze te horen kregen dat de activiteiten en vergaderingen van Jehovah’s getuigen verboden waren verklaard. Desondanks wisten deze christenen door te gaan en te handelen in overeenstemming met het standpunt dat Christus’ apostelen innamen toen de autoriteiten in Jeruzalem hen ertoe trachtten te bewegen zich naar het verbod te schikken dat op hun werk was gelegd. De apostelen stonden voor de keus waaraan zij wilden gehoorzamen: het verbod van de joodse autoriteiten of het gebod van God. Ofschoon zij ordelievende burgers waren, die de wet gehoorzaamden, verklaarden zij vrijmoedig dat zij bij dergelijke strijdige bevelen „God als regeerder meer [moesten] gehoorzamen dan mensen”. — Hand. 5:29.
In 1969 was dus de klacht dat Jehovah’s getuigen niet meevochten tegen het Frelimo. Maar in 1973 arresteerde de geheime politie (PIDE) een aantal Getuigen, ditmaal op beschuldiging van het feit dat zij aanhangers van het Frelimo zouden zijn! Op grond van een dergelijke beschuldiging werd op 5 maart 1974 een Getuige, vader van drie kinderen, in een kleine cel in de Machava-gevangenis opgesloten. Twee maanden lang werd hij in eenzame opsluiting gehouden, met niets anders dan de vloer om op te slapen. Zijn geval is slechts een van de vele voorbeelden van onrechtvaardige behandeling tijdens de laatste jaren van het Portugese bewind in Moçambique.
Na verdwijning van het kolonialisme — Grotere vrijheid of de blijvende duisternis van onverdraagzaamheid?
Toen voltrok zich op 25 april 1974, bijna van de ene op de andere dag, een dramatische verandering in de politieke situatie in Portugal en zijn overzeese gebiedsdelen. Een staatsgreep in Lissabon maakte een einde aan achtenveertig jaar dictatoriaal bewind en joeg een schok door het Portugese imperium.
De vooruitzichten op grotere vrijheid zowel in Portugal als in zijn overzeese gebiedsdelen leken groot. De mensen in Moçambique verheugden zich. En Jehovah’s getuigen vroegen zich af of zij nu misschien uit die lange en donkere tunnel van veertig jaar vervolging zouden komen.
In Moçambique werd een overgangsregering geïnstalleerd als voorbereiding op de volledige machtsovername in juni 1975 door de troepen van het Frelimo. Tijdens deze periode van betrekkelijke vrijheid waren Jehovah’s getuigen in de gelegenheid openlijk te vergaderen. Zij hielden zelfs grote congressen waarop iedereen werd uitgenodigd.
In april 1975 waren zij voor de eerste maal in de gelegenheid een gemengde vergadering van Afrikanen en blanken in Lourenço Marques te organiseren, iets wat onder de Portugese dictatuur onmogelijk was geweest. De Getuigen waren verheugd in christelijke broederschap, zonder enige vorm van rassenonderscheid, met elkaar te kunnen omgaan.
Maar terzelfder tijd begonnen politieke bewegingen grote nadruk te leggen op uiterlijke tekenen van politieke sympathie. Groepen activisten gingen rond om allen op te roepen tot het bezoeken van politieke vergaderingen, waar men „Viva Frelimo” („Lang leve Frelimo”) moest roepen en de rechtervuist moest opheffen (als bij de communistische groet).
Welk standpunt namen Jehovah’s getuigen is? Zij bleven politiek neutraal. Zij namen hetzelfde standpunt in als Jehovah’s getuigen tijdens het Mussolini-regime in Italië hebben ingenomen toen er van het volk werd verwacht dat het „Viva il Duce” riep en de fascistische groet bracht. Zij deden hetzelfde als Jehovah’s getuigen in nazi-Duitsland toen er van allen werd verwacht dat zij „Heil Hitler” zouden roepen en de nazi-groet zouden brengen. Zij deden hetzelfde als hun broeders in de door Japan bezette landen tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen er van de mensen werd geëist dat zij ter aanbidding van de Japanse keizer zouden neerknielen.
Ja, hun standpunt is hetzelfde als dat van Jehovah’s getuigen in Engeland, de Verenigde Staten, Portugal, Spanje en in elk ander land op het oppervlak van de aarde, die ook hun christelijke neutraliteit ten aanzien van politieke aangelegenheden hebben bewaard, ongeacht welke moeilijkheden het met zich bracht wanneer zij weigerden politieke leuzen te roepen of politieke groeten te brengen. Duizenden Getuigen hebben jaren doorgebracht in Duitse concentratiekampen of in wrede Siberische werkkampen.
Aan de andere kant is het echter ook zo dat Jehovah’s getuigen in Moçambique, net als trouwens in alle landen overal elders in de wereld, in overeenstemming met het bijbelse gebod in Romeinen 13:1, volledig respect zijn blijven tonen voor de autoriteiten van de staat. Door namelijk getrouw hun belasting te blijven betalen, zonder één enkele poging tot ontduiking, door zich ijverige en betrouwbare werkers te blijven betonen en ordelievende burgers te blijven. Alle wetten zijn door hen evenzeer gerespecteerd, tenzij ze in flagrante strijd waren met de bijbelse wetten van God. Wat was het resultaat?
In de grondwet voor de Volksrepubliek Moçambique, die op 25 juni 1975 in werking trad, luidt artikel 33 als volgt:
„De Staat garandeert alle burgers van de Volksrepubliek Moçambique hun persoonlijke vrijheden. Deze vrijheden omvatten de onschendbaarheid van de woning en het briefgeheim en kunnen niet worden beperkt, tenzij in speciale gevallen waarin voorzien door de wet.
In de Volksrepubliek Moçambique garandeert de Staat zijn burgers de vrijheid al dan niet een religie te beoefenen.”
Artikel 25 van de grondwet verklaart:
„In de Volksrepubliek Moçambique kan niemand gearresteerd en aan een veroordeling onderworpen worden dan overeenkomstig de bepalingen van de wet. De Staat garandeert de beschuldigde het recht op verdediging.”
Hebben deze woorden enige werkelijke betekenis? Wat er met Jehovah’s getuigen in Moçambique is gebeurd, maakt dit tot een groot vraagteken.
Ongeveer een maand vóór de uitroeping tot volledige onafhankelijkheid kwam in het dorpje Chonguene, op enkele kilometers afstand van de stad João Belo gelegen, de plaatselijke gemeente van Jehovah’s getuigen voor haar geregelde bijbelstudie op zondag bijeen. Een groep personen bestaande uit rooms-katholieken en protestanten, die onderweg waren naar een politieke vergadering, drongen de vergaderplaats van Jehovah’s getuigen binnen en stoorden deze door te vragen waarom de aanwezigen niet de politieke vergadering bezochten. Dreigementen roepend, vertrokken ze weer.
Een paar dagen later, op 23 mei, arriveerden er enkele politiewagens met Frelimo-soldaten erop, die zes van de personen arresteerden die op de bijbelvergadering van Jehovah’s getuigen aanwezig waren geweest. De commandant gaf zijn mannen bevel deze zes mannen te slaan en te schoppen en hen daarna naar de gevangenis te voeren.
Ook in de gevangenis werden deze mannen dagelijks geslagen om hen ertoe te dwingen „Viva Frelimo” te roepen. Drie van hen waren nog maar pas-geïnteresseerd en geen gedoopte getuigen van Jehovah. Zij bezweken onder de slagen en bedreigingen en deden wat men van hen vroeg; de drie anderen echter, die gedoopte getuigen van Jehovah waren, bleven standvastig weigeren hun christelijke geweten geweld aan te doen. Daarna werden zij mee naar buiten gevoerd, waar men hen beval een gat te graven diep genoeg om erin te kunnen staan. Na gedwongen te zijn in het gat plaats te nemen, met slechts hun hoofd nog boven de grond, kregen zij te horen dat wanneer zij nog steeds weigerden de politieke leus te roepen, zij daar ter plaatse doodgeschoten en begraven zouden worden. Maar zij bleven standvastig weigeren hun geweten geweld aan te doen. Ten slotte bracht men hen terug naar de gevangenis.
Gelukkig was de minister van defensie in Lourenço Marques uitermate verbaasd toen hem dit incident ter ore werd gebracht en belde hij onmiddellijk naar de Frelimo-leider in dat gebied op, waarna de Getuigen spoedig weer in vrijheid waren. Maar dit was slechts één klein lichtplekje in een verder geheel duistere situatie.
Daarna brak op 25 juni 1975 de dag van de onafhankelijkheid aan en ook de dag waarop de nieuwe grondwet volledig in werking zou treden. Zouden wrede aanvallen op de vrijheid van godsdienst, zoals net beschreven, nu tot het verleden gaan behoren? Zou een progressieve, verlichte houding de plaats gaan innemen van enge onverdraagzaamheid?
Campagne van geweld
Het antwoord hierop kwam al snel, binnen enkele dagen. Door het hele land werd een lastercampagne tegen Jehovah’s getuigen op touw gezet, waarbij districtsbestuurders en andere politici een dankbaar gebruik van de radio maakten.
Op aanstichting van groepen activisten werden Jehovah’s getuigen op diverse plaatsen gearresteerd en voor ondervraging naar de hoofdkwartieren van de Frelimo-beweging gebracht. Vaak werden zij geslagen. Neem als voorbeeld van wat er gebeurde, een voorval op 13 september 1975, toen de gemeente van Jehovah’s getuigen in Choupal, in het district van Lourenço Marques, voor vergadering bijeen was.
Een reizende ouderling van Jehovah’s getuigen, Elias Mahenye, hield voor ongeveer 300 personen een bijbeltoespraak in de Koninkrijkszaal van de gemeente. Tegen het eind van zijn lezing kwamen leden van de plaatselijke activistengroep de zaal binnen en trachtten de vergadering te verstoren. Beleefd doch krachtig werd hun onder de aandacht gebracht dat de vergadering nog niet was afgelopen en werd hun verzocht of zij tot dan wilden wachten.
Nauwelijks had de gemeente op het slotgebed „amen” gezegd, of deze activisten beklommen reeds het podium en eisten van de gehele gemeente dat deze „Viva Frelimo” zou roepen. Driemaal werd die eis herhaald, maar zonder resultaat. Daarna gaven zij de gemeente bevel in de Koninkrijkszaal te blijven terwijl er Frelimo-soldaten gehaald zouden worden.
Toen de commandant van de soldaten arriveerde, vroeg hij wie de verantwoordelijke padre (priester) was. Hem werd uitgelegd dat de Getuigen geen padre kennen, maar daarna stelde Mahenye zich voor als degene die de lezing had gehouden. Hij en vier anderen werden toen op het podium geleid en vanaf hun middel ontbloot, waarna ze moesten schreeuwen „Viva Frelimo”. Toen zij dit niet deden, werden zij hevig geslagen en daarna met elektriciteitssnoer gekneveld. Na vier maanden droegen Mahenye’s armen nog steeds de sporen van de diepe sneden die de draden in zijn armen hadden gemaakt.
De vijf werden daarop meegenomen naar de nabijgelegen barakken van het leger, alwaar Mahenye ervan werd beschuldigd in zijn lezing te hebben gezegd dat de mensen „Weg met Frelimo” moesten roepen — een doorzichtige en kwaadaardige leugen. De soldaten beukten hem daarna met hun vuisten en geweerkolven. Alle vijf werden met de riemen van de soldaten afgeranseld en daarna voor de nacht in een vuil toilet opgesloten. Om 4 uur ’s nachts werden ze er weer uitgehaald en opnieuw geslagen. Mahenye werd er leugenachtig van beschuldigd soldaten te hebben getraind om tegen het Frelimo te strijden en kreeg nog een extra afranseling. Later werd toegegeven dat deze beschuldigingen ongegrond waren.
Bij het aanbreken van de dag arriveerde er een Frelimo-sergeant die de groep ondervroeg. Hij zei hun: „Wanneer jullie weigeren ’Viva Frelimo’ te roepen, kan Frelimo jullie niet in het land houden. Want tien jaar lang heeft Frelimo gevochten — niet voor Jehovah en ook zonder de hulp van Jehovah. Iedereen behoort ’Viva Frelimo’ te roepen aangezien Frelimo de god is van Moçambique en het geweer de tweede god is van Moçambique. Wij willen hier niets over Jehovah horen.”
En hoe stond het met de rest van de gemeente, mannen, vrouwen, bejaarden en kinderen, die tijdens de lezing in de Koninkrijkszaal aanwezig waren geweest? Zij werden gedwongen daar de hele nacht en een gedeelte van de volgende dag te blijven. Velen werden geslagen en met ijzerdraad vastgebonden, terwijl de soldaten ondertussen schreeuwden: „Wie is die Jehovah van jullie? Waarom komt hij niet om jullie te helpen?”
Tijdens die periode van vierentwintig uur mocht niemand slapen, water drinken, eten of van het toilet gebruik maken, zelfs vrouwen, en kinderen niet. De bijbels, boeken en tijdschriften die op de vergadering waren gebruikt, werden verbrand. Het was alsof Moçambique was veranderd in een stukje middeleeuws Europa, alsof de Donkere Middeleeuwen en de Spaanse Inquisitie weer waren teruggekeerd. Ten slotte mochten de Getuigen de zaal verlaten, maar niet na nog eerst gedreigd te zijn dat wanneer zij niet leerden „Viva Frelimo” te roepen, hun nog ernstige moeilijkheden te wachten stonden.
Andere barbaarsheden ondergingen dertien Getuigen in Magude, ten noorden van Lourenço Marques. Na gearresteerd te zijn, moesten ze met hun vingers bomen uitgraven, waarna hun benen en armen vastgebonden werden en zij als olievaten werden voortgerold. Net als in het oude Rome kregen de plaatselijke bewoners de uitnodiging om te komen kijken naar het schouwspel van christenen die gemarteld werden.
In de buurt van Manjacaze werden een aantal leden van twee kleine gemeenten van Jehovah’s getuigen gevangen genomen. Toen daarna de gouverneur van het Gaza-district naar het gebied was gekomen, kregen de resterende Getuigen de uitnodiging op een openbare vergadering aanwezig te zijn. Zij voldeden hieraan. Eerst werd er over de plaatselijke landbouwactiviteiten gesproken. Maar toen vroeg de gouverneur plotseling of alle getuigen van Jehovah naar voren wilden treden. Dit deden zij. Daarop gaf de gouverneur het bevel dat allen, zowel mannen als vrouwen, gearresteerd moesten worden, waarna men hen zo hevig sloeg dat bij sommigen het bloed uit oren en ogen liep. Vervolgens voerde men hen naar de gevangenis.
Andere Getuigen in datzelfde Gaza-district werden elke dag, twee maanden lang (!) geslagen, in een poging hun rechtschapenheid te breken.
Maar al deze incidenten waren slechts een voorspel van hetgeen nog komen moest. Na enkele weken kwam er een officieel bevel: Alle getuigen van Jehovah in het gehele land moesten gearresteerd worden.
Systematisch en onbarmhartig werd dit bevel uitgevoerd. Frelimo-aanhangers gingen van huis tot huis en eisten dat de bewoners „Viva Frelimo” riepen. Zij die dit niet deden, werden automatisch voor Jehovah’s getuigen gehouden en naar de gevangenis gevoerd. Hele gezinnen, kinderen inbegrepen, werden onbarmhartig weggesleurd.
Dit betekent dat het aantal Jehovah’s getuigen dat nu gevangen zit, in de duizenden moet lopen. Direct contact met hen is bijna onmogelijk geworden. Sommige Getuigen wisten echter naar naburige landen te ontsnappen. Zij berichten dat de gevangenissen in de omgeving van de hoofdstad, Lourenço Marques, nu „boordevol” zitten en er zelfs al een speciaal kamp in de buurt van de Begraafplaats van St. José is ingericht om honderden Getuigen onder te brengen voor wie in de gevangenissen geen plaats meer is. Aangezien er voor zoveel mensen geen onderdak bestaat, moeten velen in de open lucht slapen, zonder dekens. Zij krijgen geen voedsel. Wel mogen familieleden op zondag en donderdag voedsel brengen. Maar zulke meedogende bezoekers lopen het risico zelf ook gearresteerd te worden wanneer ze weigeren „Viva Frelimo” te roepen.
De officiële plannen zijn kennelijk om een groot aantal mannelijke Getuigen naar noordelijke steden als Nampula en Quelimane te zenden, waar zij feitelijk als slaven zullen worden gebruikt om bouwwerkzaamheden uit te voeren. Kinderen worden naar politieke scholen gezonden om daar een Frelimo-indoctrinatie te ondergaan. Radioberichten melden dat het geld van Getuigen die een bankrekening bezitten, in beslag is genomen. Huizen en auto’s zullen door de regering worden overgenomen.
Ja, het is een akelige herhaling van het oude patroon van totalitair bestuur: Een verafgoding van de staat door een volledige beknotting van de vrijheid, controle op het denken, niet volgens eigen geweten mogen handelen, een herhaling van de nazistische slavenarbeid en de Siberische werkkampen en politieke indoctrinatie van kinderen die van hun ouders zijn weggerukt.
Dagblad- en radioboodschappen bevatten leuzen als „Moçambique niet Jehovah’s land” en „deze fanatieke ’Jehovah’s’ moeten een heropvoeding ondergaan”. Wat voor soort van ’heropvoeding’ sommige partij-aanhangers in gedachten hebben, bleek wel toen zij de Getuigen eerst mishandelden en daarna niet alleen eisten dat zij „Viva Frelimo” riepen, met een opwaartse beweging van de vuist, maar hen er ook toe trachtten te pressen God te vervloeken! Zij eisten dat de Getuigen „Weg met Jehovah” zouden roepen, met een neerwaartse beweging van de vuist.
Voordat de massa-arrestaties begonnen, werden ongeveer dertig leden van de gemeente Xinavane van Jehovah’s getuigen opgeroepen en verscheidene uren lang belerend toegesproken. Toen de Getuigen daarop aan de hand van de bijbel uitlegden waarom zij weigerden bij politiek betrokken te raken en politieke leuzen te roepen, dreef de Frelimo-commandant de spot met hen door te verklaren: „Ik geef jullie Jehovah vijf minuten de tijd om dit huis af te breken.” Na de vijf minuten voorbij te hebben laten gaan, zei hij: „Ik ben bereid jullie Jehovah met een geweer te ontmoeten. De portugese soldaten baden om de overwinning maar werden verslagen. Frelimo vocht zonder Jehovah en won. Wij zullen Jehovah verslaan. Wij willen zijn naam hier niet in Moçambique.”
Hoe lijken deze woorden op die van de Farao van het oude Egypte, die pochend uitriep: „Wie is Jehovah, zodat ik zijn stem zou gehoorzamen om Israël heen te zenden? Ik ken Jehovah in het geheel niet, en daarbij komt nog dat ik Israël niet zal heenzenden.” — Ex. 5:2.
Wat is daarom de werkelijke kwestie waar het in Moçambique om draait?
Vragen die dringend om een antwoord roepen
Kan een land enig goeds verwachten wanneer nieuwe grondwettelijke rechten zo met voeten worden getreden? Werpt het voor het volk van Moçambique enig voordeel af wanneer er zo’n boosaardige aanval op de vrijheid van aanbidding wordt ondernomen? Is het voor de nieuwe regering werkelijk een hinderpaal wanneer Jehovah’s getuigen weigeren aan politieke activiteiten deel te nemen? Kunnen zij het land dan minder doeltreffend besturen? Uit de feiten blijkt het tegendeel.
De nieuwe regering van Moçambique heeft zichzelf voorstandster van allerlei voortreffelijke idealen verklaard: bestrijding van prostitutie en dronkenschap, de opheffing van onderdrukking en beter onderwijs voor het volk (dat onder het Portugese koloniale bewind voor 90 percent analfabeet is gebleven). Frappant is echter dat Jehovah’s getuigen al een belangrijke bijdrage in de richting van deze idealen hebben geleverd.
Vraag uzelf af: Waardoor zal er verbetering komen in een land dat onder bijna volledig analfabetisme gebukt gaat: door het schreeuwen van een leuze of het verrichten van een groet? Is het realistisch of praktisch om dat te beweren?
Wat valt er aan de andere kant over het voorbeeld en de activiteit van Jehovah’s getuigen te zeggen? Hun gehele christelijke levenswijze vraagt om een positieve instelling ten opzichte van lezen en onderwijs. Bij hun bijbelse onderwijzingswerk hebben zij dan ook in land na land leescursussen gegeven.
Alleen in Mexico zijn bijvoorbeeld de afgelopen achtentwintig jaar al 48.000 personen geholpen lezen en schrijven te leren, terwijl in Nigeria de afgelopen vijf jaar meer dan 5000 personen hierbij zijn geholpen. En in Moçambique? Daar hebben reeds 3930 personen dank zij Jehovah’s getuigen lezen en schrijven geleerd, en dat enkel in de afgelopen twee jaar! Wat dit betreft zijn er dus weinig of geen mensen die zich zo op het onderwijs hebben toegelegd als Jehovah’s getuigen.
En de verhoging van morele maatstaven, zal dit bereikt worden door het herhaald roepen van leuzen en het maken van gebaren? Heeft dat in nazi-Duitsland of fascistisch Italië of in enig ander land gedurende welke periode van de geschiedenis maar ook, geholpen? De feiten tonen aan van niet, terwijl het volgens de rede ook absurd is om dit te denken.
Maar door vast te houden aan bijbelse beginselen hebben Jehovah’s getuigen in de loop van ruim negentig jaar een wereldwijde reputatie opgebouwd van hoge beginselen, morele eerbaarheid en een reine levenswijze. Honderdduizenden mensen, in alle landen, hebben zij geholpen seksuele immoraliteit, alcoholisme, drugverslaving en soortgelijke ontaarde gewoonten te overwinnen.
In een commentaar op een van hun vergaderingen stond in de Nigeriaanse krant The Daily Times: „Het strekt hun tot eer dat ruim 5000 mensen — mannen, vrouwen en kinderen — vier dagen achtereen samen konden zijn om te bidden, te zingen, te eten en te slapen zonder dat er werd gestolen of gevochten. En toch was er geen politieagent om de orde te handhaven.” Zulke mensen zijn stellig een aanwinst voor een land. Zij behoren niet tot degene die de regering belasten met hoge uitgaafposten ter bestrijding van corruptie en misdaad.
Het kolonialisme liet de nieuwe regering van Moçambique opgezadeld met grote buitenlandse schulden van in totaal honderden miljoenen dollars. Zullen leuzen en gebaren een einde aan zulke economische problemen maken? Of zal dit door werk moeten gebeuren — werk door mensen die ijverig, betrouwbaar en eerlijk zijn en die tot een hogere levensstandaard kunnen bijdragen?
Kunnen leuzen en gebaren de belastinginkomsten garanderen? Zijn zij die het hardste schreeuwen ook automatisch degenen die het eerlijkst zijn in het betalen van hun belasting? In land na land blijkt dat uiterlijk vertoon van patriottisme wat dat betreft geen enkele waarborg vormt. Maar opnieuw zijn het Jehovah’s getuigen die in alle landen een bekende en gerespecteerde naam hebben opgebouwd als nauwgezette belastingbetalers en eerlijke en betrouwbare zakenlieden.
In de kranten-hetze tegen Jehovah’s getuigen zoals die onder andere in A Tribuna van 22 oktober 1975 en in Tempo van 26 oktober 1975 is gevoerd, hebben de schrijvers Jehovah’s getuigen van een „dompergeest” willen beschuldigen. In woordenboeken wordt een „domper” gedefinieerd als „iemand die de vooruitgang en de verbreiding van kennis tegenwerkt en vooral door het gebruik van ingewikkelde taal, ingewikkeld ritueel, enz., domheid en bijgeloof bevordert”. Wat onthullen de feiten echter?
In heel Afrika weet men dat Jehovah’s getuigen, meer dan enige andere religieuze groepering, Afrikanen uit elke stam geholpen hebben van allerlei bijgelovige ideeën bevrijd te raken, van de beoefening van toverij, slaverig ritueel, traditionele angst en stamtaboes. De Getuigen hebben mensen geholpen een progressieve en praktische benadering van het leven en de problemen ervan te verwerven, hetgeen heeft bijgedragen tot het ontstaan van verenigde gezinnen, verantwoordelijke werkers en meelevende, vriendelijke buren. Stellig is dit het soort van vooruitgang en verlichting die niet alleen in Moçambique maar in de gehele wereld erg gewenst is.
Wat een tegenstelling daarentegen met degenen die de zaken trachten te verdraaien en ze anders willen doen lijken dan ze werkelijk zijn, die kwesties verduisteren met van haat vervulde propaganda tegen een kleine minderheid. Zij zelf zijn degenen die de benaming van „dompers” verdienen. Zij zijn degenen die als onderdrukkers van fundamentele vrijheden, methoden gebruiken die al even oud zijn als de geschiedenis van onverdraagzaamheid en de mensheid zelf.
Zij die de aanbidding van de Staat trachten te bevorderen ten koste van menselijke vrijheden, volgen een oud patroon dat al van duizenden jaren her dateert, en teruggaat tot de tijd van de oude wereldrijken Assyrië en Babylon. Zulke methoden hebben dan ook alleen maar een reactionaire en negatieve uitwerking en zijn niet bevorderlijk voor ware vooruitgang en de verbreiding van kennis. De waarheid is sterk genoeg om het zonder de steun van dergelijke tactieken te kunnen stellen.
Meent u dat een politieke staat het recht heeft volledige controle op het denken van al zijn onderdanen uit te oefenen? Of gelooft u dat mensen het recht dienen te hebben volgens hun eigen geweten een godsdienst te belijden?
Wanneer u het afkeurt dat men met geweld mensen in een bepaald politiek keurslijf poogt te dwingen, en wanneer u medelijden gevoelt met degenen die vanwege het gewetensvol vasthouden aan hun geloof, lijden ondergaan, zult u wellicht een telegram of verzoekschrift willen richten aan een of meer functionarissen van de Frelimo-regering in de Volksrepubliek Moçambique, wier namen bij dit artikel vermeld staan.
[Kader op blz. 26]
FUNCTIONARISSEN NAAR WIE U KUNT SCHRIJVEN
Presidente de República Popular de Moçambique
Samora Moisés Machel
Lourenço Marques, Moçambique
Comissário Político Nacional
Armando Emílio Guebuza
Lourenço Marques, Moçambique
Vice-Presidente da República Popular de Moçambique
Marcelino dos Santos
Lourenço Marques, Moçambique
Primeiro Ministro da República Popular de Moçambique
Joaquim Chissano
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro do Interior
P.O. Box 614 (Caixa Postal 614)
Lourenço Marques, Moçambique
Ministério dos Negócios Estrangeiros
Ac. Antonio Enes
No. 4
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro da Defesa
Alberto Chipande
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro da Informação
Jorge Rebelo
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro do Trabalho
Mariano Matsinha
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro da Agricultura
Joaquim de Carvalho
Lourenço Marques, Moçambique
Ministro das Obras Públicas e Habitacão
Julio Carrilho
Lourenço Marques, Moçambique
Vice-Director do Cabinete da Presidência
Luis Bernardo Honwana
Lourenço Marques, Moçambique
Leden van het „Comite Central da Frelimo” (Het Centrale Comité van Frelimo)
Lourenço Marques, Moçambique
Mariano Matsinha
Deolinda Guesimane
Jonas Namashlua
Olimpio Vaz
Armando Panguene
Leden van het „Comite Executivo da Frelimo” (Het Uitvoerende Comité van Frelimo)
Lourenço Marques, Moçambique
José Oscar Monteiro
Daniel Mbanze
Gideon Ndobe