Eén op de miljoen — Mijn dertigjarige strijd tegen verlamming
HET was 30 maart 1945, een dag die ik me nog lang zou heugen. Ik weet nog dat ik het warm vond voor zo vroeg in het jaar. Aan de heldere, azuurblauwe hemel was geen wolkje te bekennen. Er stond een krachtige branding op de kust van Florida, de golven van de oceaan waren in snelle beweging en donderden met luid geraas op de kust.
Klaar om naar huis te gaan en helemaal onder het zand rende ik het strand af om me in de branding schoon te spoelen. Op topsnelheid door het ondiepe water snellend, zag ik een opkomende golf en dook erin. Ik was nog maar net zestien en mijn jonge lichaam was door atletiekbeoefening goed ontwikkeld. Die lichamelijke fitheid zou de volgende twee minuten van doorslaggevende betekenis voor mijn leven worden. Want onder die golf bevond zich, onzichtbaar voor mij, een zandbank. Ik botste er frontaal met mijn hoofd tegenop.
Naar de oppervlakte komend, strekte ik me uit om de borstslag te doen. Maar mijn armen en benen reageerden niet meer. Ze bungelden levenloos in het water. Mijn hersenen schreeuwden ze letterlijk bevelen toe, maar zonder resultaat. Buiten mezelf van angst trachtte ik met mijn gezicht boven water te komen om te kunnen ademhalen. Ik kon de blauwe lucht van terzijde zien, maar ik had geen mogelijkheid om adem te halen. Ik was volslagen hulpeloos.
De seconden tikten weg. Ik hield mijn adem in. De spanning in mijn borstkas steeg; mijn oren suisden en er liep bloed uit mijn neus. Ik wist dat mijn situatie hopeloos was. Aan het eind van mijn krachten, zond ik een gebed op tot God en besloot uit alle macht water op te zuigen om er snel een eind aan te maken. Op dat moment zag ik armen onder mij en kon ik voelen dat iemand me uit het water tilde. Ik hapte naar lucht.
„Wat is er? Wat is er met je?” schreeuwde een vriend mij toe. Hij hield me tegen zijn borst boven het water.
„Ik weet het niet”, antwoordde ik. „Ik kan me niet meer bewegen.”
Vanaf de hals verlamd
Dat was mijn eerste ervaring met verlamming. De slag had mijn hals gebroken. De vierde en vijfde halswervel waren in het ruggemerg gedrongen en hadden ogenblikkelijk alle zenuwvezels naar de lichaamsdelen onder mijn hals afgesneden.
Gelukkig was er een verpleegster op het strand, die onmiddellijk kwam aanrennen en vroeg wat er aan de hand was en mijn verzorging op zich nam. Ik werd op het strand uitgestrekt en ze drukte nat zand rond mijn hoofd om beweging te voorkomen, terwijl ze me ook uitdrukkelijk zei mijn hoofd stil te houden.
Ze nam mijn hand op en vroeg of ik mijn vingers kon bewegen. Er was geen reactie. Toen ze mijn hand losliet, viel hij slap langs mijn zijde en terwijl ik naar mijn vingers keek, kon ik er niets mee doen. Het was alsof die hand niet van mij was.
De ambulance arriveerde en we reden in aller ijl naar het ziekenhuis. Twee jonge mannen die alles deden om me in het leven te houden en de jonge verpleegster vergezelden mij naar het ziekenhuis. Ze troostten me en stelden me gerust. Het was een vrij weekend en dus was het moeilijk een dokter te vinden. Ik mocht nog niet het ziekenhuis in. Mijn ouders waren die dag namelijk de stad uit en de dienstdoende functionarissen wilden eerst weten wie financieel voor mijn zorg verantwoordelijk zouden zijn. Een van de jonge mannen die met me meereden, werd later senator en heeft gezorgd voor de invoering van een wet waarbij verlening van eerste hulp in een ziekenhuis verplicht werd gesteld, ongeacht de omstandigheden. Hij vertelde mij later dat het idee voor dit wetsvoorstel bij hem was opgekomen naar aanleiding van de gevoelens van frustratie waaraan hij op die dag ten prooi was geweest.
Uiteindelijk kwam de dokter. Het was een bekwaam arts en chirurg en hij bleek tevens een ijverige en toegewijde vriend. Hij was heel geruststellend en vriendelijk. Tijdens de crisisperiode bleef hij constant aan mijn zijde en deed alles wat hij menselijkerwijs voor mij kon doen.
Röntgenfoto’s onthulden de breuk in mijn nek. Ik herinner me nog de folterende pijn toen de dokter mij vroeg m’n mond open te doen voor het nemen van de foto’s. Ik was me er niet eens van bewust dat de verpleegsters ondertussen bezig waren me schoon te wassen van het zand en daarna aan te kleden.
„Wat is er gebeurd?” zo dacht ik bij mezelf.
Heen en terug door de poorten van de dood
Ik kwam in een nekbeugel die zo kon worden aangepast dat alle druk van mijn wervelkolom werd opgeheven. Er werd met intraveneuze voeding begonnen zodat mijn lichaam niet zou uitdrogen en ik kreeg medicijnen toegediend om infectie te bestrijden. Het was nu een kwestie van afwachten wat er zou gaan gebeuren.
Ik denk er nog vaak aan hoe mijn ouders zich gevoeld moeten hebben toen zij hoorden dat ik ernstig gewond in het ziekenhuis lag en naar alle verwachting zou sterven. Toen ze naar me kwamen kijken, kon ik wel van hun gelaat aflezen dat de toestand ernstig was. Ironisch genoeg wist ik tot op dat moment van verlamming of de functie van de wervelkolom helemaal niets. Maar die achterstand in kennis zou ik de komende jaren dubbel en dwars inhalen.
De eerste twee weken waren bijzonder kritiek. Verlamming stopt alle lichaamsfuncties. De nieren, blaas en darmen werken niet meer. Er werd een catheter aangebracht om de urine af te voeren. De afvalstoffen moeten uit het lichaam worden gepompt. Men kan dus ook niet eten, het lichaam kan het voedsel niet verteren. In de eerste maand zakte mijn gewicht van 132 naar 72 pond.
Mijn uitzonderlijk hoge lichaamstemperatuur plus de verlamming waren er de oorzaak van dat mijn opperhuid afstierf en over mijn gehele lichaam begon te koeken. Ik mocht zelfs niet worden aangeraakt om te worden gewassen. Ten slotte begonnen ook de levenstekens weg te vallen. Mijn bloeddruk daalde en mijn polsslag nam af. Het ademen ging moeilijk. Alles wees erop dat ik bezig was te sterven.
Toen, plotseling, dertien dagen na het ongeluk, in het meest kritieke stadium van mijn situatie, gebeurde er een wonder. Mijn bed was nat! Mijn nieren en blaas waren weer gaan werken. De dokter beval het toedienen van vloeistof. „Drink wat je maar wilt”, zei hij me. „Maar blijf drinken.”
Mijn familie vertelde me later dat zij die avond naar het ziekenhuis waren geroepen omdat de dokter meende dat het einde naderde. Maar nu was er weer hoop.
De lange, moeilijke weg naar beweging
De voor mij liggende dagen zouden heel moeilijk worden. Het pijnlijke langzame terugkeerproces van de zenuwimpulsen zette in en over niet al te lange tijd zou er aan mijn revalidatietherapie worden begonnen. Mijn familieleden hadden al specialisten geraadpleegd die het er eensgezind over eens waren dat in leven blijven op zich al „een wonder” zou zijn. Een breuk van de vijfde halswervel is niet mis, en dan ook nog een breuk in de vierde. Toen mijn vader informeerde naar de kans of ik ooit weer het volledige gebruik van mijn lichaam zou herkrijgen, antwoordde de dokter: „Eén op de miljoen, dat is z’n kans, één op de miljoen.”
De krampen die door mijn lichaam trokken, veroorzaakten een bijna ondraaglijke pijn. Mijn moeder was dag en nacht in de weer met warme kruiken en warme doeken, om de pijn maar zoveel mogelijk te verzachten. Maar hoewel de krampen na verloop van tijd wegebden, bleef mijn verlamming bestaan.
Na weken in het ziekenhuis te hebben doorgebracht, mocht ik naar huis. Wat een heerlijke dag was dat. Mijn familie besteedde constante zorg aan mij en dag na dag, week na week, maand na maand, konden we nieuwe tekenen van leven in mijn lichaam ontdekken.
Werken met verlamde spieren is een zware proef op het geduld. Massage, spieren rekken, oefeningen, zwemmen en gewichtheffen behoorden allemaal tot de therapie. Dit was voordat de moderne vooruitgang op het gebied van de fysische therapie haar intrede had gedaan. Tijdens een recent bezoek aan de revalidatie-afdeling van het Medische Centrum van de Newyorkse universiteit, stond ik verbaasd over de uitrusting en faciliteiten die men nu tot zijn beschikking heeft om geheel of gedeeltelijk verlamden te behandelen. Mijn behandeling was in vergelijking daarmee primitief.
Aan het eind van de zomer had ik het gevoel weer te kunnen lopen. „Geef hem zijn zin”, zei de dokter. „Na verloop van tijd leert hij wel dat het hopeloos is.”
Dus sleepten mijn vader en zwager mij over de vloer. Het was tevergeefs, maar ik bleef denken dat ik het kon. Ondertussen begon ik mijn armen bij de ellebogen te bewegen en oefende ze krachtig om ze zoveel als maar mogelijk was te ontwikkelen. Ik kon typen door een potlood aan mijn nog steeds verlamde hand te binden en de toetsen daarmee aan te slaan. Ik vond dat al heel wat — brieven kunnen typen.
Maar het belangrijks te was toch wel dat ik al die tijd steeds dichter tot mijn Schepper, Jehovah God, naderde. Ik was als een van Jehovah’s getuigen opgevoed, maar had mijn tijd nooit door studie produktief gemaakt. Nu begon ik als nimmer tevoren de bijbel te lezen en het leek wel alsof ik door mijn verlamming beter onthield. Nog in een tijd zonder televisie of andere afleidende factoren, ontdekte ik dat ik uren kon lezen en me ook kon herinneren wat ik had gelezen. En ik geloof dat ik in die beproevingsvolle maanden voor de eerste maal in mijn leven de werkelijke betekenis van geduld leerde kennen.
Ten slotte had ik op een dag — tijdens de oefeningen — het gevoel, wel niet dat ik kon lopen, maar toch op zijn minst dat ik kon staan. Mijn zwager en mijn vader plaatsten me in een deuropening en ik zette me schrap met mijn armen. Ze lieten mij los. De druk op mijn voeten, die al maandenlang niet meer de grond hadden geraakt of mijn gewicht hadden gedragen, deed ontzettend pijn. Maar ik stond, ik stond in de deuropening! Helemaal alleen! Wat een overwinningsgevoel!
Tot dan toe had mijn zwager me overal naar toe gebracht, me gewassen, aangekleed en te eten gegeven. Hij en mijn zuster zijn gedurende de beproeving van de afgelopen dertig jaar steeds een grote bron van hulp en troost geweest. Als mede-getuigen van Jehovah waren hun geestelijke kracht en leiding erg belangrijk voor mij, vooral nadat in 1950 mijn vader en enige jaren later mijn moeder overleed.
Een belangrijke prestatie: opstaan van de grond
Hèt moment waarop ik mij ten volle bewust werd van het grote probleem waar ik mijn verdere leven mee te kampen zou krijgen, kwam tijdens een bezoek aan het revalidatiecentrum enkele maanden na mijn ongeluk. De therapeut, die maanden met mij aan de ontwikkeling van mijn spieren had gewerkt en me nu leerde lopen, gaf me met opzet een duw zodat ik op de oefenmat rolde.
„Laat eens zien hoe je opstaat”, zei hij.
„U weet dat ik niet kan opstaan”, zei ik kwaad. „Waarom deed u dat?”
„Ik wil je laten weten wat het wil zeggen hulpeloos te zijn”, was zijn antwoord. „Je kunt nu lopen. Niet zo sierlijk, maar je komt vooruit, niet? Nu moet je een manier zien te vinden om op te staan wanneer je valt, want je zult in de toekomst heel wat keren vallen. En wanneer je valt, moet je opstaan en doorgaan. Begrijp je me?”
Ik huilde. Voor de eerste maal wist ik me geen raad meer en het leek of de verlamming me toch nog de baas zou worden in plaats van omgekeerd.
„Er bestaat geen manier, dat weet u ook”, zei ik.
„Dat weet ik niet. Je hebt het zover gebracht en nu ga je het niet opgeven. We gaan dus net zolang werken tot we een manier voor je hebben gevonden om op te staan. Je spierweefsel is nog maar voor 20 percent bruikbaar. Je lijdt aan krampen. Dat wil zeggen, één stoot tegen je tenen en je gaat finaal tegen de grond. Dan is de vraag, hoe sta je op?”
Het vergde maanden, maar we kregen het probleem onder de knie. Eerst rolde ik op mijn buik, verhief me op mijn knieën, trok één been op als een stut en stond op. Het vergde tijd, maar het lukte. Steeds opnieuw bleef ik deze methode oefenen.
In 1946, nauwelijks een jaar na het ongeluk, had ik de gelegenheid deze methode in de praktijk te toetsen. Dat was tijdens een internationaal congres van Jehovah’s getuigen te Cleveland, Ohio. Terwijl ik bezig was kamers te zoeken voor afgevaardigden die naar de vergadering zouden komen, viel ik een stenen trap af. De kramp die hiervan het gevolg was, plus de schrik en de verwondingen verlamden mij. Ik lag daar verdwaasd, met bloedende knieën en ellebogen en een gehavend gezicht.
„Ik moet overeind”, zo dacht ik bij mezelf. „Niet in paniek raken. Kalmpjes aan.”
Toen de pijn wegtrok en ik de beheersing over mijn spieren herkreeg, kon ik, de treden als steun gebruikend, opstaan. Hoe bad ik om hulp! „We krijgen je er wel onder, we krijgen je er wel onder”, zo bleef ik maar zeggen. Het was een van mijn moeilijkste dagen.
Dit was de eerste van een hele reeks van valpartijen. Door sommige beschadigde ik mijn spieren, andere veroorzaakten schaafwonden en lieten littekens achter, en kort geleden brak ik zelfs een beentje in mijn ruggegraat zodat ik wekenlang een steungordel moest dragen totdat het been weer geheeld was. Deze breuk baart me overigens nog steeds zorgen. Maar geen van deze incidenten was in feite echt belangrijk. Belangrijk is dat je moet leren om op te staan wanneer je bent gevallen. Met geloof en volledig vertrouwen op de Schepper kan iemand nog veel meer in zijn leven presteren.
Een rijk en gevuld leven
Ik was nu door de crisis heen. In leven blijven was de eerste zorg geweest. Toen was de revalidatie gekomen, met alle geestelijke en emotionele aanpassingen van dien. Sommige doeleinden zijn bereikbaar. Andere gaan het menselijk vermogen te boven.
In 1947 ging ik terug naar school. Dit was nog een beproeving, maar ik moest toch enige opleiding hebben, wilde ik me ooit zelf kunnen onderhouden en geen last voor mijn familie blijven. Na veel nadenken besloot ik naar de middelbare school terug te gaan en af te studeren. Ik was zestien en had nog een jaar voor de boeg toen ik mijn ongeluk kreeg. Drie jaar en twee maanden later studeerde ik in 1948 af.
Ik bekwaamde me in spreken en journalistiek en hoopte radiospreker te kunnen worden. Mijn eerste auditie was een akelige mislukking. De leider van het radiostation vertelde mij dat ik meer opleiding nodig had. Nu had ik iets nieuws om aan te werken, iets wat niet het gebruik van mijn zwaar gekwetste lichaam zou vergen. Nu kon ik mijn onbeschadigde stem gaan trainen.
Tijdens deze periode ontmoette ik op school mijn toekomstige vrouw. Het begon allemaal met een toevallige uitnodiging. Ik zat op een stoel en zij wist niets van mijn omstandigheden af. Ze nodigde me uit om bij haar thuis te komen en met haar ouders kennis te maken; ik nam de uitnodiging aan. Maar toen stond ik wel voor een groot probleem. Ze woonde op de eerste verdieping van een flat en ik had nog nooit zoveel trappen opgeklommen. Toen ik met de auto aankwam (die ik ook had leren besturen), stond ze al beneden aan de trap te wachten. U zult zich nooit kunnen voorstellen hoe ik me toen voelde.
Toen ik uit de auto stapte en naar haar toe liep, veranderde de uitdrukking op haar gezicht niet. Ze moet zich geschokt hebben gevoeld, maar heeft dat nooit laten merken. En waar ik bijzonder dankbaar voor ben — ze heeft me ook daarna nooit iets over mijn toestand gevraagd. Dit is nu al vierentwintig jaar lang — al de tijd dat we getrouwd zijn — zo. Ze heeft begrip en medegevoel, maar praat er nooit over.
Ons leven samen is volledig normaal en ook een leven met een doel. Mijn vrouw deelt mijn geloofsovertuiging, mijn ogenblikken van vreugde, en ook mijn momenten van wanhoop en frustratie. Ofschoon bezorgd, is ze niet overmatig beschermziek. „De enige ernstige handicaps”, zo zei ze eens, „zijn die van emotionele en geestelijke aard”, en ik ben het daarmee eens.
Toen kwam mijn tweede auditie voor de radio. Ik zat met drie andere sollicitanten en voelde me heel onzeker. Maar ik had het nu eenmaal zover gebracht en had bovendien zo keihard geoefend, dat ik besloot me er doorheen te bijten. En tot mijn verrassing kreeg ik de baan! Ik kon nu werken en mijn brood verdienen. De hele weg naar huis huilde ik.
Eerst werkte ik als reclame-omroeper. Later werd ik sportverslaggever en in 1956 hoofd van de radio- en televisie-nieuwsdienst. Ik werd verslaggever voor twee nationale televisieomroepen. Het omroepbedrijf is tweeëntwintig jaar bijzonder goed voor mij geweest. Maar toen ik eenmaal wat achtergrond en ervaring had opgedaan, besloot ik te proberen de business voor mij te laten werken en niet omgekeerd. Mijn werk moest een middel voor levensonderhoud blijven en niet mijn voornaamste zorg gaan uitmaken. De gebeurtenissen die vanaf 1945 hadden plaatsgevonden, hadden mij slechts gesterkt in mijn besluit mijn leven rond mijn dienst voor Jehovah God en de belangen van het koninkrijk van zijn Zoon op te bouwen.
Tal van personen hebben de afgelopen dertig jaar mijn leven buitengewoon verrijkt. Het zou ondoenlijk zijn alle gelegenheden in mijn leven op te sommen waarbij ik van mensen grote vriendelijkheid en consideratie heb ondervonden. Het mooiste is echter de belangstelling die ik van Jehovah zelf heb ontvangen. Hij is mijn constante metgezel geweest, mijn kracht en toeverlaat. Ik ben getroost door de woorden van Psalm 103:1-4, die voor mij altijd bijzonder veel hebben betekend:
„Zegen Jehovah, o mijn ziel, ja, al wat in mij is, zijn heilige naam. Zegen Jehovah, o mijn ziel, en vergeet niet al zijn weldaden, hij die al uw dwalingen vergeeft, die al uw kwalen geneest, die uw leven opeist uit de kuil, die u kroont met liefderijke goedheid en barmhartigheden.”
Op aarde demonstreerde Gods Zoon zijn vermogen om verlamden te genezen (Matth. 4:24; 9:2-7). Met behulp van Gods geest was dit voor hem een simpele zaak. En onder Gods Messiaanse koninkrijk zal het slechts een van de talrijke zegeningen zijn die wij tijdens die duizendjarige heerschappij van vrede, die nu vlak voor ons ligt, zullen ervaren. Het zal een grote bron van genezing en geluk zijn voor alle lichamelijk gehandicapte personen die zich naar die heerschappij zullen schikken.
Dat in het dienen van Jehovah het grootste geluk ligt, heb ik persoonlijk mogen ervaren. Dat alleen maakt het leven werkelijk lonend en zinvol. Verlamd zijn heeft mij nooit van de voorrechten en zegeningen beroofd die gepaard gaan met het dienen van de Schepper. En als ook u op de een of andere wijze gehandicapt bent, hoop ik oprecht dat dit verslag u heeft helpen inzien dat ook u in Gods dienst een rijk leven kunt leiden. — Ingezonden.