Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g75 8/9 blz. 12-16
  • Ik was een lid van de Palatijnse Eregarde

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Ik was een lid van de Palatijnse Eregarde
  • Ontwaakt! 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De moderne militaire organisatie
  • Waarom ik ertoe wilde behoren
  • Aangenomen
  • Opleiding en kleding
  • In dienst van de paus
  • Pracht en praal
  • De kroning van de paus
  • De antwoorden die ik ontving
  • De reizende Johannes Paulus II — Kan hij zijn verdeelde Kerk verenigen?
    Ontwaakt! 1980
  • Zal de Kerk in praktijk brengen wat de paus heeft gepredikt?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • De paus — Waarom zo populair?
    Ontwaakt! 1984
  • De paus op reis
    Ontwaakt! 1984
Meer weergeven
Ontwaakt! 1975
g75 8/9 blz. 12-16

Ik was een lid van de Palatijnse Eregarde

MISSCHIEN hebt u nooit geweten dat de paus een leger heeft. Toch is dit zo. Negen jaar heb ik gediend in de Vaticaanse strijdmacht als een lid van de Palatijnse Eregarde.

Natuurlijk heeft de paus in deze tijd geen staand leger meer zoals de pausen dat vroeger hadden. Paus Julius II voerde in het begin van de zestiende eeuw zelf nog het bevel over zijn leger en leidde dit op het slagveld. Ook de Rooms-Katholieke Kerk had in het verleden religieuze militaire ordes. The Catholic Encyclopedia schrijft hierover: „Deze ordes overtroffen wat hechtheid betreft, het ideaal van elke militaire organisatie, de beroemdste keurtroepen die in de geschiedenis bekend zijn.” — 1911, Deel X, blz. 307.

Het hoeft dus bij niemand verbazing te wekken dat de hedendaagse Vaticaanse staat ook een legermacht bezit.

De moderne militaire organisatie

Van de vier gewapende garden die het Vaticaan de afgelopen jaren heeft gehad, is de Zwitserse Garde waarschijnlijk wel het meest bekend. Sinds 1505, toen paus Julius II met de Zwitsers een verdrag sloot om hem voortdurend van 250 man voor zijn lijfwacht te voorzien, is er een korps van Zwitserse soldaten bij de paus geweest. In augustus 1959 heeft paus Johannes XXIII het korps gereorganiseerd, zodat het nu uit een aantal officieren, twee drummers, een kapelaan en zeventig gardesoldaten bestaat.

De Edelgarde schijnt vroeger een zelfs nog groter aanzien te hebben genoten, want in The Catholic Encyclopedia wordt ze het „meest onderscheiden korps van de pauselijke krijgsmacht” genoemd. Ze ontstond in 1801. De Pauselijke Gendarmerie en de Palatijnse Eregarde maakten de pauselijke beschermingstroepen compleet.

De Palatijnse Eregarde werd in 1850 door Pius XI gesticht. Hij bepaalde dat twee reeds bestaande korpsen onder deze nieuwe naam in één korps verenigd zouden worden. Vóór 1870 kreeg de Palatijnse Eregarde militaire oorlogstaken te vervullen, daarna werden haar functies grotendeels ceremonieel.

In de periode van 1968 tot 1971 zijn echter de Edelgarde, de Palatijnse Garde en de Gendarmerie opgeheven, zodat alleen nog de Zwitserse Garde is overgebleven.

Waarom ik ertoe wilde behoren

Mijn vader had ongeveer dertig jaar bij de Palatijnse Garde gediend, een positie waarop hij en mijn moeder erg trots waren. Daarom hadden zij het verlangen dat ik de familietraditie zou voortzetten. Maar behalve dat waren er toch nog meer redenen waarom ik tot de garde wilde behoren.

Ik was in mijn tienerjaren ver van religie afgedwaald, vooral door het evolutionaire onderwijs dat ik op school had ontvangen. Daarom hoopte ik dat door contacten met de hoogste religieuze leiders in de wereld, met inbegrip van de paus zelf, mijn geloof in God versterkt zou worden.

En bovendien moet ik toegeven dat het ook de pracht en de eer waren, verbonden aan mijn positie, die me ernaar deden verlangen een lid van de garde te worden. Behorend tot de Palatijnse Eregarde, zou ik in de gelegenheid zijn vele beroemde mensen te ontmoeten en bij belangrijke religieuze gebeurtenissen een voorname functie te vervullen.

Aangenomen

En zo kwam het dat ik in 1960, op de leeftijd van achttien jaar, solliciteerde naar een plaats bij de Palatijnse Garde. Na gunstig door mijn parochiepriester te zijn aanbevolen, werd ik voor een persoonlijk vraaggesprek ontboden.

Ik herinner me nog goed hoe angstig ik was toen ik de imposante gebouwen van Vaticaanstad naderde. Ik trad de ontvangsthal binnen en bevond mij voor een lange tafel. Daarachter zaten de korpscommandant, de kapelaan-kolonel en nog vier andere personen. Aan de ene kant van het vertrek hingen grote portretten van tien pausen, en naast elk van hen een geplooide vlag ter herinnering aan gestreden veldslagen.

Eerst werden mij enkele persoonlijke vragen gesteld. En daarna vroeg de kapelaan mij of ik enkele katholieke gebeden wilde opzeggen, zoals de Oefening van geloof en hoop en de Apostolische Geloofsbelijdenis. Gezien de geringe aandacht waarmee ik altijd het godsdienstonderricht had gevolgd, was ik bang dat mijn oppervlakkige kennis zou opvallen. Maar mijn zorgen bleken ongegrond, want het vraaggesprek was slechts een formaliteit. Ongeveer een maand later werd ik tot de Palatijnse Garde toegelaten.

Opleiding en kleding

Na een korte religieuze dienst begon mijn opleiding met een uur godsdienstonderwijs. Daarna bezocht ik elke donderdag een religieuze cursus. Ik hoopte dat hierdoor mijn kennis van God zou toenemen en dat mijn twijfels omtrent zijn bestaan zouden worden weggenomen. Maar dat gebeurde niet. De kerkelijke dogma’s die we onderwezen kregen, vergrootten mijn twijfels slechts.

Maar van de militaire opleiding genoot ik. Na verloop van tijd mocht ik het indrukwekkende uniform van de Palatijnse Eregarde dragen, bestaande uit een zwarte tuniek, blauwe pantalon, gemaakt van zachte jonge beverhuid, een witte riem, zwarte schoenen en een zwarte hoofdbedekking, compleet met klep en een pluim van rode veren. Tot de verdere uitmonstering behoorden een reeks dikke, gouden koorden en twee opzichtige goudkleurige epauletten, die toeristen tijdens parades altijd met graagte probeerden los te trekken.

In dienst van de paus

De paus ontving zijn bezoekers immer in de troonkamer van de St.-Pieter op audiëntie. Meestal had ik dienst in het voorvertrek, waar ik bij de ingang van de ontvangsthal geposteerd stond. De bezoeker ging altijd vergezeld van een kamerdienaar of lakei, en op het moment dat hij voor ons langs liep, sprongen we in de houding. Twee hoge bezoeken kan ik me nog in het bijzonder herinneren.

Ten eerste het bezoek van een boeddhistische monnik, gekleed in geel gewaad. Hij bezocht paus Paulus VI tijdens het Tweede Vaticaans Concilie om te spreken ten behoeve van de vrede in Vietnam. Dat bezoek verwekte heel wat sensatie want het was in de tijd dat er geregeld in de kranten berichten verschenen over boeddhistische monniken die door middel van verbranding zelfmoord pleegden.

Het andere bezoek betrof dat van koningin Elizabeth van Engeland, die, zoals bekend, niet alleen een politiek hoofd maar ook het religieuze hoofd van de Anglicaanse Kerk is. In overeenstemming met het Vaticaanse protocol was de koningin, alsook elk lid in haar gevolg, vergezeld van een vertegenwoordiger van het pauselijke hof. Na de gast voor de paus te hebben geleid, doet de begeleider gewoonlijk de suggestie dat de gast de ring aan de uitgestoken hand van de paus kust. En de koningin gaf hieraan gehoor, ze boog en kuste de pauselijke hand — het hoofd van de Anglicaanse Kerk buigend voor het hoofd van de Rooms-Katholieke Kerk — een heel succesvolle diplomatieke manoeuvre van het pauselijke hof!

Even levendige herinneringen heb ik aan de parades — wanneer de Palatijnse Garde, voorafgegaan door statig trompetgeschal, het St.-Pietersplein opmarcheerde. Dat gebeurde onder andere altijd tijdens de jaarlijkse 2 juni-viering ter ere van het Italiaanse leger, tijdens welke gebeurtenis de paus zijn plechtige Urbi et Orbi-zegen gaf.

Ook tijdens vele officiële bezoeken van staatshoofden, met inbegrip van die van president de Gaulle van Frankrijk, koning Hoessein van Jordanië, president Soekarno van Indonesië en keizer Haile Selassie van Ethiopië, maakte ik deel uit van de erewacht. Ik heb eveneens dienst gedaan aan de ingang van de sterfkamer van paus Johannes XII in juni 1963 en kort daarna bij de verkiezing van paus Paulus VI.

Pracht en praal

’s Woensdagsmorgens hield de paus altijd openbare audiëntie in de troonzaal ten behoeve van degenen die van tevoren een verzoek hadden gedaan hem te zien en zijn zegen te ontvangen. Het was beslist altijd een indrukwekkend gebeuren wanneer de paus bij die gelegenheid met zijn gevolg verscheen.

De paus was dan gezeten op een soort van draagtroon, die door zijn dienaren werd getorst. Dan volgde een grote stoet van kleurrijk en prachtig uitgedoste geestelijken en dienaren, met titels als Geheim Kamerheer met kap en degen, Geheim Aalmoezenier en Opperkamerheer. In de processie liepen voorts mee de commandanten en officieren van de diverse Vaticaanse legerkorpsen.

Bijna ongelooflijke taferelen van allerlei aard deden zich bij die gelegenheden voor. Soms zag men een krijsende vrouw, rukkend aan haar haar en een kruisbeeld naar de paus opheffend als die, beschermd achter een verschuifbaar houten hekwerk, voorbijging. Bepaalde hysterische personen moesten met geweld verwijderd worden. Baby’s werden omhooggehouden zodat de paus ze kon aanraken.

Ook tientallen brieven en velletjes papier met verzoeken daarop, werden naar de paus uitgestrekt. En minzaam namen de kerkelijke waardigheidsbekleders rond de draagbare pauselijke troon ze in ontvangst. Maar er waren ook mensen die lachten, anderen die huilden en weer anderen die onverschillig bleven. Er werden lofzangen gezongen, terwijl men met zakdoeken zwaaide.

Wanneer deze openbare audiënties in de St.-Pietersbasiliek werden gehouden, was het tafereel nog indrukwekkender. Dan volgden bij de binnenkomst van de paus de toejuichingen hem op de voet, als een golf van de zee. De laatste jaren merkte ik echter een achteruitgang in het aantal bezoekers op.

De kroning van de paus

De pracht en praal van deze audiënties zonken echter volledig in het niet bij de kroning van de paus. „De grandeur daarvan”, aldus ooggetuigen, „zullen we nooit vergeten.” Ook ik was op 30 juni 1963 bij de kroning van paus Paulus VI tegenwoordig, en het was inderdaad een opmerkelijke gebeurtenis in mijn carrière als gardelid van het Palatijnse korps. Staatshoofden, ministers, ambassadeurs, politieke en militaire waardigheidsbekleders, journalisten en katholieke en protestantse vertegenwoordigers waren uit alle delen van de wereld tegenwoordig.

Het leek bijna onwerkelijk — al die overdaad, de edelstenen, de prachtige, dure kledij van degenen die bij de kroning betrokken waren, vooral van de paus, voortgedragen op zijn triomftroon, de langzaam bewegende waaiers van struisvogelveren om hem heen, de muziek en de ceremonie. De grootsheid tartte elke beschrijving. De kroning van de oude Byzantijnse keizers, die de pauselijke kroningen tot model hebben gediend, kunnen stellig niet opzichtiger zijn geweest.

Daarna was er de glorieuze intocht van het gehele pauselijke hof in vol ornaat, met de Palatijnse Eregarde aan het hoofd van de stoet. De langzaam bewegende processie duurde ongeveer een uur, een bonte mengeling van schitterende kleuren, terwijl een koor van jonge stemmen de voortgaande rij van honderden kardinalen en bisschoppen begeleidde. Ten slotte werd paus Paulus VI gekroond met een prachtige hoofdtooi, versierd met kostbare edelstenen, een koninklijk symbool van de macht die hem hierbij als de vertegenwoordiger van Christus op aarde werd toegedacht.

Maar ik vroeg mijzelf af: Is het werkelijk de wil van God dat zijn Zoon zulk een vertegenwoordiger op aarde heeft? Is al deze praal wel gepast? Hecht Christus er zijn goedkeuring aan?

De antwoorden die ik ontving

Een antwoord daarop ontving ik van een blinde man die de gelegenheid te baat nam om met mij op het kantoor te spreken waar ik meestentijds werkte. Uit wat hij mij in de bijbel liet zien, kwam ik tot het besef dat de paus niet het voorbeeld van Christus en diens apostelen navolgde. Want toen bijvoorbeeld een Italiaanse legeroverste aan de voeten van de apostel Petrus neerviel om hem eer te bewijzen, zei Petrus, zo leerde ik: „Sta op, ik ben zelf ook een mens” (Hand. 10:25, 26). Het gedrag van kerkleiders vormt een schrille tegenstelling met dat van Petrus.

Maar er waren nog andere kwesties. De katholieke Kerk leert dat mensen een onsterfelijke ziel bezitten die, naar men zegt, eeuwig kan branden in een hel of gekweld kan worden in een vagevuur, afhankelijk van de zonden die bedreven zijn. Maar uit de bijbel leerde ik dat de mens zelf een ziel is en geen afzonderlijke onsterfelijke ziel heeft. „De ziel, die zondigt, zij zal sterven”, zo staat in de katholieke Nederlandse Professorenbijbel (Ezech. 18:4). En de bijbelse hel is kennelijk geen plaats van vuur, zoals blijkt uit verschillende bijbelpassages. David bad bijvoorbeeld tot God: „[Als] ik nederdaal ter helle, daar zijt gij tegenwoordig.” De Schrift maakt duidelijk dat de bijbelse hel eenvoudig het gemeenschappelijke graf van de mensheid is. — Ps. 138:8, katholieke Leuvense bijbel; zie ook Job 14:13; Prediker 9:5, 10; Handelingen 2:31.

Bovendien werd mij aangetoond dat God geen Drieëenheid is. Hij is geen drie gelijke goden en nochtans een God, zoals men de katholieke Drieëenheidsleer zou kunnen samenvatten. „De Heere, uw God, is een eenig God”, zo leerde Christus, en hij erkende ook: „De Vader is grooter dan ik” (Mark. 12:29; Joh. 14:28, Belgische Professorenbijbel). Al deze dingen leerde ik uit mijn bijbelbesprekingen met die blinde man, die een van Jehovah’s getuigen was.

Het verontrustte mij echter wanneer ik over deze dingen nadacht, want ik besefte dat ik ten aanzien van God de verantwoordelijkheid had overeenkomstig deze waarheden te handelen. Op een dag zat ik in de filmzaal van het korpsgebouw van de Palatijnse Garde naast een monseigneur. Tijdens de verwisseling van twee filmrolletjes vroeg ik hem langs mijn neus weg of hij iets af wist van die mensen die beweerden uit de bijbel te kunnen bewijzen dat er geen Drieëenheid bestaat, dat de ziel niet onsterfelijk is en dat er geen hellevuur is. Hij vroeg mij wie ik bedoelde. Ik antwoordde: „Jehovah’s getuigen.” Het verraste mij toen hij antwoordde: „O, maar dat zijn christenen.”

Dus begon ik met Jehovah’s getuigen een ernstige studie van de bijbel te maken, zodat ik schriftuurlijke kennis kreeg die werkelijk mijn geloof in God heeft gesterkt. Na verloop van tijd droeg ik mijn leven op om de ware God, Jehovah, te dienen, en sindsdien heb ik de vreugde mogen ervaren om in plaats van een letterlijk wapen ’het zwaard van de geest, Gods Woord’, te mogen hanteren en daarmee anderen te helpen eveneens de waarheid over Jehovah God en zijn grootse voornemen te leren kennen (Ef. 6:17). — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen