Wandel en ontdekt een nieuwe wereld
Door Ontwaakt!-correspondent Chili
WAT zou uw vrouw zeggen als u met het besluit kwam: „Dit jaar gaan we van onze vakantie een wandelvakantie maken”? Ongetwijfeld zouden er heel wat reacties loskomen, met vragen als: „Een wandelvakantie? Waar is dat nou goed voor; we hebben toch een heerlijke auto?” „Wáár moeten we dan naar toe wandelen?”
Maar waarom zou u het eigenlijk niet eens proberen? Kom mee met mijn vrouw en mij en onze vriendin, een medezendelinge, om zodoende zelf te ervaren wat een wandelvakantie voor moois en interessants te bieden heeft.
Natuurlijk zult u bij het bepalen van uw eigen reisdoel en routelengte rekening moeten houden met de plaats waar u woont en uw gezondheidstoestand. Wij als zendelingen zijn gewend aan wandelen. En daar we in de meest zuidelijke provincie van Chili wonen, de provincie Magallanes, hebben we het plan opgevat een ventisquero, ofte wel een gletsjer, te bezoeken. Dat zal het doel van onze tocht zijn, maar denk niet alleen aan het doel; het gaat bij het wandelen in de eerste plaats om het genieten van de tocht zelf.
Een gevarieerd landschap
Het uitgangspunt van onze veertiendaagse tocht is Puerto Natales. Niet lang nadat we de stad verlaten hebben, stoppen er al vriendelijke automobilisten die ons aanbieden mee te rijden. Maar ditmaal hebben we geen haast en vriendelijk slaan we hun aanbod af.
Niet aan de geplaveide weg gebonden, zoals onze autovrienden, laten we spoedig de lawaaiige autoweg met zijn overhangende stofwolk achter ons. Naarmate we verder van de bewoonde wereld afraken, wordt de schoonheid en rest van het landschap steeds opvallender. Gras en struiken zijn niet langer met een stof- en rooklaag overdekt; de geluiden die men hoort, zijn zacht en harmonieus voor het gehoor. Het zachte kabbelen van de kronkelende beek en het ruisen van de wind in het gras vermengen zich met het gekwinkeleer van de vogels en het geblaat van schapen, hetgeen kalmerend werkt op de geteisterde zenuwen van een stadsbewoner.
Op ons gemak zetten we onze tocht langs de zeearm voort. In de verte komt een rotspiek in zicht. Naderbij gekomen zien we op een vlakke rots een tevreden zeehond zich vergenoegd koesteren in de warme zon. Natuurlijk is een zeehond op zich niets bijzonders; in heel wat diergaarden kan men er verscheidene zien, maar er een ontdekken in zijn natuurlijke omgeving is toch veel interessanter en opwindender.
„Zie je daar die helder roze plek aan de kust. Wat zou dat zijn”? vraagt mijn vrouw. Als we dichterbij komen blijkt het een kolonie flamingo’s te zijn, honderd vijftig in getal. Aan een lagune langs de kust zoeken ze het water af naar hun middagmaal. Waakzaam als ze zijn, kiezen ze bij onze verschijning onmiddellijk het luchtruim — een warrige roze wolk, omzoomd met zwart en wit.
Het Chileense Patagonië is ontegenzeglijk een land van grote verscheidenheid, zowel wat het dierenleven als de geografische bijzonderheden betreft. In het oosten strekken zich onafzienbare pampa’s of vlakten uit, bewoond door struisvogels, guanaco’s (wilde lama’s), hazen en vossen, terwijl het westelijke deel bergachtig is, het gebied van de gletsjers vormt en wordt bewoond door de poema, de gans, de eend en de caturra (een kleine groene papegaaiachtige vogel). Op onze wandeling krijgen we een veel beter beeld van Patagonië dan door het raampje van een voortzoemende auto.
Wat eten we vandaag?
Natuurlijk gaat een trektocht altijd gepaard met een goede eetlust, zodat u zich misschien al wel begint af te vragen wat we gaan eten. Wel, vergis u niet, door het gebruik van onze beperkte draagruimte goed uit te kienen, kunnen we elke dag een behoorlijke variatie in ons menu aanbrengen. Droge voedingsmiddelen als erwten, bonen, linzen, rijst, havermeel, maïzena, gedroogd fruit, enzovoort, zijn voor ons het beste omdat ze voedzaam zijn en geen extra gewicht aan water bevatten. Goed gebraden vlees blijft hier in het koude klimaat wel een week goed en kan bij diverse kampvuurmaaltijden worden gegeten. Ook een pak kant-en-klaar koekmeel, waarin alle droge ingrediënten reeds in juiste verhouding dooreen zijn gemengd, leek ons erg, praktisch om mee te nemen, omdat je in de natuur heel wat huiselijke gemakken moet ontberen. Bijna alles hebben we bij ons in plastic zakken; die zijn waterdicht en wegen bijna niets. Ingeblikte levensmiddelen zijn zwaar, zodat we maar een paar blikjes hebben meegenomen, voor gebruik op de eerste dag waarna ze ons op de rest van onze tocht als ketels of koppen kunnen dienen.
Ook de natuur biedt voedsel dat we kunnen eten. Langs de kust kunnen we bij ondiep water mosselen van de rotsen verzamelen en in het voorjaar bieden ook eieren van eenden, ganzen of zelfs struisvogels een welkome afwisseling op het menu. In de meeste rivieren en stroompjes kan men net zoveel zalm vangen als men wil. Wilde bessen zijn overal te vinden en, natuurlijk niet te vergeten, bekende eetbare paddestoelen.
Onze metgezellin, een onbedwingbare kookster, heeft voor ons enige verrassingen in het (kamp)vuur. Eerst dubbelgerezen oliebollen; het rijzen geschiedt in een plastic zak naast het vuur. Later wordt er, met gedroogde kersen en het koekdeeg, een soort van kersenvlaai gemaakt. Maar eerst moet ze haar oven bouwen, waarvoor ze een grote verzameling stenen gebruikt; een dunne plaat leisteen is de kookplaat, waaronder het vuur wordt gestookt. Allicht heeft ze zich bij haar recepten een paar vrijheden veroorloofd, maar haar prestaties zijn een streling voor onze trekkerstong.
Als we na de maaltijd even „achterover gaan” en op onze rug de lucht beschouwen, valt ons op hoezeer deze in dit gebied met wisselende klimaten en sterke winden aan veranderingen onderhevig is. We kunnen op hetzelfde moment wolkenvariaties van elk van de vier verschillende basistypen onderscheiden. Plotseling roept mijn vrouw: „Kijk daar! Die wolken verdwijnen!” En het is zo. In een kwestie van een paar minuten zien we een hele wolk voor onze ogen oplossen, een plek blauwe lucht aan de hemel achterlatend. Hoogstwaarschijnlijk zal dit fenomeen zich wel op meer delen van de aarde voltrekken, maar wij hadden het nog nooit gezien voordat we gingen lopen en er een geheel nieuwe wereld voor ons openging.
De „ovejero”
Maar weinig mensen komt men tegen in deze spaarzaam bewoonde streek van estancias ofte wel schaap- en veeranches. De meest typerende en waarschijnlijkste persoon die men hier kan ontmoeten, is de ovejero of schaapherder. Hij is niet iemand die makkelijk te beschrijven valt. Een Chileense dichter schreef eens hoe hij met geen enkele cowboy of schaapherder uit welk land maar ook te vergelijken is, noch een bepaalde typische kledij draagt — elkeen kleedt zich zoals het hem het beste toeschijnt — maar het snelst te herkennen is aan zijn metgezellen: zijn paard, waarop hij vastgegroeid lijkt, en zijn honden, die maar zelden zijn schaduw verlaten. Zij zijn vriendelijk en gastvrij, de ovejero’s. Met een van hen dronken we thee, waarna hij aanbood ons de plaats te wijzen waar we een rivier konden oversteken. Terwijl hij ons met zijn paard en honden vergezelde, verloren zijn ogen geen moment hun waakzaamheid; plotseling zagen ze een klein groepje schapen aan de andere kant van een dal, op ongeveer vierhonderd meter afstand. Onmiddellijk zond hij zijn honden erop af; geleid door zijn fluit- en roeptonen renden ze rond het groepje schapen en dreven ze door het dal heen naar een poort. Het was verbazend om te zien hoe de honden precies op zijn aanwijzingen reageerden en enthousiast, zonder de schapen enig letsel te bezorgen, hun werk deden.
Voordat we de rivier oversteken, zegt onze vriend de schaapherder dat hij ons een „sodafontein” zal laten zien, en, inderdaad, aan de voet van een heuvel borrelt uit verschillende minerale bronnen natuurlijk koolzuurhoudend water op, heerlijk verfrissend om te drinken. Na onze dorst gelest te hebben, steken we de rivier over, die, hoewel gezwollen, op deze plek slechts kniediep is.
Om te drogen, slaan we onmiddellijk aan de andere kant van de rivier ons kamp voor de nacht op. Misschien zijn er sommigen onder u die denken dat deze nattigheid en, in het algemeen, de blootstelling aan de elementen tijdens zo’n trektocht, gevaarlijk zijn voor de gezondheid. Niettemin zijn we in die twee weken heel wat keren nat geworden, terwijl we voortdurend buiten waren, maar is geen van ons zelfs maar verkouden geweest. In de regel lijkt het er zelfs wel op dat men hoe meer men buiten is, des te minder vatbaar voor kwalijke weersinvloeden wordt.
Iets interessants dat ons al van af het begin van onze tocht opviel, was dat wanneer we door landstreken kwamen waar we voordien wel eens met de auto waren geweest, en die we toen in het algemeen dor en weinig belangwekkend hadden gevonden, ons nu te voet geweldig veel belang inboezemden. Struiken, bomen, ravijnen en lage heuvels — voor een door stof geplaagde automobilist één grijze waas — werden nu op onze ontspannen tocht in de frisse lucht kenmerkende landschappelijke bijzonderheden.
Bergland
Na een reis van verscheidene dagen steken we de rivier de Payne over, daarmee tevens de autoweg — die hier aan zijn eind komt — achter ons latend. Op dit punt zijn we omstreeks vierentwintig kilometer van ons doel, de Ventisquero Grey, ofwel de Grijze Gletsjer, verwijderd. We trekken verder langs een goed aangegeven ruiterpad, dat zich door een streek van uitzonderlijke schoonheid slingert. De twee beroemde cuernos of horens van de Payne, met sneeuw bedekte bergpieken, spiegelen zich haarscherp af in het helder blauwe water van het Nordenskjold-meer aan onze rechterhand.
Bij tijd en wijle schijnt deze vallei een ware „windtunnel” te vormen. Plotseling ontdek ik dat de meisjes niet meer bij me zijn, ik draai me om en zie ze beneden me hulpeloos lachend op de grond liggen, zich aan struiken vastklampend om door de wind niet verder van de helling afgeblazen te worden. Beneden ons zien we een omgekeerde „waterval”, bestaande uit water dat door de kracht van de wind tegen een steile klif omhoog wordt geblazen. Om de zoveel tijd stoppen we even om aan het eind van een lange klim of langs een kristalheldere bergbeek wat uit te rusten.
Voortzwoegend langs de voet van de hoogste top van de Payne, met een hoogte van meer dan 3000 meter, bereiken we langzaam de bovenkant van een hoge heuvel. En daar ligt hij, de gletsjer! Wat dichtbij! Maar laat u niet misleiden. Vaak lijken in de bergen op een hooggelegen punt de afstanden bedrieglijk kort. We hebben nog wel een paar uur lopen voor de boeg. Van hieruit gezien lijkt de gletsjer volkomen wit, met hier en daar iets blauwigs. Onze tocht voortzettend met het meer aan onze linkerhand, komen we langs grote onregelmatig gevormde ijsbergen die aan het eind van het Grijze Meer van het moederijs zijn afgebroken. Het grootste deel van de ons nog resterende tocht gaat nu heuvelafwaarts en door bossen.
Weldra zien we in de verte de verlaten schaapherdershut waar we aan de rand van de gletsjer de nacht zullen doorbrengen.
Natuurlijk wachten we met ons bezoek aan de gletsjer niet tot morgenochtend. Morgen kan het wel regenen.
De gletsjer van nabij
Nog een korte wandeling door het bos en we staan in de „open lucht”. Voor onze ogen strekt zich zover het oog reikt een gigantisch bevroren wonder in de bergen uit, glinsterend wit in het zonlicht.
„Hoe groot is ie?” vraagt onze vriendin. „Het eind is niet te zien.” De breedte van de Grijze Gletsjer varieert van twee en een half tot zes kilometer; zijn lengte kunnen we ruwweg stellen op zestien kilometer, hoewel hij na zestien kilometer in feite alleen maar overgaat in de hoofdmassa van de Patagonische Gletsjer, een van de grootste gletsjers ter wereld, met een totale oppervlakte van meer dan 4000 vierkante kilometer en een noord-zijlengte van 555 kilometer. De Grijze Gletsjer is slechts een van de vele armen die van het hoofdijsveld naar de zee of meren afvloeien. De gehele zuidelijke keten van het Andesgebergte tot onder aan Coihaique, in de Chileense provincie Aysén, ligt in de ijskoude greep van de Patagonische Gletsjer, die zich voornamelijk op Chileens grondgebied bevindt, hoewel er ook verschillende ijsarmen zijn die zich over de grens oostwaarts naar Argentinië uitstrekken.
Kom, dan gaan we het ijs van nabij bekijken. Bij nader onderzoek blijkt dat het ijs niet sneeuwwit is en ook niet één groot glasachtig blok vormt, maar daarentegen een korrelachtige structuur bezit. Een gletsjer is in wezen samengepakte sneeuw en wordt aangetroffen in die bergstreken en poolgebieden waar meer sneeuw valt dan er door smelten verdwijnt. Bij de tong van de gletsjer, die in het meer uitkomt, is een constant gemurmel van tinkelend ijs en druppelend water te horen, zo nu en dan onderbroken door een heftig gekraak als er weer een stuk van de ijsgigant in het meer tuimelt.
Eigenaardig is dat hoewel water helder en kleurloos is, gewoon ijs van een afstand een witte aanblik biedt, wat veroorzaakt wordt door de luchtbellen die erin gevangen zitten. Maar waar het gletsjerijs gescheurd is of waar pas een stuk is afgebroken, heeft het een prachtige kristalblauwe kleur, omdat daar de luchtbellen ontbreken. Dit is er ook de oorzaak van waarom gletsjerijs langzamer smelt dan kunstijs.
„Hoe komt het dat hij er zo brokkelig uitziet met al die spleten en pieken?” vraagt mijn vrouw. Wel, deze vinden hun oorsprong in de onregelmatigheden van de dalbodem die het ijs doen splijten, waarna door de daaropvolgende erosie van het ijs door de zon, diepe kloven en hoge, puntige ijstorens ontstaan. Op plekken waar dit het geval is, zou het zeer gevaarlijk zijn de gletsjer over te steken. Overigens zijn er op een gletsjer ook altijd plaatsen waar het ijsoppervlak nog tamelijk vlak en veilig te begaan is, waar we ijsstromen kronkelend hun weg kunnen zien zoeken door blauw ijskristal.
„Maar hoe kan vast ijs nu ’stromen’?” vraagt onze vriendin. De „stroming” of beweging van een gletsjer is afhankelijk van de temperatuur, de massa van het opgehoopte sneeuw en ijs, de helling van het ijsoppervlak, en de gladheid en helling van de dalbodem. Een gletsjer kan puntige rotsobstakels passeren door er voor te smelten en er achter weer te bevriezen. Dit proces wordt regelatie of herbevriezing genoemd en is slechts mogelijk in de omgeving van het vriespunt. Bij lagere temperaturen is er sprake van een viskeus-plastische stroming, waarbij de ijskristallen zonder te breken worden vervormd, zodat de ijsmassa over bochten en onregelmatigheden in de dalbodem zijn weg kan vinden.
Staande aan de smeltrand van de gletsjer, voor een vijftien tot dertig meter hoog oprijzende blauwwitte ijssculptuur, waren we het er allemaal wel over eens dat dit het hoogtepunt van onze trektocht was. Hier was waarlijk „het geglinster van ontzagwekkend ijs” te zien, een van de wonderwerken van de Schepper. — Ezech. 1:22; Ps. 104:24.
Maar het wordt nu tijd dit spectaculaire natuurwonder te verlaten. Onze terugtocht blijkt even plezierig te zijn, doordat we onze route te voet heel gemakkelijk kunnen wijzigen en zodoende volkomen andere dingen kunnen zien.
Niet alleen bij ons, maar overal ter wereld kunnen interessante dingen worden ontdekt; dus of u nu twee dagen hebt, of twee weken, of u nu in de stad woont of buiten, waarom zou u voor de verandering die auto niet eens laten staan en zelf gewaarworden wat er op een wandeltocht te ontdekken valt.