Het zeegaande houtvlot
Door Ontwaakt!-correspondent in Canada
„K-R-R-R-R-RAK!” Het geluid van scheurend hout weerklinkt tussen de bomen; weer is een machtige woudreus ter aarde gestort. Maar zie eens naar de heuvelhelling waar de reus gevallen is. Hoe zal deze boom ooit de gillende zagen van de houtzagerij of de slijpmachines van een papierfabriek kunnen bereiken?
Soms wordt het hout gehakt op plaatsen waar grote trucks de stammen kunnen ophalen en ze direct naar de plaats van bewerking kunnen brengen. Langs vele delen van de sterk gelede, bergachtige kust van de Canadese provincie Brits Columbia en het aan de Grote Oceaan grenzende noordwesten van de Verenigde Staten is een dergelijk vervoer echter niet mogelijk. Vandaar dat men daar de fascinerende houtvlotten kan zien.
Langs de ruwe, bergachtige kuststreek van Brits Columbia groeien de prachtige douglasspar, de sitkaspar, de ceder, de hemlockspar, de balsemboom en de pijnboom. De berghellingen strekken zich tot in de oneindige verten uit, bedekt met wouden die zo dicht zijn dat iemand die geen goede sporen achterlaat er heel spoedig in verdwaalt.
De rotsachtige kust staat op sommige plaatsen aan de volle kracht van wind en water bloot. Op andere plekken zijn er beschutte inhammen en lange, smalle fjorden waar het water van de oceaan zich vermengt met het water van kleine stromen en rivieren. De stammen worden naar deze fjorden en inhammen gebracht. En van daar af worden deze reusachtige hoeveelheden hout op bijzonder praktische wijze vervoerd — als een zeegaand houtvlot!
Een bezoek aan een „verlaadplaats”
Niet zo lang geleden bezocht ik met enkele vrienden een zogenoemde „verlaadplaats”, waar de stammen gereed worden gemaakt voor hun zeereis. Wij gingen van de hoofdweg af en draaiden een smal pad op dat net breed genoeg was voor één auto en naar de oever van een inham leidde. Bij een hut in het bos stopten wij en ontmoetten daar een oudere man. Wij vernamen dat hij meer dan veertig jaar bij het houttransport had gewerkt. Nu kunnen zijn benen het zware werk op een houtvlot niet meer aan.
„Weet u”, vertelde hij ons, „bij het vlotten ben je meestal tot je knieën toe nat en met je armen is het al niet veel beter gesteld. Op het ogenblik is het werk niet meer zo zwaar als vroeger, toen wij alleen maar de beschikking hadden over onze spierkracht om de boomstammen met een pikhaak in de juiste richting te duwen. De stammen waren toen ook groter. Kijk maar eens naar die stomp daarginds! Het is nu ongeveer vijftig jaar geleden dat ik die boom heb omgehakt, vlak nadat ik uit het oosten kwam. De eerste achttien meter was hij zo recht als een kaars, met nauwelijks een zijtak, en zelfs daarboven konden wij er nog goede blokken van zagen; ik had er spijt van dat ik hem had omgehouwen!”
Een beschouwing van de stomp, die een diameter had van wel twee en een halve meter, maakte duidelijk dat het een prachtige boom moest zijn geweest. Nu groeide er uit de stomp een andere boom die zich er als een octopus aan had vastgeklemd.
Wij vervolgden onze tocht langs de weg waarover nu al tientallen jaren de stammen uit het bos worden gehaald, en plotseling maakte het schemerige licht van het bos plaats voor helder daglicht. Voor ons zagen wij een beschutte inham. Aan de oever was een groot vierwielig voertuig bezig de stammen op stapels te leggen; de stammen werden op dezelfde manier opgenomen als een olifant in de wouden van het Oosten dat doet. Er worden twee stalen tanden onder de stam geschoven, een slurfachtige arm klampt zich eroverheen en het voertuig ronkt weg naar de eigenlijke stapelplaats, sneller dan een mens kan lopen.
Een arbeider die bij ons in de buurt stond, herkende ons en riep: „Kan ik met jullie mee naar huis rijden?” Wij vonden het uitstekend. Toen zijn werktijd om was, ging onze vriend zich even opfrissen en deed hij zijn spijkerschoenen uit. Fred werkt al achttien jaar bij de houtvlotten. Terwijl wij uitkeken over de plaats waar de vlotten werden gereedgemaakt, riep iemand plotseling: „Die verste rij stammen beweegt!”
Hoe het wordt gedaan
„Ja, dat klopt”, bevestigde Fred, „een half uur geleden hebben wij dat vlot gereedgemaakt, en de sleepboot sleept hem nu de zee op.”
„Ik zie helemaal geen sleepboot”, merkte onze vriend uit de stad op.
„Kijk nog eens verder”, zei Fred, „dan zul je hem zien.” Met onze verrekijkers ontdekten wij dat hij gelijk had; wij zagen twee mannen op het dek bezig terwijl de sleepboot langzaam op gang kwam met nog een lange, zware sleep voor de boeg.
„Die rijen rechtopstaande palen daar, helpen ons om de stammen recht achter elkaar te krijgen als wij de vlotten samenstellen. Ze verhinderen ook dat de stammen, door eb of vloed, van hun plaats raken, zodat wij alles overnieuw zouden moeten doen.
Als het water te diep of de bodem te rotsachtig is om palen in de grond te drijven, maken wij iets anders. Dan worden er twee rijen stammen naast elkaar gelegd en aan elkaar verbonden; allemaal stammen van ongeveer dezelfde grootte. De voeg tussen twee stamuiteinden ligt op de helft van een stam van de andere rij. Het uiteinde van deze dubbele rij boomstammen wordt in diep water verankerd, en het andere eind wordt aan de oever vastgemaakt. Hierdoor hebben wij de beschikking over een looppad van waaruit wij een vlot kunnen opbouwen of uiteenhalen. Het biedt een stevig houvast, wat vooral boven diep water erg belangrijk is.
Het platte houtvlot bestaat uit slechts één laag stammen. De stammen worden niet aan elkaar vastgemaakt, maar ze worden in een grote rechthoek bijeengehouden door speciale stammen aan de voor- en achterkant en langs de zijkanten. De achterste stam heeft altijd de grootste diameter om te voorkomen dat er stammen onderdoor schieten.”
Fred vertelde ook hoe de stammen in het vlot op hun plaats worden gebracht: „In vroeger dagen gebruikten de mannen lange pikhaken met aan het eind een combinatie van een punt en een trekhaak, zodat zij de stammen naar zich toe konden trekken of van zich af konden duwen. Maar bij dat werk kon je makkelijk in het water vallen, vooral als een stam plotseling begon te draaien.”
Uit dit werk is ook een sport ontstaan; Fred vertelde erover: „Sommige mannen werden heel bekwaam om met hun spijkerschoenen een stam te laten rondtollen en te laten stoppen. Dit „boomstamrollen” was en is nog steeds tamelijk populair in houtvlotterskampen. Men stond met zijn tweeën tegenover elkaar op dezelfde stam en de bedoeling was de ander van de stam te laten rollen door deze rond te draaien. Vaak moest er heel wat werk met de benen worden verzet voor iemand te water ging en de ander als overwinnaar kon worden uitgeroepen. Toen ik jonger was, heb ik het wel gedaan, maar ik kwam al spoedig tot de conclusie dat men met het werk al genoeg risico liep om in het water te vallen, zonder dat men moeilijkheden zocht.
Tegenwoordig worden de stammen door een kleine stalen boot op hun plaats geduwd. Deze boot heeft een drijfmechanisme dat over 360° kan draaien, waardoor hij zeer wendbaar is. Terwijl de boot bezig is de stammen opzij of vooruit te duwen, kan hij zich plotseling een volle slag draaien om een andere stam in de juiste richting te duwen.”
Stammen — verschillend in grootte en van verschillende oogst
Het was tijd om te vertrekken, dus stapten wij allemaal in de auto, en terwijl wij weg reden, vroeg de bestuurder iets aan Fred wat wij allemaal hadden willen vragen: „Hoe groot waren de stammen die wij vandaag gezien hebben?” Uit het antwoord van Fred bleek duidelijk dat zijn werk hem werkelijk interesseerde; hij zei:
„Verscheidene hadden een middellijn van anderhalve meter, andere waren één meter in doorsnede en enkele waren maar zestig centimeter dik. De bomen worden nu kleiner gekapt dan jaren geleden. In sommige streken hakt men zelfs bomen om die een doorsnede van slechts een halve meter hebben, omdat men wel verplicht is voor de tweede of derde maal te kappen. Bij stammen is het de hoofdzaak dat ze recht zijn en niet te veel knoesten bevatten. Als ze niet aan deze eisen voldoen, gaan ze gewoonlijk naar de cellulose- en papierfabrieken. Korte cederstammen worden verwerkt tot dakspanen, terwijl de planken die van de langere stammen worden gemaakt, gebruikt worden voor de buitenbekleding van houten huizen. Sparren, pijnbomen en hemlocksparren worden hoofdzakelijk verwerkt tot timmerhout.”
Toen wij over het pad naar de hoofdweg terugreden, merkten wij op dat men duidelijk kon zien hoe het bos gekapt was: met de eerste oogst waren de grootste en mooiste bomen weggehaald; de tweede oogst haalde het beste weg van wat er na de eerste oogst weer was opgegroeid. Het is duidelijk dat dit kleinere bomen waren, van mindere kwaliteit en geringer in hoogte; ze konden echter gebruikt worden omdat de moderne houtverwerkende industrie vele nieuwe toepassingsmogelijkheden van hout heeft ontwikkeld. Er heerst nu rust in het bos totdat de mens een derde oogst gaat weghalen.
De houtmaatschappijen gaan steeds verder de bergen in op zoek naar eerste kwaliteit bomen in streken waar nog niet gekapt is. Regeringsvoorschriften eisen nu echter dat het bos na een kapping eerst wordt schoongemaakt en er nieuwe bomen worden geplant voor een volgende generatie.
Waar gaat het vlot heen?
Op de hoofdweg konden wij enkele malen een stuk van de zee zien. Op een ver uitstekend punt bleven wij even staan om nog eens naar een houtvlot te kijken dat langzaam voortkroop op weg naar zijn bestemming.
Fred merkte op: „Ik heb op het houtterrein gewerkt waar dat vlot naar toe gaat. Het is in feite een uitgestrekt verkoopterrein. Elk vlot vertegenwoordigt een grote handelswaarde en dient daarom voorzien te zijn van het merkteken van de eigenaar, terwijl ook bij benadering moet worden aangegeven hoeveel hout het bevat. Het vlot dat daar vaart, bevat ongeveer 425 kubieke meter hout. Bij aankomst wordt het hout gekeurd en worden de stammen gesorteerd naar het doel waarvoor ze gebruikt zullen worden: timmerhout, multiplex, cellulose of papier. Er zijn handelaren aanwezig die daar hun aankopen doen.
Slechts bepaalde houtsoorten worden voor de cellulose- of papierfabricage gebruikt. Daarom worden de vlotten met deze houtsoorten eerst naar aparte slijperijen gezonden. Nadat het hout in houtslijp is veranderd, wordt het in grote vierkante houders geladen en naar de cellulose- en papierfabrieken getransporteerd; deze willen nu echter een eigen slijpinrichting gaan bouwen. De andere boomstammen, die het merkteken van hun nieuwe eigenaar reeds hebben ontvangen, worden weer in vlotten bijeengevoegd en naar het bedrijf gesleept dat ze heeft aangekocht.”
Wij stelden nog een laatste vraag: „Gaan er wel eens stammen van een vlot verloren?”
„Ja”, antwoordde Fred, „sommige raken inderdaad zoek. Maar nu wij in deze tijd de beschikking hebben over de laatste weerberichten, wordt het verlies door ruwe zee tot een minimum beperkt. Mochten er echter toch nog stammen losraken, dan hebben ze het kenteken van de eigenaar, die ze dikwijls terugvordert. Ook zoeken afzonderlijke personen, die zich dienen te houden aan verschillende bepalingen, in kleine motorboten de kust af naar losgeslagen stammen, die zij weer verkopen aan de fabriek waarvoor ze oorspronkelijk bestemd waren.”
In de auto dankten wij Fred hartelijk voor de vriendelijkheid en het geduld waarmee hij onze vragen had beantwoord. Nadat wij hem thuis hadden afgezet, dachten wij na over het vele wat wij tijdens ons uitstapje hadden geleerd. Zo dachten wij eraan hoeveel dank de mens verschuldigd is aan de Grote Schepper van de met dichte wouden bedekte berghellingen.